De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1916  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De leraar in het Nederlands.

De leraar in 't Nederlands moet niet zijn: 'n Vak met meer of minder menselikheid, maar 'n Mens met meer of minder vakkennis.

Meer dan de Vakman is de Man.

Dàarmee in aanraking te komen, heeft vooral waarde voor de leerling.

Denk, er was 'n leraar, onbevoegd en onbekwaam, betrekkelik ten minste. Hij was eigenlik 'n natuurkundige, maar men droeg hem op 't onderwijs in Nederlandse taal- en letterkunde.

Hij was 'n man die veel had gedacht en ondergaan; hij had veel geleefd; was 'n Lebemann van hogere orde. Als hij les moest geven, dan had hij z'n boeken vantevoren hoog nodig, want hij had nog maar elementaire kennis overgehouden uit z'n eigen jongensjaren. En z'n leerlingen merkten dat wel, dat hij niet zo erg vast te paard zat. Ze spotten er over achter z'n rug en zelfs dorst men wel 'ns glimlachen in de klas. Maar toch hadden ze respekt voor 'm. Want bij de onvastheid van z'n kennis voelde ze 'n vastheid in z'n wezen, 'n ruimte en volheid in z'n menselikheid die alles biezonder maakte, wat hij aanpakte. En vooral z'n leeslessen, wat waren ze mooi. De manier waarop hij lachte als hij 'n grappig stukje voorlas, was 'n hele les waard. En de losse opmerkingen die hij overal tussen door gooide, gaven relief met sterk zijlicht aan de dingen die vlak schenen. En als hij werd geroerd bij 'n gevoelig stuk, dan was de klank en de trilling van zijn stem, voor de jongens voornamer dan 't stuk zelf.

[p. 19]

O, 't is wenselik dat 'n leraar veel weet van z'n vak; hoe meer, hoe liever; maar ik geef de voorkeur aan deze zwakke vakman boven 'n Professor X, Y, Z., wiens menselikheid zo zwak is en die zich nooit goed heeft ontwikkeld, omdat hij, gestuwd door 'n dorre eerzucht, te veel heeft gestudeerd zonder liefde, gegeten zonder honger, plichtmatig, stelselmatig alles opnemend als 'n loketkast met talloze hokjes.

 

De persoonlikheid van de leraar toont zich vooral in 't leesuur.

Lezen is leven; leven met de auteur als-ie 't heeft over zichzelf, of in de dingen en met de mensen waar-ie van vertelt.

Lezen is kijken, zien.

Lezen is tegenwoordig-zijn.

Het is zich overgeven en verloren gaan, en daarbij weer zich losmaken en als waarnemer zich buigen over 't geschrevene en over onze Ikheid die er zich in oploste.

Men ziet en voelt zich boeien, meeslepen. De schrijver bewerkt onze geest, hij kerft erin als 'n graveur in 't hout; hij speelt met ons gemoed, streelt en geselt; en wij laten 'm doen, laten ons behandelen, soms mishandelen, totdat we moe zijn van dat sterke leven en 't boek sluiten en ons vrij maken.

Daartoe de klas te prikkelen, dàt is de hoogste leesles; zó dat niemand absent is, en allen genieten van belangstelling.

Mooie momenten als in 'n schouwburg-zaal 'n akteur 't hele publiek overmeestert als onbeperkt despoot.

En mooie momenten als in de klas de leraar onder 't lezen zulke zinnetjes zegt, als onbewust pratend tegen z'n eigen, waardoor-ie getuigt wat in 'm gebeurt; de jongens kijken niet op, ze blijven gebukt, maar toch horen ze wat de leraar zegt, en leven met hem en door hem in 't stuk; hij geeft ze zijn geest en zijn ziel, en samen gaan ze verloren in de woorden des schrijvers.

J.M. Acket.

Overgenomen uit De Gids (Des. 1915).