De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9. J.B. Wolters, Groningen 1915  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 250]

Uit mijn praktijk.
Brokjes les, gedachten en ervaringen.

10. Ons hoofddoel. Het is zeer moeilik om 'n uitmuntend leraar in 't Nederlands te wezen, zoals 't ook moeilik is om 'n uitmuntende pastoor of dominee te zijn, of 'n uitmuntende professor in de fielozofie en de theologie en de lieteratuur.

Voor al die beroepen is 't niet voldoende dat men zekere studieën heeft gedaan. Vlijt en goeie wil zijn niet voldoende. Men moet 'n zeker soort van mens zijn, daartoe geroepen, van Godswege.

'n Waarlik vroom mens is de beste theoloog die ik ken. Is daarbij zijn denken verhelderd door studie, zoveel te beter. Maar z'n vroomheid waarborgt mij de beste kennis van God. Echte vroomheid natuurlik.

En 'n goeie taalleraar moet de moedertaal hebben in z'n hoofd, z'n ziel, in heel z'n lijf. Hij moet 'n sterk levend mens zijn, 'n vol mens, 'n schepsel met geestelike bloei. Hij is zelf 't vak, 't wandelend vak. Als 't erop aankomt, heeft-ie helemaal geen boeken nodig. Want hij heeft z'n eigen leven en 't leven van z'n leerlingen. En zijn eigen leven brengt-ie naar buiten in woorden, en z'n leerlingen laat-ie dat ook doen. En aldus leven bestuderende, studeren zij taal. Taal en leven, leven en taal, als éen geheel. Taalkennis is mensenkennis, levenskennis. En ons leven, ons mens-zijn ontwikkelen, dat is onze taal ontwikkelen, tot volheid en bloei brengen.

Geen wonder dat 't zo moeilik is om 'n goed taaldocent te wezen. Maar 't schijnt niet veel te hinderen: mijn dokter zegt dat hij in de Hollandse lessen op 't Gymnasium niets geleerd heeft, en 't is toch 'n beste dokter; en mijn kollega, leraar in de geschiedenis, wist ook niet meer, wat-ie toch eigenlik heeft geleerd van zijn leraar in 't Nederlands, vroeger op de Hogere Burgerschool, en toch is-ie 'n goed leraar geworden. Ze drukken zich allebei voortreffelik uit, lezen moeilike auteurs en kunnen wel 'n stuk schrijven dat gedrukt mag worden. Er schijnt dus van de Moedertaal in 'n mens veel terecht te komen, zonder 'n leraar, of zelfs ondanks de leraar.

Natuurlik, want het Leven gaat door, ook buiten de taalles. Taalles

[p. 251]

wordt gegeven door allen en alles, altijd en overal. Bij onze lektuur van kranten en boeken, onze gesprekken, onze studie van allerlei vakken, bij 't horen van preken en voordrachten, bij ons denken en voelen en ervaren vooral; waar we leven, daar groeit onze taal. En dat gaat zo geleidelik en langzaam, dat we'r haast zelf niets van merken, evenmin als van onze lichamelike groei en bloei.

Als 't aan 't eind van 't schooljaar is, en we zijn àf en op, àfgelest, afgeëksamineerd en - gekorrigeerd, en onze wangen zijn wat bleek, onze blikken wat flauw, en we gaan rusten in de vakantie, wat reizen, 'n tochtje doen, wat liggen in de zon, lopen in de wind, 'n lievelingsstudie beginnen, dan worden onze wangen kleurig, onze blikken helder, ons gehele lichaam fleurt op. Maar wie weet, op welke ogenblikken we dat te pakken kregen? Dat is gegaan buiten onze waarneming.

En zo gaat 't met onze geestelike opfleuring. En daarom, ik weet niet of mijn dokter en mijn kollega geen ongelijk hebben als ze schimpen op die slechte leraars in 't Nederlands waar ze les van kregen en waar ze niets van geleerd hebben, naar ze klagen. Ik denk, ze hebben er veel meer van geleerd dan ze weten.

Maar, leken en ook wel vakmannen, weten niet goed, wat dat is: leren in de moedertaal. Ze denken aan scherp begrensde feiten en redeneringen die men moet opnemen, omdat ze 't Nederlands vergelijken bij Aardrijkskunde of Frans of Stelkunde of zo. Maar de moedertaal ìs niet 'n vak, net als andere vakken; 't is eigenlik in hoofdzaak geen vak. Als men iemand uitlegt wat alliteratie betekent, wat een epitheton ornans is, een metonymia, een belanghebbend voorwerp, een koppelwerkwoord, als men hem de volks-etymologie verklaart of de analogie-werking of contaminatie en al zulke dingen die de eerste boer de beste niet kent, dan denkt-ie: ‘Jonge, jonge, wat 'n beste leraar in 't Nederlands is dat! Daar leer je nou nog 's wat van, waar je wat aan hebt en waar je mee voor den dag kunt komen!’ Dat laatste vooral is plezierig. Je moet zo op z'n tijd 's 'n term kunnen kwijtraken in 'n gezelschap; dan is 't net of je 'n echte vakman bent. Je nederigheid kun je altijd redden door te zeggen: ‘Ja, ja, ik heb 'n goeie leraar in 't Nederlands gehad.’ En 't voornaamste van allemaal bij de kennis van 't Hollands, denken de mensen, leken en ook wel vakmannen, is dat je weet wat goed en wat fout is. Natuurlik, net als in de Rekenkunde: 2+2 = 4; dat is goed; 2+2 = 5; dat is fout. En zo is 't ook in 't Nederlands. Er zijn foute dingen en goede dingen; er is verkeerd Hollands en goed Hollands; en 'n Leraar moet je leren, daar is-ie Leraar voor, wat fout is; net als de Pastoor je moet uitleggen wat zonde is. Ja, je moet 't maar weten; maar

[p. 252]

daar heb je nou eenmaal je mannekes voor. En zo kun je in de Hemel komen, en zo kun je 'n goed figuur maken als je 'n brief schrijft of als je praat in gezelschap. Wat moet 't bijv. zijn: Hebt u? of Heeft u? De eerste drie? of De drie eerste? Waarom mag je niet zeggen Vanaf die dag, maar moet 't wezen Van die dag af?

‘Kees!’ ‘Wablief, Pa?’ ‘Nou, wat moet 't zijn, en waarom mag je dat niet zeggen?’

Kees, 3e klas H.B.S., sijfer voor Nederlands: zes, voldoende: ‘Da weet 'k nie, Pa.’

‘Da weet 'k nie! Wat weet je dan? En kun je niet fatsoendelik zeggen: Dat weet ik niet? Snij maar uit!’

En Pa denkt in z'n eigen, pardon: in zichzelf, bedoel ik; hij denkt: ‘Nou, ik geloof dat ze daar ook 'n prul van 'n leraar in 't Nederlands hebben, aan die Hogere Burgerschool!’ (Maar dat denkt-ie in de goeie spelling natuurlik; dus Hoogere met twee o's, enz.).

 

Leken, en ook wel vakmannen, menen dat de Leraar in 't Nederlands alleen heeft aan te brengen: kennis van taalbouw, taalverschijnselen en spelling.

Het programma van het eindeksamen der Hogere Burgerscholen zegt: Zoowel bij het schriftelijk als bij het mondeling examen moet de candidaat de bewijzen geven, dat hij eene voldoende kennis bezit van de Nederlandsche taal en van de beginselen harer Spraakkunst, zoodat hij in staat is, zich juist en vaardig in die taal uit te drukken, haar zuiver te schrijven en de voornaamste voortbrengselen der Letterkunde te verstaan.

Zodat? Dus door kennis van de Hollandse taal en haar spraakleer kan men goed spreken, schrijven, lezen?

Dit is 'n wanbegrip, ontstaan doordat men 't verschil niet weet tussen de taak van 'n leraar in 't Nederlands en die in 'n vreemde taal.

En mijn dokter en mijn kollega dan, die zo slecht les kregen in 't Hollands en toch zo goed zich uitdrukken en zo goed verstaan?

Geen taalvorming, maar mensvorming is ons hoofddoel. Taalkennis kan daarbij wezen middel en gevolg. Maar 't is 'n apart vak. Ja presies: 'n vak.

Bij 't mondeling eindeksamen krijgt men tegenwoordig vrijstelling van het onderdeel taal, als men 'n zeven heeft voor z'n opstel. Men wordt dan alleen geëksamineerd op letterkunde.

Maar waardoor krijgt 'n kandidaat zeven voor z'n opstel? Omdat hij getoond heeft, zeker soort van mens te zijn; niet om z'n taalkennis. Als hij maar zes of vijf kreeg, dan zal men hem zeker gaan vragen,

[p. 253]

wat 'n ‘bepaling van gesteldheid’ is of 'n ‘belanghebbend voorwerp’ of zo. Dit gebeurt werkelik hier en daar.

In Noordbrabant gaven we tot dusver die vrijstelling niet. Dit jaar is 't wel gebeurd. Maar ik betreur dat.

Het mondeling eksamen in Nederlands was hier nimmer 'n eigenlik gezegd taaleksamen. Aan de kandidaat wordt 'n stukje voorgelegd. Hij kijkt 't 's door en leest 't dan hardop, waarbij de eksaminator zich afvraagt, niet: Leest hij mooi? maar: Bewijst z'n lezen dat-ie begrijpt? In hoever is hij meester geworden van dat stukje door éen lezing? Men laat hem dan in grote trekken 't gelezene natekenen. Hieruit zal blijken z'n snelheid van greep. Daarna komt de detailverklaring en - indringing, met 'n serie van vragen en vraagjes, waarmee de eksaminandus uit z'n hoekje wordt gelokt om te tonen wie hij is, en niet, wat hij nog weet van de zuivere taalkunde. En 't sijfer dat-ie dan krijgt, dat noemt men ja 'n sijfer voor 't Nederlands, maar het is 'n schatting van z'n mens-zijn.

Zó'n mondeling eksamen loopt parallel aan 't opstel en zou dus gemist kunnen worden, maar 't geeft nog 'n veelzijdiger blik op de kandidaat. Dwaasheid is 't, zuivere taalkunde te gaan vragen aan iemand, omdat z'n opstel beneden zekere grens bleef. Men kon evengoed iemand eksamineren op geschiedenis omdat z'n meetkunde onvoldoende was.

Vanouds sprak men bij 't lager onderwijs van taal en stijl, en men gaf daarvoor aparte sijfers. Zeer juist. Stijlvorming is wat ik noemde: mensvorming. Mits goed opgevat. Want men moet niet rechtstreeks op de stijl werken, wil men geen heel slechte stijl vormen: retoriek. Retoriek is huichelarij, vertoning, pose, aanstellerij. En goede stijl is: oprechtheid, simpelheid, eenvoud, natuur.

Je moet aan geen stijl denken, als je stijl studeert of onderwijst.

'n Kandidaat voor de hoofdakte zei me eens, dat 't zo moeilik was om op 't eksamen 'n mooi opstel te schrijven, want dat je zo lang kon zitten denken voor je 'n mooie beeldspraak hadt gevonden. Ik zei toen: beeldspraak moet je niet zoeken; die moet vanzelf zich opdringen. ‘Ja maar,’ zei-ie lachend, ‘dan gebruik ik ze nooit.’ ‘'t Hoeft ook niet,’ zei ik. ‘Ja-a!’ lacht-n-ie toen, waarmee-ie zeggen wou: maar dan krijg je ook nooit 'n mooi opstel!

'n Wereld van wanbegrip.

Leven, dat is stijlstudie. En wij doen dat op school door lezen en schrijven. Wat we lezen, moet zijn 'n zuiver brokje Leven, zuiver uitgedrukt. Lezen moet zijn inleven, meeleven. De taal is niets dan 't omhulsel waar dat Leven in zit. Leven in ons opnemend, nemen

[p. 254]

we vanzelf taal in ons op. En later dat opgenomen leven weergevend, doen we niets dan ons helder bewust maken wat we opgenomen hebben, om 't aan anderen te kunnen overdoen. Dat is stieleren.

De Leraar in 't Nederlands moet dus zijn 'n man met 'n rijke geest en 'n rijk gemoed, rijkdom, verkregen door veel en diep leven.

Geen wonder dat 't moeilik is om 'n uitmuntend docent te zijn in de Moedertaal. Want makkelik genoeg is 't om taalkennis te verwerven, kennis van spraakleer en taalverschijnselen, maar aan weinigen is 't gegeven om te ‘bloeien voor Gods ogen’ als ‘'n blomme’ sterk en fris, die opwaarts streeft en zich ruim vertakt, altijd zoekend 't eeuwige licht der zonne, die ‘bron van al dat leven is of immer leven doet.’

J. Mathijs Acket.