De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1916  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

De schoondochters in de taalgeschiedenis.

U lacht! U meent dat ik scherts? Volstrekt niet. Zoo'n koppeling moest heel gewoon klinken; zal heel gewoon gáán klinken. Luister maar.

In het eerste deel van mijn ‘Handboek’: had ik her en der de gelegenheid, eenige wenken en desiderata uit te spreken, die onze dialektonderzoekers - naar ik meende - te stade konden komen. Vooral van den sociologischen kant toch: bleef er voor de studie onzer lokale taalgroepen, nog zoo ontzaglijk veel te doen; ja men was er nauwelijks aan begonnen. Dit was nu eens geen achterlijkheid van ons; want in het buitenland is het hiermee geen zier beter gesteld. Gelijk het echter zoo vaak gebeurt in de historie - niet slechts van kunsten en wetenschappen, maar ook van beschaving en staatsinstellingen - schijnen ook in dit geval: de ideeën als het ware in de lucht gezeten te hebben, en op verschillende plaatsen schijnbaar onafhankelijk van elkander, als bij inspiratie door meerderen gelijktijdig te zijn opgevangen. Feitelijk is het natuurlijk hier gelijk overal elders, de vroegere stand der wetenschap zelf, die door aldoor handtastelijker eenzijdigheid, langzamerhand de één of andere leemte zóó in het oog doet springen, dat elke nieuwe beoefenaar die zelfstandig doordenkt, met logische noodwendigheid en onweerstreefbaren drang getrokken wordt: naar het zinnen op middelen ter voorziening in dien nood. En zoo is dan de Fransche taalgeleerde A.L. Terracher - niet maar bij toeval een leerling van Brunot, Gilliéron en Meillet te zamen, - ons met zijn even degelijk als scherpzinnig boek ‘Les aires morphologiques’1) komen sterken en verblijden.

Reeds elders heb ik op het hoofdresultaat van dit werk gewezen:

[p. 2]

maar ter aanvulling van sommige gedachten in het eerste Deel van mijn Handboek ontwikkeld, wil ik hier speciaal onze dialektonderzoekers: de nieuwe banen wijzen.

Bij de sociologische beginselen (op blz. 10) zette ik uiteen, dat we in de assimilatie van zwakke door krachtige groepen, die tamelijk ver uiteenliggen, dikwijls een bemiddelende tusschengroep ontmoeten. ‘'t Is alsof zoo'n domineerende richting, zeide ik, alle groepen, die min of meer op haar gelijken, al zijn ze dan ook nóg zoo zeker ten doode opgeschreven, toch een zeker aandeel geeft in haar aantrekkingskracht; zoodoende dat de verafgelegen kringen zich eerst laten assimileeren door de tusschenliggende, om daarna pas met deze te zamen, in de wassende groote eenheid op te gaan. Een voorbeeld hiervan hebben wij in de aldoor groeiende groep der volksmannen in de politiek. De Oud-liberalen van de Manchesterschool werden niet ineens socialist. Langzaam maar zeker trok ook hen de sociale bekommernis aan. Ze werden Unie-liberalen. Ze zijn reeds voor algemeen stemrecht. Van dezen gaan weer velen nog een stap verder naar de Vrijzinnig-democraten. En er is misschien slechts een verschikking in het al te enge socialistisch partijverband meer noodig, om deze twee laatste groepen in een groote linksche sociale concentratie te vereenigen. Wij noemen dit geleidelijke aanpassing.’

Bij de dialekten had ik nu vaak de gelegenheid dit sociologisch beginsel toe te passen. Het Land-Friesch gaat geleidelijk over in het Stad-Friesch, het Stad-Friesch in het Algemeen-Beschaafd (blz. 26-27). In de Graafschap heeft de Vordensche boer van thans nog van vader de uitspraak hoes voor huis geleerd. Hij vond echter het huus van Zutphen-zelf, blijkbaar mooier of althans beter. En nu zegt hij ook huus. In Groningen juist hetzelfde. De dienstmeid vraagt aan de dochter des huizes: ‘of mevrouw thuis is’. Op het ontkennend antwoord roept ze naar de keukenmeid: ‘Mevrouw is niet in huus’, wat nu de laatste voor den groenteboer aan de deur vertaalt met: Mevrouw is neit in hoes. Langzamerhand leert nu de boer weer z'n hoes af, en het huus der meiden aan, terwijl deze voor hun eigen huus ondertusschen het huis van Mevrouw overnemen, en zoo werkt de assimilatie aldoor verder, maar steeds langs lijnen van geleidelijkheid (blz. 66). Ook in Goeree wordt de weg naar het beschaafd Nederlandsch genomen over het dialekt van Overflakkee, waarvan de vele aē's, in de ooren der eilanders beter of mooier klinken, en toch niet zoo gemaakt als de Algemeen-Beschaafde aa (blz. 92). Bij het Zuid-Nederlandsch wees ik er op, dat zich in de laatste dertig jaren: in de beschaafde kringen van Antwerpen en Gent een algemeen Vlaamsch

[p. 3]

ontwikkeld heeft, dat voor de Zuid-Brabanders en Limburgers, wier eigen dialekt nog te veel afwijkt, de voorloopige brug werd, waarop zij de Noord-Nederlanders ontmoeten, met hen verkeeren, en zich gaandeweg bij hen aansluiten (blz. 127-128).

Verder wees ik onder de Familietaal (blz. 337) op het belang der linguistisch gemengde huwelijken. ‘Geen beter middel om het Algemeen-Beschaafd te verbreiden, dan de huwelijken tusschen paren van verschillende dialekten. Gewoonlijk bedienen zich in dit geval beide ouders natuurlijk in den huiselijken omgang reeds van het Algemeen-Beschaafd; maar in elk geval leeren het de kinderen. Want het is merkwaardig om te zien: hoe zulk een vader en moeder er altijd een eer in stellen, hun kinderen algemeen Nederlandsch te leeren, en hoe zij zich schamen, als hun kleuters een dialektwoord nazeggen, dat hun in een zenuwachtig of aandoenlijk oogenblik is ontvallen.’ - Ik had bij het schrijven dezer regelen een bepaald huishouden op het oog, waarvan de moeder uit West-, de vader uit Oost-Brabant afkomstig, nu samen in Twente wonen.

Deze en dergelijke gevallen zijn nu door Terracher systematisch onderzocht; en de resultaten zijn nog véél belangrijker dan ik gewaagd had te droomen. Alleen is het jammer, dat hij alleen op grammatikale bizonderheden let, en de klanken evenals den woordenschat achteloos voorbijgaat. Ik hoop echter met de verspreiding zijner vondsten: Nederlandsche taallustigen te verlokken, om in zijn voetspoor volgend, nog weer verder voort te gaan.

Om al de onwezenlijke lokale Fransche détails te vermijden, en juist daardoor naast het algemeen belang: ook de leemten van Terracher's bevindingen in het licht te stellen, verdeel ik het dialekt van Noord-Westelijk Angoumois - natuurlijk geheel en al steunend op zijn gegevens - in drie scherp onderscheiden kringen:

1o. het centrale dialekt, of de vaste dialektburcht, waarvan de tongval zoover van het Algemeen-Beschaafde Fransch afwijkt, dat ze als twee talen eenvoudig naast elkander staan. Het dialekt ondervindt geen noemenswaarden invloed van het Fransch en geldt ook niet voor minderwaardig, integendeel. Het is een vast centraal gebied, door bijna geen isoglossen doorsneden. Bij ons verkeeren b.v. het platteland van Friesland, Zuid-Limburg, West-Vlaanderen, en het midden der N.-W. Veluwe in hetzelfde geval.

2o. de middelzone, door een flinke streng isoglossen van het centraalgied gescheiden, waar nog een sterk dialektisch gekleurde taal wordt gesproken, die echter reeds veel meer met het Algemeen-Beschaafd overeenkomt, en er althans de middellijke inwerking geducht

[p. 4]

van ondervindt. Het dialekt geldt er dan ook voor minderwaardig: plat en leelijk. Ten onzent behooren hiertoe de lagere klassen van bijna al onze groote steden, en b.v. het Zeeuwsch, het Stad-friesch, het Noord-Limburgsch, Brabantsch, Nijmeegsch, het Gentsch en Antwerpsch.

3o. de peripherie, opnieuw door één of meer opvallende isoglossen van de middelzone gescheiden, waar dientengevolge reeds een minder dialektisch gekleurde taal gehoord wordt, die onmiddellijk onder den assimileerenden invloed staat van het Algemeen-Beschaafd. Daarom lijkt dit dialekt aan de bewoners der middelzone mooier, niet zoo plat, en verkieslijker boven hun eigen tongval. In ons taalgebied hiermee gelijk te stellen: zijn b.v. de burgerkringen van Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht; en de hoogere kringen der provinciale steden en dorpen over heel Noord-Nederland.

Nu stelt Terracher zich vooral twee vragen:

1o. Welken taalinvloed heeft de nieuwe omgeving op man of vrouw, die zich door het huwelijk in een andere dialektsfeer begeven?

2o. Welken taalinvloed oefent omgekeerd zulk een ingetrouwde man of vrouw: op de nieuwe omgeving en vooral op eigen kinderen uit?

Bij het antwoord moeten we nu vooral onderscheid maken tusschen geletterden en ongeletterden. Geletterden noemt Terracher allen, die naast hun dialekt ook het Algemeen-Beschaafd kunnen spreken; ongeletterden: die dat niet kunnen. De halfgeletterden vormen een bemiddelenden overgang tusschen beide.

Dit onderscheid is van het grootste belang; en als Terracher wat meer psycholoog was, zou hij dit nog veel klaarder in het licht hebben gesteld. Vooreerst toch beginnen de dialektsprekers, pas bij het aanleeren van het Algemeen-Beschaafd, te beseffen wat taalverschil is. Wie alleen z'n eigen dialekt spreekt, merkt eenvoudig niets van de opvallendste taalafwijkingen. Als hij verstaat wat men zegt, is hij tevreden. Verstaat hij het niet, dan kan hij het ook niet helpen, en daarmee uit. Pas door het aanleeren van het natuurlijk verwante Algemeen-Beschaafd: wordt de aandacht van zoo iemand gescherpt voor afwijkende klanken en vormen in het algemeen, en hiermede dus eerst het vermogen ontwikkeld, om ook de verschillende dialektvormen te onderscheiden. Nu pas kàn hij er op gaan letten, de opgemerkte verschillen uit elkaar houden en waardeeren. Maar ten tweede vooral: heeft dat aangeleerde Algemeen-Beschaafd, de pretentie van beter, hooger en deftiger te zijn, al was het alleen maar, om de moeite die het aanleeren vraagt. Maar bovendien vervullen hier algemeene nationale ideeën: de rol van nimbus en stralenkrans. Als we nu aanstonds zullen zien: dat juist de geletterden - hoe ook de kansen

[p. 5]

wisselen - er bijna altijd toe overhellen, telkens de minder-dialektische, meer op het Algemeen-Beschaafd lijkende vormen te verkiezen boven de verder afwijkende, dan hangt dit voor ons niet meer als een feit in de lucht, maar kunnen wij dit juist uit de kennis, en de daaruit voortkomende attractie van het Algemeen-Beschaafd begrijpen en verklaren. Maar laten we nu eerst onze beide vragen beantwoorden in de verschillende parallelle gevallen voor geletterden en ongeletterden.

Ongeletterden Geletterden
A 1o. Over ongeletterden die binnen den centralen burcht: door hun huwelijk van de eene plaats naar de andere verhuizen, heeft Terracher geen gegevens verzameld. Maar op psychologische gronden durf ik beweren, dat zij zich in hunne grammatikale vormen niet zullen assimileeren. A 1o. Geletterden die binnen den centralen dialektburcht: door hun huwelijk van de eene plaats naar de andere verhuizen, behouden hun eigen grammatikale vormen en nemen niets van hun nieuwe omgeving over. De reden is duidelijk, ze merken het onderscheid wel, maar er is geen verschil in waardeering, het hunne is even goed.
2o. Over hun invloed op de omgeving heeft Terracher evenmin beslissende feiten bijgebracht; maar de kinderen zullen wel vooral de moeder volgen. 2o. Over den invloed dezer personen op hun nieuwe omgeving en kinderen geeft Terracher geen uitsluitsel, maar we kunnen veilig beweren, dat die op hun omgeving gelijk nul, en die op hun kinderen slechts gering zal zijn.
B 1o. Ongeletterden uit peripherie of middelzone afkomstig, en door hun huwelijk overgegaan naar den centralen dialektburcht, behouden in elk geval hun eigen grammatikale vormen, en nemen niets over.
De reden is duidelijk: ze kunnen niets anders.
B 1o. Geletterden uit peripherie of middelzone afkomstig, en door hun huwelijk overgegaan naar den centralen dialektburcht, behouden, als het verschil niet te groot is om gemakkelijk verstaan te worden, hun eigen grammatikale vormen; wordt het verschil daarentegen te groot, dan gebruiken ze voorgoed uitsluitend de grammatikale vormen van het Algemeen Beschaafd. De reden is klaar: zij hebben de pretentie beter te spreken dan hun omgeving.

[p. 6]

2o. Over de omgeving en de kinderen uit zulk een huwelijk geeft Terracher geen uitsluitsel. Maar de taal der moeder zal wel het meeste gewicht in de schaal leggen. 2o. Over de omgeving en de kinderen meldt Terracher niets; maar in beide gevallen is er veel kans dat de kinderen hun moeder zullen volgen. Is die de ingetrouwde, dan zullen ze minder dialectisch òf Algemeen Beschaafd spreken. Is de vader de ingetrouwde, dan volgen ze licht het centrale dialekt.
C 1o. Ongeletterden uit den centralen burcht afkomstig, en door hun huwelijk overgegaan naar middelzone of peripherie, nemen als het verschil niet te groot is om gemakkelijk verstaan te worden, eenige geïsoleerde vormen van hun omgeving over, maar nooit een systeem van vormen (b.v. de conjugatie); die zit te diep in het onbewuste vast. Als het verschil zeer groot is houden ze hun eigen grammatikale vormen. C 1o. Omgekeerd echter nemen de geletterden uit den centralen dialektburcht afkomstig, en door hun huwelijk overgegaan naar middelzone of peripherie, als het verschil niet te groot is, de meeste grammatikale vormen van hun nieuwe omgeving over1); maar behouden er toch eenige archaïstische van hun geboortestreek. Als het verschil te groot is, nemen ook zij voor het vervolg de vormen uit het Algemeen Beschaafd. De reden is duidelijk, zij vinden in het eerste geval, dat hun omgeving beter spreekt dan zij; in het tweede zien ze geen kans zich te aasimileeren, en overtroeven dus hun omgeving met het nòg mooiere Algemeen Beschaafd.
2o. Als het verschil niet te groot is, zegt Terracher over de omgeving dat ze niets overneemt, over de kinderen zegt hij niets. Die zullen wel het heele systeem van de moeder overnemen. Als 2o. Als het verschil niet te groot is, blijft in zoo'n huisgezin een archaïstische vorm dikwijls langer bewaard dan daarbuiten; is het verschil echter te groot, dan gaat de omgeving natuurlijk nu ook

[p. 7]

het verschil groot is, zegt hij van de kinderen, dat die op den duur althans, alleen Algemeen-Beschaafd leeren spreken. sterker den Algemeen Beschaafden kant op. De kinderen volgen de moeder.
D 1o. Ongeletterden door hun huwelijk: uit de middelzone naar een minder dialektisch deel der middelzone of de peripherie overgaande, behouden grootendeels hun eigen vormen, nemen althans slechts eenige geïsoleerde vormen over. Reden als boven. D 1o. Geletterden uit de middelzone afkomstig, en door hun huwelijk naar (een minder-dialektisch deel der middelzone of) de peripherie overgaande, nemen van lieverlede al de vormen hunner nieuwe omgeving aan. De reden is duidelijk: zij vinden dat de nieuwe omgeving netter spreekt dan zij zelf, en zij hebben er niet zooveel moeite mee, als die uit den centralen burcht kwamen.
2o. Over de kinderen of de omgeving: heeft Terracher geen nadere bizonderheden. 't Is waarschijnlijk dat in zulke huishoudens eenige meer dialektische vormen een paar geslachten langer dan elders blijven voortbestaan. 2o. De omgeving en de kinderen ondervinden er dan ook zoo goed als niets geen invloed van.
E 1o. Ongeletterden door hun huwelijk: uit de peripherie naar de middelzone overgaande, behouden weer juist op dezelfde wijze hun meeste eigen vormen, en assimileeren zich slechts in eenige geïsoleerde gevallen. E 1o. Omgekeerd echter nemen geletterden uit de peripherie afkomstig, en door hun huwelijk naar de middelzone overgaande, van hun nieuwe omgeving, nooit een enkelen grammatikalen vorm over, dien ze te recht of ten onrechte voor platter of meer dialektisch houden, dan den overeenkomstigen uit hun eigen taal.
2o. Over de kinderen en omgeving geeft Terracher weer geen uitsluitsel. Waarschijnlijk is zoo'n gezin bij het gaandeweg oplossen van het dialekt, z'n omgeving een paar geslachten vooruit. 2o. De kinderen volgen, vooral wanneer de moeder de ingetrouwde partij is, bijna al de nieuwe vormen na, en ook de omgeving, niet alleen de echtgenoot, maar zelfs schoonvader of schoonmoeder: ondervinden er duidelijk de gevolgen van.

[p. 8]

Het is misschien op het eerste gezicht wat ingewikkeld, om al die gevallen uit elkaar te houden, maar men ziet het, de nieuwere taalgeschiedenis der grammatische vormen werkt nog met heel andere faktoren als analogie, kontaminatie en synkretisme. Wie had dat vroeger op de viool hooren spelen, dat het gewilde bewuste aanleeren vàn-, en de onwillekeurige maar volstrekt niet onbewuste eerbied vóór het Algemeen-Beschaafd, een rol kunnen spelen in de allang tot ‘heel en al onbewust’ gedegradeerde dialektische taalveranderingen? En toch zoo is het. - Nu moeten we evenwel niet aanstonds gaan meenen: dat het ook altijd zoo geweest is; want vroeger waren er natuurlijk veel meer ongeletterden als nu. Maar van den anderen kant zijn de talen, waarop de Indogermaansche taalvergelijking steunt, toch grootendeels kultuurtalen. En om te vermoeden dat het daar, bij geletterden en ongeletterden, niet juist zoo gegaan zou zijn als thans bij ons, daarvoor hebben we geen enkelen grond.

Maar behalve deze twee psychologische componenten, vinden we hier een sociologischen faktor van ontzaglijke beteekenis: het huwelijk. Hé, zal hier misschien een minder ingewijde stamelen: is die faktor nu pas ontdekt moeten worden in de taalwetenschap? Ik zat er zelf mee in de klem, en ben gaan zoeken: maar noch Paul, noch Whitney, noch Passy,1) noch noem maar wie u wil, maken er melding van. Wel wordt lang en breed de Sprachmischung van heele volkeren behandeld, daar zijn vele en dikke boeken over geschreven van allen kant, maar de taal vermenging in hetzelfde huishouden! Kom, welk wetenschappelijk man verbeuzelde z'n tijd nu aan zulke futiliteiten! Rousselot was de eerste die erop wees in zijn Modifications phonétiques, Paris 1891, blz. 322, 162-163, 185-186, 195-196, maar stelde de formes intruses die heel gauw ten ondergaan (!) tegenover l'êlément réfléchi d'un patois, dat hem in het heele dorp standvastig leek, althans bij de menschen van hetzelfde geslacht. Sindsdien heeft

[p. 9]

Dauzat in zijn Essai de méthodologie linguistique, Paris 1911, p. 243, deze huwelijksfutiliteit dan ook een enkel woord waardig gekeurd, maar om aanstonds te verklaren:

1o. ‘Les mariages de commune à commune étaient très rares autrefois.’

2o. ‘L'individu qui vient dans une familie comme gendre - ou comme bru - parle au bout de peu de temps un patois très voisin de celui de la localìté où il s'est implanté.’ Dus futiliteit, episode desnoods, maar voor de taalgeschiedenis, van geen belang! Heusch, zoo was de stand der kwestie vóór het jaar onzes Heeren 1914.

Nu heeft echter Terracher z'n onderzoek weer voortgezet, om de in onze tweede vraag besproken inwerking op de nieuwe omgeving, vooral in de middelzone nog breeder te leeren kennen. Hij begon daartoe met al1) de inwoners van een klein afgelegen gehucht, dicht bij den centralen burcht in de middelzone gelegen, nader te onderzoeken. Het waren 15 huishoudens, te samen 46 personen. Van die 46 waren er slechts 9 ter plaatse uit inboorlingen geboren, 20 zijn elders geboren, en 18 zijn gesproten uit dialektisch-gemengde huwelijken. Van de 20 elders geborenen komen er 11 uit den dialektburcht, 3 uit even dialektischgekleurd en 6 uit minder dialektisch terrein.

Uit deze laatste cijfers zou men dus oppervlakkig redeneerend, kunnen opmaken, dat de tongval van dit plaatsje eerder aan dialektische kleur zou winnen dan verliezen. Maar jawel!

Op de eerste plaats gaan toch bijna al de kinderen naar school in het nabijgelegen dorp, dat reeds iets minder dialektisch gekleurd is.

Op de tweede plaats spreken 38 van de 46 inwoners ook Algemeen-Beschaafd.

Wie nu echter weer meenen zou, dat dan ook van alle kanten het Algemeen-Beschaafd hier in de omgangstaal binnendrong: zou zich even deerlijk vergissen. Niets daarvan. 38 inwoners kennen het Algemeen Beschaafde

moi voor het oude in heemsche mi: maar verkiezen het peripherische mwè
il(s) voor het oude inheemsche u maar verkiezen het peripherische i
lui voor het oude inheemsche yi maar verkiezen het peripherische li of zi
eux voor het oude inheemsche iy maar verkiezen het peripherische zoe
elles voor het oude inheemsche elé maar verkiezen het peripherische zelé.

[p. 10]

De taal der leden van hetzelfde geslacht vergelijkend: vinden we alles behalve eenparigheid.

Als we nader de taal onderling in de huisgezinnen beschouwen, merken we op de eerste plaats, dat alweer in geen enkel huishouden: alle huisgenooten dezelfde vormen gebruiken. Ja, wat nog sterker is, dezelfde persoon gebruikt dikwijls twee vormen dooreen, zoo zelé en elé; mwe en mi; yi, li en zi door elkaar. Gewoonlijk echter wint na eenigen tijd: de nieuwere van de concurrenten meer en meer veld, terwijl de oudere dan alleen meer gebruikt wordt, in het spreken met grootvader of -moeder.

Maar gaan wij nu eenige huisgezinnen afzonderlijk na. Herinneren wij ons dat het dorp in kwestie ligt in de middelzone.



illustratie

1o. aux. A1 gebruikt altijd à les = de oude vorm.
A2a, A2b en A3 zeggen altijd aux = de vorm der peripherie.
2o. je A1 gebruikt altijd i = de vorm der middelzone.
A2a gebruikt zelden i, meestal je = de vorm der peripherie.
A2b gebruikt alleen i in 'n staande uitdrukking, anders altijd je.
A3 gebruikt nooit i, altijd je.
3o. moi. A1 gebruikt altijd mi, bij hooge uitzondering mwè.
A2a, A2b, A3 zeggen nooit mi, altijd mwè.
4o. toi. A1 gebruikt meestal ti, uitzondering: twè (vorm der peripherie).
A2a, A2b, A3 zeggen nooit ti, altijd twè.
5o. il(s). A1 zegt uitsluitend ou (oude vorm).
A2a, A2b, A3 zeggen nooit ou maar i of il (de vormen der peripherie).
6o. il (neutre) A1 gebruikt o, ol (middelzonevormen).
A2a gebruikt o, ol.
A2b zegt zelden o, ol, bijna altijd ou, oul (peripherievormen).
A3 zegt altijd o, ol, nooit ou, oul.
7o. lui (atone). A1 gebruikt altijd mannl. lji, vrouwl. yi (oude vorm).

[p. 11]

  A2a gebruikt meestal yi; bij uitzondering zi en li (vormen der peripherie).
A2b en A3 zeggen bij uitzondering yi, meestal zi en li.
8o. nous (sujet). A1 gebruikt altijd n(e) (vorm der middelzone).
A2a gebruikt meest n(e), bij uitzondering j(e) (vorm der peripherie).
A2b gebruikt meer n(e) dan j(e).
A3 gebruikt meest n(e) maar ook wel eens j(e).
9o. leur. A1 gebruikt ljour, your, lour (de oude vormen) bij uitzondering leur (de vorm der peripherie).
A2a gebruikt your, lour en leur.
A2b en A3 gebruiken alleen leur.
10o. eux. A1 zegt altijd iy (de oude vorm) behalve in een paar staande uitdrukkingen: zoe (vorm der peripherie).
A2a, A2b en A3 gebruiken nooit iy, altijd zoe.
11o. elles (tonique). A1 kent alleen elé (de oude vorm).
A2a, A2b, A3 gebruiken uitsluitend zelé (de vorm der peripherie).
12o. suis. A1 kent alleen (de oude vorm).
A2a, A2b en A3 gebruiken steeds soe (de vorm der peripherie).
13o. veux. A1 en A2a gebruiken alleen vou (de oude vorm).
A2b en A3 gebruiken alleen voe (de vorm der peripherie).
14o. aille. A1 kent alleen âj (de oude vorm).
A2a zegt zoowel âj als al (de vorm der peripherie).
A2b en A3 zeggen nooit âj maar altijd al.
15o. fut. A1 gebruikt het oude fi even vaak als het peripherische fu.
A2a gebruikt fi al minder dan fu.
A2b en A3 kennen alleen fu.
16o. n(ous av)on(s). A1 gebruikt n-an(s) (oude vorm).
A2a gebruikt n-an(s) alleen nog in samengestelde tijden maar in 't Indic. prés. al n-on(s) (vorm der peripherie).
A2b gebruikt meestal n-on(s) maar nog tamelijk vaak j-on(s).
A3 zegt bijna alleen n-on(s) bij uitzondering j-on(s).

In dit huisgezin schijnt de komst van een schoondochter uit de peripherie, wier taal derhalve doorging voor beter, mooier, minder boersch en plat: dus oorzaak te zijn geworden van de volgende feiten:

Ten eerste heeft de schoondochter geen enkelen vorm overgenomen, die als meer dialektisch, boersch en plat beschouwd wordt.

[p. 12]

Ten tweede: van de twee gevallen, waarin zij - afgezien van een paar staande uitdrukkingen - zich aan haar nieuwe omgeving heeft aangepast, kan het ééne o voor ou (il neutre) voor even dialektisch gelden als het andere, en is het tweede n'avon(s) voor j'avon(s) er juist een, waar de middelzone nader bij het Algem. Beschaafd stond dan de peripherie; n'avan(s) wachtte ze zich wèl over te nemen.

Ten derde zien wij, dat het kind dezer schoondochter: het altijd met hare moeder houdt; en behalve juist in het geval van o en ou, dikwijls nog verder gaat dan moeder.

Ten vierde is vooral merkwaardig, dat de schoondochter zoo'n overwegenden invloed uitoefent op haar man, die toch in de middelzone geboren en getogen, bovendien van vader- en moederszijde nog sterke archaïstische tendenzen uit het dialectcentrum meebracht. En niettegenstaande dit alles houdt hij in slechts 2 van de 16 gevallen aan z'n eigen dialekt vast, gebruikt in 7 gevallen de nieuwe vormen van z'n vrouw naast de oude, en laat in de 7 overige punten z'n oude taalgewoonten heel en al varen, om zonder meer die zijner vrouw over te nemen.

Ten vijfde blijft zelfs grootmoeder niet van vreemde smetten vrij. Behalve een paar staande uitdrukkingen, laat zij zich bovendien in 4 vaste gevallen: af en toe van de oude wijs brengen.

We zouden echter gevaar kunnen loopen: den invloed dezer schoondochter te overdrijven; het is toch waarschijnlijk, dat zij met haar peripherische inwerking niet alleen staat, maar bondgenooten heeft binnen of buitenshuis. En dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Om nu echter juist te schiften: wat van haar en wat van anderen komt, zullen wij voor een paar der overige huisgezinnen, die als type van inboorlingen mogen gelden, een vergelijkend staatje opmaken.



illustratie



illustratie

[p. 13]

Er is tusschen deze beide huisgezinnen een opvallend verschil, dat Terracher wel opgeeft, maar waar hij niet genoeg partij van trekt. De H's zijn boeren, maar C1a en C2 gaan als koopman de markten af. We zullen zien, dat dit een merkwaardigen invloed heeft.

Om ten slotte - althans aan één der door Terracher bijgebrachte bewijzen - te laten zien, dat de ingehuwde vrouw1) meer invloed heeft, dan de ingehuwde man, voeg ik hier ook nog bij het huisgezin E, waarvan de tegenwoordige stamvader juist uit dezelfde peripherische streek komt, van denzelfden leeftijd is, en ongeveer even lang in ons gehucht vertoeft, als de bewuste schoondochter der familie A.



illustratie

Bij een vergelijking der huishoudens A en H in het staatje op de volgende bladzij: springt de invloed der ingetrouwde vrouw allerduidelijkst in het oog. Trots het schoolbezoek in de peripherie en hun kennis van het Algem. Beschaafd; trots de heele omgeving, die gaandeweg het dialekt der peripherie overneemt, blijven de ingeboren H's, is het dan niet stokstijf, dan toch taai en geduldig: hun oude vormen als familiestukken bewaren. H met C vergelijkende, merken we echter, dat zoowel het eigengereide boerenkarakter, als de boerenbezigheid op eigen land en akker, hier kenmerkend bij het koopmanskarakter en het reizend koopmansbedrijf afsteken. Vrouw C1b de thuisgebleven zuster van A1, mag al de oude vormen bewaren, haar zoon, die met vader de markten afgaat neemt maar heel weinig van haar over; terwijl zijns vaders taal zich trouw in de zijne weerspiegelt. Stellen we nu verder de C's tegenover de H's, dan moeten we eerst nog vertellen, dat A2a de echtgenoot der bewuste schoondochter: boer en veekoopman tevens is, en dientengevolge zoowel in karakter als levenswijs, half met de H's en half met de C's overeenkomt. Als er dus geen andere faktoren in het spel waren, zou de taal der A's het midden moeten houden tusschen die der C's en H's. Maar daar is geen gedachte van: de A's overtreffen ook de C's nog verre in hun aanpassing aan de mooie peripherie-taal.

[p. 14]

Personen 2o
i of je
3o
mi of mwè
5o
ou of i(l)
6o
o(l) of ou(l)
7o
yi of li en zi
10o
iy of zoe
Ho
elé of zelé
8o en 16o n'an(s), n'ou(s)
of j'on(s).
A1
A2a
A2b
A3
i
je (zelden i)
je
je
mi (uitz. mwè)
mwè
mwè
mwè
ou
i(l)
i(l)
i(l)
o(l)
o(l)
ou(l)(olzelden)
o(l)
yi
yi (uitz. li, zi)
li en zi
li en zi
iy
zoe
zoe
zoe
elé
zelé
zelé
zelé
n'an
n'on, minder n'an zelden j'on
n'on, minder j'on
n'on, zelden j'on.
H1
H2a
H2b
i
i (zelden je)
i (zelden je)
mi, zelden mwè
mi, zelden mwè
mi, zelden mwè
ou
ou, zelden i(l)
ou, zelden i(l)
o(l)
o(l)
o(l)
yi, zelden li
yi, zelden li
yi, zelden li
zoe
zoe
zoe
zelé
zelé
zelé
n'an
n'an, uitz. n'an
n'an.
C1a
C1b
C2
i en je
i (uitz. je)
i en je
mwè
mi, minder mwè
mwè
ou en i(l)
ou, uitz. i(l)
i(l)
o(l)
o(l)
o(l)
yi
yi, uitz. zi
yi, meer dan zi
zoe
iy en zoe
zoe
zelé
elé en zelé
zelé
n'an en n'on
n'an
n'on, zelden n'an.
E2a
E2b
E3
je (uitz. i)
i en je
je meer dan i
mwè
mwè
mwè
i(l)
i(l)(ou uitz.)
i(l)
ou(l) uitz. o(l)
o(l)
o(l)
yi en li, zelden zi
yi
yi
zoe
zoe
zoe
zelé
zelé
zelé
n'on, soms j'on
n'on
n'on.

[p. 15]

De rol der schoondochter, moge ze dus al bondgenooten hebben in het karakter en het bedrijf van haar man, het schoolbezoek van haar kind, en het gedeeltelijk weer aan haar zelf te wijten mooier beginnen te praten van haar heele omgeving, blijft ook op zich zelf beschouwd: van niet gering te achten beteekenis.

De E's ten slotte zijn weer boeren. Toch winnen ze het in mooi praten nog van de C's, dat komt omdat hier vader, uit de mooier pratende streek vandaan is. De in de jeugd aangeleerde taal des huizes, zit blijkbaar dieper en is dus sterker: dan de later bijgeleerde koopmanstaal der markten. Maar de E's moeten het weer afleggen tegen de A's. Niet zoozeer omdat A2a althans mede de markten bezoekt, want dat laat blijkens de C's i, yi, ongedeerd, en zelfs n'an kan erbij voortbestaan. Maar wel omdat in A de propagandeerende kracht der mooie taal een vrouw, en in E daarentegen een man is. Van vrouw en moeder nemen man en kind li en zi, zelfs bijwijlen het zoo vreemd aandoende j'on over. Maar den man en vader laten vrouw en kind praten: zij zeggen n'on en yi. Bij i en je blijft ter eene zijde ondanks vaders voorbeeld i bestaan, maar verdwijnt het ter andere zijde: door moeders charme.

 

Mocht ik niet zeggen: Goddank, we hebben een overwinning behaald, de taalgeschiedenis hangt niet langer in algebraïsche formules tusschen den Melkweg en Mars in de lucht, maar wordt tot een levensgeschiedenis van ondermaansche meenende en minnende menschen!

 

Ja maar, zegt hier wellicht de ietwat-meer-vasthoudende, dergelijke conclusies missen ook alle algemeenheid; 't zijn interessante feitjes; 't is een toevallig détail, een komplex van détails, als je wil, maar voor het geheele verloop, den grooten samenhang der feiten leeren zij ons niets. - Zoudt u denken?

Ongetwijfeld houd ook ik hiermee het onderzoek niet voor voltooid; maar ik meen toch, dat wij onze elementaire begrippen over taalgeschiedenis uit de nauwkeurige en onmiddellijk kontroleerbare observatie moeten putten, om daarna die elementaire begrippen op de groote minder nauwkeurig bekende feitenmassa's toe te passen, en niet omgekeerd.

En om nu maar eens te beginnen, blijkt verder uit het door Terracher verzamelde statistisch materiaal, op de eerste plaats: dat er over het algemeen viermaal meer vrouwen dan mannen: door hun huwelijk in een nieuwe omgeving komen. Zou dat niet uit den aard der zaak volgen, en min of meer overal het geval zijn? Zoo ja, dan

[p. 16]

hebben we dus in onze bewuste schoondochter niet één détail, maar een typische vorm van historische taalverandering gevonden.

Verder heeft Terracher met een vlijt die bewondering afdwingt, en wel door niemand zal worden nagevolgd, voor al de 80 gemeenten van zijn dialektgebied: uit de registers van den burgerlijken stand (de meeste loopend over 100, maar vele ook over 200 en 300 jaar) alle huwelijken met niet-inboorlingen genoteerd, en wel op twintig wijzen verrekend en vergeleken. En het resultaat was onmiskenbaar, dat trots alle verschil van omstandigheden, in alle dorpen waar de bewoners meestal onder elkaar trouwen, de oude dialektvormen blijven leven; en dat overal waar vele schoonzoons en schoondochters uit de naburige dialektstreken zijn ingetrouwd: de oude dialektvormen verdwijnen, en de minder plat klinkende peripherievormen ervoor in de plaats komen.

En dat naast deze gevolgen van het huwelijk, die zich duidelijk van dorp tot dorp afteekenen, er ook nog eenige andere dialektverzwakkingen: algemeener en breeder over de heele streek tegelijk voorkomen (waarvoor ik echter een ietwat afwijkende schifting zou voorstellen), is een feit hiernaast, niet ertegen. De oorzaak hiervan ligt waarschijnlijk in het school- en marktbezoek, den militairen dienst, de verhuizende meiden en knechts, de logés, den handel, de bezoeken der handelsreizigers, de reizen der inwoners zelf, de geweldige vermeerdering van het aantal geletterden, de kranten. de boeken, enz. Want dit moet ook mij ten slotte van het hart: Terracher heeft zich nu eenmaal op de schoondochters en de schoonzoons geworpen, en kon het anders, hoe breed hij zich ook in z'n opvattingen toont; de andere vormen van toenemend verkeer spelen in z'n algemeene conclusies slechts de rol van Asschepoester. Daarom dan ook heb ik in de gekozen voorbeelden: die verschillende omstandigheden veel meer op den voorgrond gebracht dan Terracher noodig achtte.

Maar dat alles is een kleinigheid vergeleken bij zijne verdienste: de ontzaglijke beteekenis der inhuwing: voor de taal van de heele omgeving, nu voor goed geplaatst te hebben in het warme zonnetje onzer linguistieke aandacht. En als terloops kan hij dan ook aan het slot van z'n boek een conclusie opteekenen, die waarschijnlijk voor de heele taalgeschiedenis van West-Europa van ingrijpende beteekenis zal blijken. De oudste kontroleerbare dialektgrenzen, in mijn gebied, zegt hij, vallen in hun geheel niet samen met de parochies, niet met de departementen, provincies of welke andere administratieve of rechterlijke indeelingen ook, maar wèl met de oude Middeleeuwsche leengoederen. Welnu, in den echten tijd van het leenstelsel, waren

[p. 17]

de boeren lijfeigenen, zij waren verbonden aan het land van hun heer, en mochten of konden niet trouwen met de lijfeigenen van een ander goed en van een anderen heer. Toen konden er dus scherpe dialektgrenzen opkomen, die eeuwen daarna nog hun invloed doen gevoelen. Dan begrijpen wij ook, waarom de Duitsche onderzoekers sommige isoglossen vinden, die volkomen met oude leen- of bisdomgrenzen samenvallen en andere niet. Vele grenzen zijn toch, juist door de later mogelijk geworden huwelijksvermenging, in de richting dier huwelijken verschoven en uitgebreid. Andere bewijzen nog altijd hun taai voortbestaan, wat dan ook gewoonlijk met een gering huwelijksverkeer tusschen de wederzijdsche grensbewoners gepaard gaat.

Mag ik ten slotte wat vragen en wat klagen?

De nieuwe taalwetenschap steunt bijna geheel en al: op de observatie van de contemporaine taalgeschiedenis. Een taalgeleerde van onze richting kan dus bijna niets geen materiaal uit boeken halen. Hij moet het verzamelen uit het volle leven. Maar zijn kring blijft eng en klein, hoeveel goede vrienden hij ook tellen mag. Daarom dan ook heb ik me al dikwijls - ook in Den Nieuwen Taalgids - gedrongen gevoeld, een beroep te doen op de medewerking van belangstellenden. En die kwamen dan ook wel opdagen, maar o zoo weinig. - Als zij, die ons reeds een dialektgrammatika schonken en dus alle noodige gegevens in hun geheugen klaar hebben, ons ook zoo eens een gehucht of een dorpstraat teekenden! Vooral Schothorst, voor wiens dialekt we behalve een keurige grammatika: ook al een isoglossenkaart hebben, zou dat niet moeilijk vallen. Maar ook Van Weel, aan wien wij onze konstateering betreffende Goeree en Overflakkee ontleenden, zou hierin prachtig werk kunnen leveren: dit langwerpig eiland zou toch óók methodisch wel eens zeer leerzaam kunnen worden. En dan de Friesche steden, Amsterdam en Den Haag, Maastricht of Roermond, Nijmegen en Arnhem, Zutphen en Doetinchem, Kampen of Zwolle, Groningen en Enschedé! om van Brabant en Zeeland nog niet eens te spreken. En nu is voor dit onderzoek: elke man of vrouw die met iemand van een ander dialekt getrouwd is, in bizonder gunstige gelegenheid, om onze taalwetenschap vooruit te brengen. Men karakterizeert - gelijk ik dat boven heb voorgedaan - in geijkte pseudoniemen A1, A2b, A3 enz, al de leden van het huisgezin; plus beroep, opgave van geboortejaar, jaar der eventueele verhuizing en de afkomst der ouders. In een lijstje als de bovenstaande laten zich dan verwonderlijk kort: een heele schat van gegevens onderbrengen. De aandacht van den eene zal zich richten op den woordenschat, een ander heeft van huis uit phonetischen aanleg, een

[p. 18]

derde beperkt zich liever tot grammatische vormen. Wie er een verklaring bij wil geven, doet goed; wie het bij de karakterizeering en het lijstje laat, doet óók goed. Alles is goed.... Áls het maar nauwkeurig en objectief geobserveerd is. Wil men dat zelf dan in een tijdschrift, een onderwijzersblad b.v. publiceeren, des te beter. Wil men ze aan mij opsturen, óók goed. Aan ieder, die mij zulk een overdrukje of een brief met bruikbaar materiaal stuurt, beloof ik aanstonds na ontvangst een kaartje of briefkaart bij wijze van bedankje, en als de inzameling van éénige beteekenis blijkt, later een overdruk te sturen van het artikel, waarin alles is verwerkt.

Berchmans-College Oudenbosch.

Jac. van Ginneken.