De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9. J.B. Wolters, Groningen 1915  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 178]

Een principiële opmerking bij het etymologiseren van spreekwoordelike uitdrukkingen.

In het taalgebruik is de oorsprong van een spreekwoordelike uitdrukking ons gewoonlik evenmin bewust als die van enkelvoudige woorden. Maar terwijl woorden als paard of boom, als tekens voor bepaalde voorstellingen, aanvaard worden zonder dat men zich afvraagt waarom ze juist zò genoemd worden, zullen woordgroepen als op de fles gaan, van de prins geen kwaad weten telkens weer de nieuwsgierigheid prikkelen. De oorzaak ligt voor de hand. De betekenis van de woordgroep is voor spreker en hoorder onmiddellik duidelik, en in veel gevallen zal de afzonderlike betekenis van de woorden fles of prins niet meer tot bewustheid komen. Toch kàn dat bij zulke bekende woorden licht gebeuren, en dan rijst de vraag: wat kan er voor verband bestaan tussen dit woord en de woordgroep? Hier ligt een gebied waar dilettantiese taalwijsheid sinds eeuwen heeft gewoekerd en nog lang zal tieren. De mens is van nature eer geneigd voorlichting te zoeken bij zijn eigen vernuft dan bij geleerden. Bekend zijn de beide delen van Carolus Tuinman over de Oorsprong en Uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche Spreekwoorden (1726-1727), een rijke verzameling, door deze vlijtige achttiende-eeuwse liefhebber bijeengebracht ‘tot grondig verstand der Vaderlandsche Moedertaal’. De meest grillige invallen doen hier dienst als ‘opheldering’. Tot diep in de negentiende eeuw vond Tuinman navolgers. Al ruimden de predikanten als taalliefhebbers het veld voor de schoolmeesters, in vermetele veronderstellingen en ondoordacht napraten gingen ze niet minder ver. Intussen werd de verklaring ook ter hand genomen door taalgeleerden, die met historiese speurzin en gescherpt onderscheidingsvermogen betere wegen insloegen: onze wetenschappelike lexikografen, en, op hun voetspoor, Dr F.A. Stoett, die zijn bekende verzameling steeds wist uit te breiden en te verbeteren.

De wetenschappelike beschouwing onderscheidt zich van de dilettantiese vooral daarin, dat de eerste moeielikheden en ingewikkeldheden blootlegt, waarvan de laatste geen begrip heeft. De voornaamste nieuwe gezichtspunten zijn:

[p. 179]
1o.De stamboom en de verwanten van de uitdrukking moeten in het verleden zo ver mogelik nagespoord worden.
2o.Verklaring, in de zin van etymologie, mag niet verward worden met verklaring als omschrijving van de hedendaagse betekenis en gebruikskring.
3o.Nauwkeurig dient gelet te worden op klank- en begripsassociaties, die een spreekwoordelike uitdrukking uiterlik en innerlik kunnen vervormen.

De beide eerste punten zijn, dank zij het Nederlandsch Woordenboek en Stoett's verklaringen, vrijwel gemeengoed geworden. De opmerking die ik in deze bladzijden wilde maken, knoopt zich voornamelik vast aan het derde punt. Daar werkt m.i. de oude beschouwing, die in alle vervorming een afwijking van het ‘oorspronkelike’, en dus verbastering zag, te veel na, ook bij geleerden als Stoett, die in theorie het betere inzicht bezitten.

De klank- en begripsassociaties, als faktoren van taalverandering, die ten onrechte met de naam ‘volksetymologie’ bestempeld werden, zijn in dit tijdschrift al eens uitvoerig besproken.1) Wij bepaalden ons toen tot enkele woorden. In woordgroepen als de spreekwoordelike uitdrukkingen, zijn dezelfde faktoren werkzaam. Zo'n uitdrukking bevat meestal een beeld. Zolang dat beeld de spreker en hoorder scherp bewust is, zullen vorm en inhoud zich kunnen handhaven. Wanneer het beeld gaat verbleken of verdwijnen, opent zich de mogelikheid tot vervorming. De woordgroep heeft alleen gezamenlik een betekenis: de woorden worden onderling niet meer in logies verband gevoeld. Hun samenhang wordt ongeveer dezelfde als die van een aantal silben in een enkelvoudig woord, of als die van de bestanddelen in een niet meer gevoelde samenstelling. Onvolkomen verstaan of onvolkomen reproduktie - vooral wanneer de uitdrukking zeldzaam en het woordgeheugen niet sterk is - veroorzaken afwijkingen, die gesteund kunnen worden door ongeveer gelijkluidende woorden. Dan ontstaan varianten als: dat loopt de spuitgaten uit (voor: spuigaten) of over een kant scheren (voor: kam). Een aardig voorbeeld las ik laatst in Neerlandia (Jan. 1915), nl. van bikboord naar bakboord lopen (voor: van stuurboord naar bakboord; een treffende parallel met: van Pontius naar Pilatus!). Bij onderzoek bleken verschillende mensen deze vorm, die mij nog vreemd was, te kennen. Hier zien we dus een ‘zinloze’ vervorming ontstaan, die te vergelijken is met uitdrukkingen als bij kris en kras, op haren

[p. 180]

en snaren stellen, enz.1). Andere zuivere klankassociaties zijn: zijn tranemontanen kwijt zijn, buiten westen zijn2) enz.

Begrijpelikerwijze komen in spreekwoordelike uitdrukkingen zeer licht begripsassociaties voor. Men hoort er een bekend woord in, dat op de achtergrond van het bewustzijn een begeleidende voorstelling te voorschijn roept, die soms los naast de betekenis van de gehele uitdrukking staat. Ieder kan daar de proef van nemen. Men moet dan niet vragen: ‘wat betekent dat woord in die uitdrukking?’ - want dan komt er een bedachte verklaring - maar: ‘waar heb je bij dàt woord wel eens aan gedacht?’ Op het onopzettelike komt het aan. Meestal zal het antwoord luiden: nergens aan. Maar er zijn ook verrassende gevallen. Onlangs verzekerden mij twee personen, onafhankelik van elkaar, dat ze bij de uitdrukking ‘ergens een slaatje uit slaan’ altijd aan salade hadden gedacht. Zulke begeleidende voorstellingen, die zeer vaag kunnen blijven - oefenen soms niet de minste invloed uit op de gangbare betekenis van de uitdrukking, en onttrekken zich dan aan de waarneming. Soms gaat hun invloed verder, en suggereren ze een nieuw beeld. Als de overdrachtelike betekenis dan dezelfde blijft, zal eerst bij een opzettelik onderzoek kunnen blijken, welke sprekers of schrijvers zich het andere beeld bewust zijn geweest. De draad kwijt zijn (Stoett, No 388) kan voortkomen uit de voorstelling van een naaister, die de draad uit de naald verliest, maar evengoed kan men denken aan het uit het oog verliezen van de draad van een weefsel (vgl. de draad volgen) of zelfs van de draad van het hout. Voor een heet vuur staan zal waarschijnlik eerst een soldaten of matrozenuitdrukking geweest zijn3), maar het ‘hete vuur’ kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste - desnoods het ‘oorspronkelike’ - beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het ‘echte’ of ‘eigenlike’ tegenover de latere ‘onechte’ of ‘verbasterde’ stelt. Feitelik is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. Die vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is. Daarom is het van belang, te letten op de variant: voor een heet vuur zitten, die in het artikel van Stoett (No 2069) wel vermeld,

[p. 181]

maar niet in 't juiste licht geplaatst wordt. Naast de bijbelse uitdrukking: de snoeren zijn mij op liefelike plaatsen gevallen vond ik ergens: zijn snoeren zijn in liefelike wateren gevallen, waar de voorstelling van een vissnoer het beeld naar ons waterland overbracht. Wanneer wij zeggen bot vangen naast het Vlaamse enen bot krijgen (= een slag, een stoot krijgen), dan behoeft men niet met het Ned. Wdb. (III, 674) aan te nemen dat vangen hier eerst ontvangen heeft betekend, want de voorstelling van de vis kan de verwisseling van krijgen en vangen licht bewerken. Leerzaam is weer de bij Stoett niet vermelde variant: een botje vangen.

Het Ned. Wdb. stelt ons in staat om nog een paar aardige voorbeelden te geven. In de zeventiende eeuw bestond de uitdrukking: de bommel is uitgebroken (Ned. Wdb. III, 332), of de bom breekt uit (III, 325), waarbij men aanvankelik gedacht heeft aan een vat, waar de spon (bommel of bom) uit springt. Maar een plaats bij Hooft (‘den bommel te laten rijpen, en op het uitbreeken des zelven....’) verraadt, dat hij bij bommel aan een gezwel (bobbel) heeft gedacht. Stellig heeft zich weldra, door de klankgelijkheid van dit bom met bom = kogel een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband daarmee werd uitbreken vervangen door barsten, losbarsten, of springen. Het gewijzigde beeld heeft hier ook de gehele betekenis doen veranderen: de oude betekenis: ‘het geheim is uitgekomen’ week voor: ‘er is een beslissende uitbarsting gekomen’.1)

Het is bekend dat verschillende verklaringen beproefd zijn van de uitdrukking: voor de mast zitten. Weiland en Van Eijk dachten aan een straf vóór de mast, wegens gulzigheid; Nauta aan een vervorming uit vermast (Taal en Letteren VI, 238). Stoett (No 1217) verwijst deze verklaringen naar een noot en stelt er een andere voor in de plaats, nl. een versmelting van er voor zitten en leggen met de zeilen voor de mast. Het Ned. Wdb. (IX, 293) verwerpt deze verklaring voor die van Nauta. Is het hier niet, evenals bij het vorige geval, mogelik

[p. 182]

dat meer verklaringen tegelijk juist zijn? Gesteld dat vermast zitten de oudste lezing is, en dus de stoot gegeven heeft aan voor de mast zitten, dan kan mast nieuwe gedachtenassociaties verwekken, die andere verklaringen wettigen. Men behoeft nog niet aan een straf wegens gulzigheid te denken, maar als het voor de mast zitten inderdaad een straf was, dan kan dit ‘beschaamd zitten’ wel degelik in verband gebracht zijn met de toestand van de eter, die uitgelachen wordt omdat hij zijn bord niet leeg eet. Niet onmogelik is het, dat een zeeman ook aan de door Stoett genoemde uitdrukking gedacht heeft.1)

In het artikel Hij loopt met molentjes (No 1326) had Stoett m.i. de varianten door schifting onder drie groepen kunnen brengen. Ik zie er tenminste drie verschillende beelden in. Op de oudste plaats (van 1580): ‘ick sie wel dat touwent te deghe den muelen draeyt’ wordt gedacht aan iemand in wiens bol het niet pluis is, bij wie het ‘omloopt’. De uitbeelding in het boek van D.P. Pers (1644), waar Stoett van spreekt, wijst op het beeld van een gek, die zich met kinderspeelgoed vermaakt. De achttiende-eeuwse uitdrukking: ‘hij loopt in den rosmeulen’ doet denken aan iemand die als een gek in 't rond loopt. Ook de aanhaling ‘ik loop mit de meulen’ kan opgevat worden als: met de molen mee, in 't rond. In deze vorm is wellicht de schakel te zoeken met de uitdrukking: met molentjes lopen. Welke voorstelling de oudste is, zal wel moeielik uit te maken zijn. Om de waarschijnlik gemeenschappelike afkomst van een uitdrukking waar ‘molen’ en ‘lopen’ in voorkwam, mag niet over 't hoofd gezien worden dat de ontwikkeling drie typen vertoont, die evenveel recht van bestaan hebben. Uit de een ontspringt de ander: men kan wel zoeken naar de oudste, maar behoeft niet te twisten over de ‘ware’, de ‘eigenlike’ vorm.2) Zo staan naast elkaar: korte metten maken

[p. 183]

en korte wetten maken1), een riem onder 't hart steken en een hart onder de riem steken, een harde dobbel hebben en een harde (hele) dobber hebben, een heet hangijzer en een heet handijzer2). Eigenaardig is het nu dat Stoett bij het bespreken van deze varianten op modern standpunt staat, maar opeens tot de oude beschouwing terugkeert, als hij beredeneert dat slib vangen fout is, want ‘de schrijfwijze slip, die op de oudste plaatsen voorkomt, wijst er op, dat we hier niet aan het znw. slib, slijk, mogen denken’. Nu is het duidelik, dat naast het oude slip (= slippert) halen, krijgen of vangen, het jongere, gelijkluidende slib vangen haast wel moest ontstaan, omdat het beeld van de visser die slijk in plaats van vis ophaalt, zich als 't ware opdringt bij het horen van de verouderde uitdrukking. Ten bewijze dat het al vroeg inderdaad zo werd opgevat, haal ik een plaats aan uit het blijspel De Neven van Helvetius van den Bergh3):

Karel: Ja, 'k werp de netten uit.

Eduard: En hebt ge?.... Karel: Slib gevangen!

Dat ook spreekwoorden op deze wijze nieuwe loten kunnen schieten, hebben we vroeger met enkele duidelike voorbeelden aangetoond.4) Ook van opzettelike nieuwvorming, die bij spreekwoorden zoo vaak voorkomt5), vindt men bij spreekwoordelike uitdrukkingen aardige voorbeelden. Soms dient het variëren van een enkel woord om het beeld te verlevendigen. Bekend is de uitdrukking van Busken Huet: ‘Gods water over Gods akker laten kabbelen’. Een vernuftspel - dat letterlik genomen zelfs dwaasheid is - vinden we bij Frederik van Eeden, als hij spreekt van mensen die eer door het oog van een etsnaald zullen kruipen dan één voet zetten in Rembrandt's rijk (Studies I, blz. 54). Een schijnbare verlevendiging van het beeld is de variant: ‘koren werpen op den molen van den filister’ (Studies II, blz. 30). Een uitdrukking, gemaakt naar het model van een bestaande, en afkomstig uit een arbeidersblad, luidt: ‘kameraden die niet verder zien dan hun schaafbank lang is’.

Een andere opzettelike wijziging is de verduidelikende omwerking of aanvulling. Deze wijzigingen vormen m.i. een van de grote beletselen om de stamboom van een spreekwoordelike uitdrukking met

[p. 184]

zekerheid vast te stellen. Staan twee varianten naast elkaar, waarvan de een ons duister is en de ander een volkomen duidelik beeld bevat, of een verduidelikende toevoeging, dan is men licht geneigd om de laatste voor de oorspronkelike te houden. Men vergeet vaak dat een uitdrukking menigmaal uit individuele of plaatselike omstandigheden voortkomt, en dus berust op een verbeelding, een inval, die slechts in een kleine kring van vrienden, streek- of vakgenoten duidelik kàn zijn, zodat bij verbreiding de uitdrukking zeer kort na het ontstaan onontleedbaar is.1)

Om zekerheid te krijgen omtrent de oorsprong, moet men niet te veel afgaan op de innerlike waarschijnlikheid, maar heeft men de taal- en voorstellingskring op te sporen, waarin de uitdrukking het best past. Een overdracht staat eerst dan volkomen vast, als men dezelfde woordverbinding met de letterlike betekenis kan aantonen. Vandaar dat Eymael's verklaring van op zijn eigen houtje2) zijn voornaamste steun vindt in het feit dat ‘zijn eigen hout’ inderdaad in de betekenis van ‘schip’ gebruikt werd. Dat de nu reeds verouderde en voor velen duistere uitdrukking dat valt op een gansje (dat is een buitenkansje) aan het ganzebord ontleend is, staat onomstotelik vast, als men de plaatsen raadpleegt die in het Ned. Wdb.3) aangehaald worden. Maar waar het Woordenboek er niet in slaagt, de uitdrukking thuis te brengen in een kring waar die zonder beeldspraak gebezigd werd, heeft de verklaring niet meer waarde dan een meer of minder vernuftige gissing. Een tekortkoming van Stoett's verzameling is, dat dergelijke verklaringen op het gezag van het Woordenboek meermalen met te grote stelligheid overgenomen worden. Niet meer dan een gissing lijkt het mij, dat voeten in veel voeten in de aarde hebben

[p. 185]

‘wortels’ zou betekenen (Ned. Wdb. I, 548; Stoett No 2028). Stoett's verklaring van een bok schieten1) hangt in de lucht, zolang niet aangetoond is, dat bok werkelik bestond als term in het kegelspel. Bij de verklaring van strijk en zet (No 1848) komt het er vooral op aan, waar en hoe de uitdrukking letterlik gebruikt is. De uitdrukking ergens de klad inbrengen (No 986) is niet afdoende verklaard, als we klad met ‘vuil’ gelijk stellen, maar de vraag blijft: in welk verband kan men dat letterlik gezegd hebben?2) De verklaring van er loopt een streep door (No 1844) zou alleen ‘hoogstwaarschijnlijk’ genoemd kunnen worden, als de gefingeerde wapenkundige term werkelik een vakterm was.

Dat een uitbreidende verklaring een jonger toevoegsel kan zijn, toont Stoett aan in de bespreking van de uitdrukking van wanten weten (No 2082), waar het bestaan van de uitdrukking zijn wand wel kennen de oorsprong uit zeemanstaal zeer waarschijnlik maakt. Maar elders (No 798) volgt bij Tuinman's opvatting, die van het hondje gebeten zijn ‘volkomen’ maakt uit de variant Hij is van 't hondje Laatdunken gebeten, waar m.i. een jonger toevoegsel minstens even waarschijnlik is, als men op de andere varianten let. Even weinig overtuigend is het voor mij, als Stoett de uitdrukking ze is niet op haar mond gevallen verklaard acht door de toevoeging ‘en zoo zij er op gevallen is, is ze er niet op blijven liggen’ (No 1334). Hoe nodig het is, de plaatselike oorsprong van een uitdrukking op te sporen, kan duidelik blijken uit mot hebben, waar Stoett (No 1355) van Groningen tot in Vlaanderen het woord mot zoekt en vindt, terwijl de uitdrukking toch maar uit één streek afkomstig zal zijn, al kunnen bij verbreiding andere betekenissen van mot en motten hun invloed hebben doen gelden.

Een bekende oorzaak van vervorming en duisterheid in spreekwoordelike uitdrukkingen is ook, dat twee spreekwijzen die in vorm of beteekenis aanrakingspunten hebben, wanneer ze tegelijk in het geheugen zijn, elkaar beïnvloeden. Ergens geen handwater bij hebben wordt aannemelik verklaard uit handwater geven en niet bij iemand hebben (Ned. Wdb. V, 2027-2029; vgl. Stoett, No 712). In het

[p. 186]

verleden zal dat niet altijd in biezonderheden zijn na te gaan. Des te meer reden is er, op dergelijke verschijnselen in hedendaagse taal te letten. Men hoort wel: dat komt heet van de naald, een uitdrukking die te veel lijkt op met de hete naald maken (Stoett No 1385) om er onafhankelik van te zijn. En men behoeft niet aan een nieuw beeld te denken, als men let op het klankverwante: dat komt heet van de rooster. Onlangs las ik in een dagblad: ‘De heer E. is niet zo heet van de naald als onze collega S.’ Hier is een groter sprong gemaakt, want de spreekwijze heet gebakerd, die het woord heet er mee gemeen heeft, veroorzaakte hier een hele omkeer in de betekenis. Gebeurt dit nu één keer, dan spreken we van een ‘vergissing’, een ‘onjuist’ gebruik, maar bij onontlede uitdrukkingen kan een oorspronkelik ‘foutief’ gebruik gemakkelik gangbaar worden.

 

De bovenstaande beschouwingen voeren dus tot deze gevolgtrekkingen: Bij het bestuderen van spreekwoordelike uitdrukkingen dient het opsporen van varianten en verwanten niet alleen om tot de oorsprong op te klimmen. Door klank- en begripsassociaties ontstaan in een groep die tot één stamboom behoort feitelik nieuwe typen. Meer dan één verklaring kan dus bij zo'n groep tegelijkertijd juist zijn. In het taalgebruik van het verleden en het heden dient men zorgvuldig op alle afwijkingen1) te letten, en geen ‘zinloze’ varianten of ‘foutieve’ betekenissen als zodanig buiten beschouwing te laten. Wenselik is het, in een verzameling als die van Stoett ook de nog onverklaarde en onverklaarbare uitdrukkingen stelselmatig2) op te nemen. Ook zonder verklaring kunnen ze, met hun varianten, als materiaal ter vergelijking van groot nut zijn. De voldoening die het bestuderen van spreekwoordelike uitdrukkingen schenkt, moet niet dezelfde zijn als bij het oplossen van raadsels. Het inzicht in wording en verandering van taal, dat men er door krijgen kan, heeft hoger waarde.

C.G.N. de Vooys.