De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1920  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 246]

Een opmerking over Nederlandse aksentverschuivingen.

Het is een algemeen bekend verschijnsel, dat verschillende Nederlandse suffixen het woordaksent, dat in het grondwoord verder terug ligt, op de onmiddellik voorafgaande lettergreep trekken, en, bevat deze een ǝ-vokaal, dan op de daaraan voorafgaande, bijvoorbeeld: aanzíenlik (: áanzien), achterdóchtig (: áchterdocht), arbéidzaam (: árbeid), prozáïes (: próza), innémend (: ínnemen), zorgelóosheid (: zórgeloos). Een rijk materiaal vindt men bij Gaarenstroom De klemtoon in de Nederlandsche taal, Culemborg 1897, p. 29 vlgg. passim en bij J. te Winkel in Pauls Grundriss2 1, 814.

Het is m.i. de moeite waard, in verband met dit verschijnsel de aandacht te vestigen op een Slaviese aksentverschuiving, die er sterk aan herinnert. Van het algemeen-Slaviese adjektivum zélenŭ ‘groen’ is met het pronomen i een zgn. bepaalde vorm zelenŭ-i gevormd, doch deze heeft een ander aksent: dit is op de tweede lettergreep geschoven: zelénŭi. Een slavist zal de oorzaak van deze verschuiving aldus formuleren: door de aanhechting van -i veranderde de intonatie der syllabe le, de oorspronkelik vallende toon ging door ‘metatonie’ over in een sekundaire stijgende toon en deze attraheerde het aksent der voorafgaande korte lettergreep, gelijk stijgende tonen dat in het Slavies plegen te doen. Het komt mij voor, dat een dergelijke formulering ook voor het Nederlandse verschijnsel, dat wij met het Slaviese vergeleken, gegeven mag worden: ook in het Nederlands heeft de aanhechting van een suffix het woordrhythme gewijzigd in die zin, dat zich onmiddellik vóór het suffix door metatonie een sekundaire intonatie ontwikkelde, die het aksent der voorafgaande syllabe attraheerde.

De gedachte komt bij mij op, of ook een geval als koningín: kóning zich niet met een Slavies verschijnsel vergelijken laat, nml. met de eveneens door de attraherende kracht van een stijgende toon bewerkte verschuiving in norá, zelená, de feminina van novŭ ‘nieuw’, zélenŭ ‘groen’. Ik weet wel, dat men de betoning van het suffix -in veelal aan de invloed van ontleende Franse woorden op -es toeschrijft;

[p. 247]

dat echter voor een woord als klappéi datzelfde gelden zou, komt mij al zeer onwaarschijnlik voor, om nog niet te spreken van hagedís, dat in zijn bouw zeer herinnert aan het type koningín, maar toch bezwaarlik onder invloed van woorden als baronés, koningín een oxytonon zal geworden zijn. Ik wil niet beweren, dat wij reeds nu in staat zouden zijn, een regel, een ‘klankwet’ voor deze en dergelijke Nederlandse aksentverschuivingen te formuleren, alleen wil ik op de mogelikheid wijzen, dat in onze taal, die oorspronkelik de Germaanse aanvangbetoning had, op den duur sommige oorspronkelik onbetoonde lettergrepen een intonatie hebben gekregen, die even automaties als de Slaviese primaire en sekundaire stijgende tonen het aksent naar zich toe trok. Hoe moeilik de kondities voor het intreden van intonatieverschillen nauwkeurig zijn vast te stellen, dat blijkt uit het interessante hoofdstuk over de ‘relative Tonlage’ in Sievers' Grundzüge der Phonetik5 § 663 vlgg. Sievers geeft hier slechts enige korte aanwijzingen, maar deze hebben een grote waarde, te meer daar het klaar is, dat zij even goed voor andere talen gelden dan het Duits, al zijn dan ook de voorbeelden in hoofdzaak aan deze taal ontleend.

Leiden.

N. van Wijk.