De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1919  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 251]

Naar aanleiding van ‘twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis’.

Op blz. 184 van de lopende jaargang van dit ts. noemt Kooistra het merkwaardig, dat de geschreven ndl. taal zich zo terughoudend betoont tegen het maken tot subj. van een pass. zin van ‘al wat maar enigszins beschouwd kan worden als meer of minder direkt bij de handeling, door het werkwoord uitgedrukt, betrokken te zijn’ (p. 183). Men zal dit stellig niet algemeen merkwaardig achten. De meeste dgl. wendingen zouden bij een groot deel der lezers zelfs de aandacht afleiden van de inhoud, doordat de vorm aanstoot geeft. En diezelfde wendingen vallen de schrijvers - misschien enkele uitgezonderd - niet in, noch terwijl ze schrijven, noch terwijl ze spreken. Hiermee wordt niet beweerd dat níemand buiten Engelse invloed zo spreekt, noch zelfs dat het dan steeds iets individueels zou zijn; maar elk niet algemeen bekend geval zou onderzoek behoeven eer het als eigen aan een of ander taalkring kan worden geboekt. Dat het gebruik als subj. bij een pass. vorm van wat dat. zou zijn bij een act. ‘in de spreektaal niet langer beperkt kan worden genoemd’, is door K. niet aangetoond. Wij behoeven niet lang stil te staan bij gevallen waar storende invloeden werkzaam zijn; deze toch kunnen onmogelik bewijzen dat het verschijnsel niet beperkt is. Veelal zelfs hebben we met niets anders te doen dan met vergissingen van het ogenblik. Ook bij onze lektuur ontmoeten we die, want zowel als men zich verspreekt zonder het te merken, verschrijft men zich soms zonder het te corrigeren. Dat verschrijven is meermalen een verdenken, doch niet steeds; en een op zich zelf staande afwijking die wij onder de ogen krijgen is soms begrijpelik als zetfout.

Dit laatste geldt natuurlijk niet van de vrb. ‘Hij wordt de reiskosten vergoed’, ‘Zij mogen geen voedsel geweigerd worden’. Doch niet alleen volgens mijn taalgevoel en dat van andere Groningers, ook volgens dat van door mij geraadpleegde Hollanders wordt zoiets niet gezegd. Misschien spreekt men algemeen zo in West-Vlaanderen, altans Vercouillie noemt in Onze Volkstaal 2,40 als wvl. (tegelijk met Gij wordt verzocht daaraan deel te nemen): Ik werd van hem een brief gegeven, Ik ben den duivel aangedaan. Maar De Bo heeft

[p. 252]

het niet, hoewel hij iem. den duivel aandoen vermeldt. De vraag of V. aan het dialekt toeschrijft wat slechts voorkomt als afwijking, kan ik niet beantwoorden. (Het bij K. daaropvolgende ‘Hij is niet betaald vanmorgen’ zegt men natuurlijk wel; het is een eeuwen oude konstruktie (z. Nl. Wb. betalen) en heeft dus niet te maken met taalneigingen uit de jongste tijd). Dat K. niettemin het door hem genoteerde gehoord en gelezen heeft, is niet vreemd; allerlei wendingen, zelfs die beslist met het spraakgebruik in strijd zijn, vindt wie zoekt. Ik tref vandaag, nu mijn aandacht op dgl. zaken gevestigd is, in een krantbericht aan: ‘Den mevrouwen sloegen de schrik om 't hart’. Evenals men menigmaal een woord onjuist hoort zeggen of toepassen, evenzo hoort men menigmaal een foutieve wending, en hij ontslipt ook wel aan de pen. Zo leest men Maarten Vroeg 97 ed. Fockens: ‘Op de beurs zal zijn bankroet niet vele hoofden bij elkander gestoken, noch vele gezichten uitgerekt hebben’. Uit deze zeer begrijpelike fout zal niemand afleiden, dat steken, steeds of in de hoofden bij elkander steken, destijds causatief gebezigd werd; evenmin zal men een gangbare konstruktie afleiden uit ‘Ik.... werd hierop kin en hoofd kaal geschoren’ (ald. 104); tegenover andere hier en daar aangetroffen ‘konstrukties’ past gelijke behoedzaamheid. Het is b.v. geen konstruktie in de engere zin des woords, wanneer - wat men van sommigen herhaaldelijk kan horen - in de gauwigheid eerst te weinig gezegd wordt en het weggelatene dan achteraan komt. Vóór een paar uur hoorde ik: ‘Hier lopen niet veel mensen langs vaak 's avonds’; dezelfde spreker drukt zich meermalen zo uit, en anderen doen het ook wel eens, maar niet dan bij ongeluk. Het is dus een konstruktie wanneer dat woord bedoelt dat men zo kan horen konstrueren; maar in engere zin heet slechts dat een konstruktie wat niet met het taalgevoel strijdt; zulk een is het niet, en zal het ook niet licht worden. Wordt een eerst zeldzame wending voortdurend gewoner, dan zal (en dat mag met sommige van K.'s vrb. het geval wezen) op zekere tijd de een hem regelmatig, de ander foutief vinden, totdat hij òf algemeen wordt, òf weer terugwijkt, misschien om spoorloos te verdwijnen. Want ten onrechte wordt soms geredeneerd, alsof in de taal aan elke nieuwigheid de toekomst behoort.

Dat in het misbaksel - dat is het althans voor zeer velen, zoo niet voor schier allen - ‘Hij is overal naar gezocht beneden’ naar vóór het verbum zou staan omdat tal van verba een praep. als 1e lid bevatten, geloof ik niet; die plaatsing vloeit voort uit ‘Overal is naar hem gezocht’, ‘Er is naar gezocht’ en dgl., dus uit de normale wending. Met bedoelde verba bestaat niet de voor navolging nodige

[p. 253]

overeenkomst; naar zoeken is geen eenheid als názoeken, en men zegt wel: ‘bij het názien van de kas’, maar niet: ‘bij het naar zíen van de plant’. Naar gezocht worden gelijkt op geen enkel pass. van een compositum, want verba met ongeaccentueerd 1e lid, als doorzoeken in ‘Het huis is overal doorzocht [geworden]’, missen ge vóór het ptc.

Een aantal van K.'s vrb. kunnen verklaard door de weglating van daar waarop ik vroeger heb gewezen. Ik zal ze dus niet bespreken, maar wil toch opmerken dat hiertoe behoort ‘Die ballen wordt niet langer mee gespeeld’. K. heeft worden gehoord; maar mensen die dit als wartaal aandoet en misschien aan een plompe vertaling doet denken, zeggen zulk een zin met wordt toch wel eens. Er bestaat dan ook geen grond om hem op de wijs van K. voor een hybridiese konstruktie te verklaren ingeval worden indringt; men volstaat met een gelijke mechaniese attraktie aan te nemen als in ‘Den mevrouwen sloegen de schrik om 't hart.’ Evenmin vind ik ‘Die [jurk] moet je zuinig op wezen’ ‘opmerkelik als uiterste, immers niet langer tot het passivum beperkte, geval van naamvalsverschuiving’; vóór moet is daar weggelaten.

Niet door weglating van daar is verklaarbaar: ‘Ik heb de hele familie al kennis mee gemaakt’; maar dit voel ik dan ook als een storing door leren kennen of dgl. Wèl zou zo kunnen verklaard: ‘Dokter B. is ze onder behandeling van’, doch de zin stuitte mij bij het lezen, en toen ik de begeleidende vrb. vergeleek bleek mij de oorzaak. De vooropplaatsing getuigt van de neiging, het intentiesubj. ook formaal tot subj. te maken; dit doet men in ons geval door ‘Dokter B. heeft haar onder behandeling’. Bij de overige vrb. gaat het niet zo licht; wel zegt men voor ‘De melk is een raar smaakje aan’: ‘De melk heeft een r.s.’, maar dan heeft men een andere voorstelling in zijn hoofd dan [er] aan zijn.

Over gezegden als ‘'t Is kwart voor vier heb ik het’ behoef ik te minder uit te weiden daar ik dit in een verhandeling bij het programma van het Groninger gymnasium 1911/12 vrij uitvoerig gedaan heb (z.b.v.p. 229 l. al.), en daar K. zelf reeds gewaagt van ‘een onder het spreken opkomende neiging tot precisering’, en van toevoeging ‘bij wijze van after-thought’. [Deze leidt meermalen tot onjuistheden; zo hoorde ik pas: 't Is op 't balkon 'n lekkere lucht as je der zit.] Want dat onder die omstandigheden zo gesproken wordt, betwist niemand. Maar daarom levert dat slechts zeer betrekkelik een parallel tot ‘There is a gentleman wants to see you’, want dit wordt gezegd waar de gedachte ongestoord verloopt.

Het verschijnsel dat de ene concurrerende gedachte de andere in

[p. 254]

zijn uiting belemmert verschilt niet in aard naardat het voorvalt binnen of buiten het gebied dat men aan de syntaxis pleegt toe te wijzen. Eigenlik zou men aan deze ook kunnen toekennen, wat ik voor kort hoorde: ‘'t hekel er aan hebben’ (uit 'n h. en 't land), ‘Zou 't regenen? - 't Heeft al wat gevallen’ (door heeft geregend; de spreker kende geen heeft gevallen), en het in een raadsverslag voorkomend ‘een Christennatie als Nederland’. Wèl syntakties zijn in elk geval de bekende ‘Entgleisungen’ ‘Toen zou Tjaard die wou dat schrijven’, ‘Zij heette dat ze op een kostschool was’. Aan dagbladen ontleen ik: ‘omdat niemand anders dan de verongelukten aanwezig waren’ (wat de ene krant klakkeloos van de andere overneemt), ‘Het woningvraagstuk is veel meer dan vroeger nijpender geworden’. ‘Laat men toch niet alle arbeiders over één boeg scheren’ (raadsverslag) zal men wel niet als een syntaktiese afwijking beschouwen, want de vorm der uitdr. verschilt niet van ... over een kam s.; toch is de verbinding nu slechts als geheel te verstaan, dus niet meer logies ontleedbaar. Men behoeft niet lang te zoeken om ook in de litteratuur wankonstrukties te vinden. Zo schrijft R. Loveling (Po en Paoletto, in Nieuwe Novellen van R. en V. Lov.): ‘het verwenschte huisje[een bouwval], dat hij haar beloofd had herop te bouwen en er hun gezamenlijk tehuis van te maken’. Wie alles van die aard als konstruktie wilde katalogiseren, zou pogen het chaos te beschrijven.

Nu en dan stoot men op zinnen als ‘Juist had hij dit gezegd of een fietser reed tegen hem aan’; naast juist dringt nauweliks of pas zich op en brengt of in zijn gevolg mee. Een konstruktie in engere zin is dit niet; wordt het een, dan wint de taal er niet bij. Maar het zou mij niet verwonderen, wanneer het door sommigen als de juiste uitdr. gevoeld werd. Dit gebeurt zelfs met besliste onzin; men hoort en leest telkens de typus ‘Tot een van de grootste natuuronderzoekers behoort Galilei’, en kan niet ieder overtuigen dat dit verkeerd is. Grenzen bestaan bij enkelen nauweliks; zo is in overlijdensadvertenties meermalen sprake van mijn geliefde echtgenoot en vader, waardige begeleiding van het klein-kinderachtig gerijmel dat men, waar zoiets mode is, in familieberichten en elders ontmoet.

Intussen, als zo tastbare onzin voor den dag komt zal ieder linguïst ontsporing der gedachte aannemen, niet een konstruktie in de gewone bet. van dat woord. Maar dat is veel van het minder erge natuurlik ook niet. Het hier besproken verschijnsel is van dezelfde aard, als dat bij het verlezen sommige vergissingen telkens voorkomen. Inzonderheid wordt bij het lezen zowel als bij het spreken het min gewone licht door het meer gewone verdrongen. Waar staat Is 't wordt

[p. 255]

meermalen 't Is gelezen, achtermiddag wordt namiddag, harden: uithouden, tevreden houden: t. stellen, van nieuws af: v.n. af aan, zoover hij wist: voor z.h.w., als vader of moeder aan zijn bed zat te lezen: ... zaten te l. (men is meer gewoon aan vader en m. + pl.), Ik heb ze zien bloeien Bij 't uchtendontgloeien: .... 't uchtendgloeien (alles herhaaldelijk). Maar ook het gewone is niet veilig: Die schippers moeten hun schepen teren wordt ... laten teren, dat het de opzichters weinig kon schelen: weinig of niet kon s., enz. enz. Ook bij (of wil men: na) het horen worden zulke fouten gemaakt; in diktees merk ik vaker toevoeging dan weglating op. Natuurlik vooral waar geen abnormaliteit ontstaat, maar ook b.v. zooals er door Hooft gezegd is in stede van z.d.H.g. is (naar het gewoner er is g.). Ook leest of schrijft men b.v. ‘Het grootste deel der bezittingen dat L had nagelaten’, ‘met een bedeesd oogopslag’; men richt zich dus mechanies naar de eerste der verbonden voorstellingen. Verkeerde aansluiting en substitutie zijn bij velen vrij gewone zaken, en verdienen de aandacht als oorzaken van verandering in de taal; maar in de taalbeschrijving behoren ze pas thuis als zulk een verandering tot stand is gekomen. 't Hekel behoort daar dus niet in (tenzij het ergens gebruikelik mocht zijn), hoewel 't vensterbank (of ongeveer dit) behoort in een beschrijving van het Fries, het Gronings, het Amsterdams.

Van gelijk maaksel als ‘Hij wordt de reiskosten vergoed’ is ‘Zij werd een mooie kaketoe gegeven.’ Is nu naar de eis van de konstruktie: ‘De kaketoe was buitengewoon duur, maar ook buitengewoon mooi, ten minste in de ogen van Zus, en daarom werd ze hij gegeven’, of: ‘.... werd ze hem gegeven’? Misschien antwoordt men, dat men zich anders zou uitdrukken; maar als de konstruktie normaal is, moet een van beide wendingen, ook indien ongebruikelik, juist gedacht zijn; doch welke? Anders gezegd: welke verhouding voelt men tussen een m.k. en werd g.? Door iemand met een taalgevoel als het mijne kan de vraag niet beantwoord worden, omdat voor hem de uitdrukking der gedachte verongelukt is; daarom zou ik gaarn in dezen over het taalgevoel van anderen worden ingelicht. Komt dat overeen met de indruk, die de eng. konstruktie op mij maakte (Tijds. v. Ndl. Tl. en Ltk. 29, 147, '8)? [Ook in het Suaheli, waar, zoals ik zie, in zulke gevallen slechts de dat. subj. kan worden, blijft het obj. obj.]. Is dus, voor het gevoel van wie zo spreekt, ‘iem. iets geven’ ongeveer = ‘iem. in de toestand brengen, iets te [kunnen] aannemen’, en is daardoor mogelik: ‘ze werd een kaketoe gegeven’?

W. de Vries.