en toen ontwikkelden zich bij de dichters de bezwaren tegen volkstaal.
A.'s konklusie is dat de poëzie groot gevaar loopt als het niet hoofdzakelik berust op de omgangstaal van zijn tijd. Want de potentiële kracht die de woorden bezitten komt voort uit het gebruik, uit het verband van de woorden met handelingen. Geen twee handelingen zijn dezelfde; maar de woorden er voor kunnen wel dezelfde zijn. Zo worden woorden telkens gebruikt voor licht verschillende handelingen, en zo wordt een woord een naam voor een eindeloze reeks variaties en gradaties van betekenis, met tal van subtiele associaties.
Natuurlik is hier de bedoeling niet de omgangstaal tot een afgod te maken. Het feit dat een woord gebruikt wordt in de omgangstaal is niet voldoende om het geschikt te maken voor poëties gebruik. Als voorbeeld daarvan gebruikt A. het woord bicycle. Het zal weinig dichters biezonder geschikt voorkomen voor een vers. Waarom niet? Het zègt niets, het is een nieuw woord, en het heeft geen tijd gehad om die potentiële kracht te verwerven, die voor poëzie noodzakelik is. En welke omgangstaal bedoelt Abercrombie? Is het uitsluitend wat wij vaak Algemeen Beschaafd noemen? Allerminst. In plaats van een definitie geeft Abercrombie, zoals een dichter past, een illustratie, een illustratie trouwens die ook voor taalkundigen een definitie ontbeerlik maakt:
Een poosje geleden vroeg ik twee mensen die de villa kenden waar ik logeerde, wat voor bloem een van de rozen daar had: ik vroeg een dominee en een arbeider. De dominee zei: ‘Oh, it 's an awfully jolly little thing.’ De arbeider zei: ‘Oh, it 's an innocent little blow.’ De arbeider gaf me het beste idee van de roos als hij in bloei was.
E. Kruisinga.