De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1925  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 221]

Uit de tijdschriften. (Mei-Junie).

De Gids. Mei. Uit brieven van Truitje Toussaint toont P.J. Meertens aan, dat zij kort voor haar verloving met Bakhuizen van den Brink een niet beantwoorde liefde had opgevat voor Hasebroek. - De beschouwing over Nederlandsche Poëzie van P.N. van Eyck betreft de dichter J.W.F. Werumeus Buning. - J. Huizinga prijst de studie over Vondel van A.J. Barnouw, die in de reeks Great Hollanders in America verscheen.

Junie. Belangwekkende fragmenten Uit de herinneringen van Adriaan Gildemeester, die tot de Réveil-kring behoorde, worden door A.E. Kluit-De Clercq medegedeeld. In het eerste gedeelte treedt vooral Isaac da Costa op de voorgrond. - F.C. Dominicus geeft een samenvattend artikel over Aernout Drost als mensch en als schrijver.

 

De Nieuwe Gids. Mei. De ‘Flanor’-herinneringen van M.B. Mendes da Costa bevatten bijdragen tot de voorgeschiedenis van De Nieuwe Gids. Deze vereniging, in 1881 opgericht, bood ‘de jongeren van destijds de gelegenheid om samen te komen en daar hun denkbeelden onderling te bespreken en ze te verdedigen tegenover meer bezadigden.’ Al is het archief verloren gegaan, de notulenboeken zijn bewaard, en daarin geeft de schr. ons een kijkje. - W. Kloos schrijft over Felix Timmermans, naar aanleiding van Het keersken in de lanteern.

Junie. K.H. de Raaf leidde de tentoonstelling van Rotterdamse letterkunde in met een voordracht, die grotendeels afgedrukt is met de titel Nieuw religieus en letterkundig leven in het Rotterdam van de 17e eeuw. Daarin bespreekt hij de kring der Collegianten, in het biezonder Oudaen, en daarnaast Frans van Hoogstraten, en Dullaert. - W. Kloos beoordeelt de Vluchtige begroetingen van Aart van der Leeuw. - H. Middendorp geeft een reeks korte boekbesprekingen.

[p. 222]

Stemmen des tijds. Mei. Het tooneel der toekomst door W. van Schothorst bevat een kritiese bespreking van De voorwaarden tot hernieuwing der dramatische kunst, een studie van H. Roland Holst. De propagandistiese ijver maakt dit boek, hoewel boeiend, te eenzijdig. Ten onrechte ziet de schrijfster in Shakespeare's drama volkskunst en de gemeenschapskunst, die naar haar mening alleen waarde heeft. ‘Slechts het gemeenschapsdrama kan de verlossing en vernieuwing brengen.’

Junie. J. Petri geeft het eerste gedeelte van een studie over Godsdienstig verlangen in de nieuwe kunststroomingen, waarbij zoowel de Nederlandse als de buitenlandse letterkunde ter toelichting aangehaald wordt.

 

De Beiaard. Junie. B.H. Molkenboer heeft, ondanks enkele bedenkingen, veel lof voor Een nieuw Vondelleven, nl. de Engelse biografie door A.J. Barnouw, die ‘een eminenten indruk maakt’: ‘in bouw en opzet heeft dit boek zooveel goeds, dat ik het voor de Vondelwaardeering in 't buitenland en de Vondelstudie ten onzent een werkelijke winst reken.’ Ook de vertalingen van Vondel's verzen worden terecht geprezen.

 

Opgang. Mei. Paul Vreeland besluit zijn studie over Aug. Vermeylen's Wandelende Jood, waarbij P.H. Muller een bibliografie van deze schrijver geeft.

Junie. Joh. Bakker ziet in Nijhoff, de dichter van Vormen, het type van de moderne mens, die ‘op de geestelijke grens staat tusschen het pantheïsme van '80 en den Nieuwen Dag.’ - Onder het opschrift De Dominee verlucht schrijft H. Kuyper-Van Oordt over Gerard Brom's boekje De Dominee in onze Literatuur.

 

Groot Nederland, Mei. H. Marsman schrijft een artikel Over den dichter Nijhoff.

Junie. Het derde artikel over Achtiende-eeuwers van J. Walch behandelt De Maatschappij der Nederlandsche letterkunde in de 18de eeuw. De ‘Werken’ en ‘Handelingen’ van deze Maatschappij weerspiegelen ‘geen welbewuste, principieele ontwikkeling van de nieuwe levensbeschouwing. Zeer traag en verenkeld zijn er de symptonen van het nieuwe leven.’ Haar onmiskenbare verdienste is het evenwel ‘voor de beoefening der “neerlandica” aan de Universiteit den weg gebaand te hebben.’

[p. 223]

De Stem. Mei. Dirk Coster geeft een reeks Korte Karakteristieken van levende dichters.

 

Vragen van den dag. Junie. A. Klaver schrijft een opstel over Marialegenden en exempelen.

 

Vlaamsche Arbeid. Mei-Junie. De Kroniek over Vlaamsche Dichtkunst van Paul van Ostayen brengt een afbrekende kritiek van twee dichtbundels: Het Roode Raam door A.W. Grauls, in expressionistiese trant, en Liederen van leed door Gerard Walschap. - A. Burssens putte uit Dat boeck van der voirsienicheit godes zijn beschrijving van De hemel naar een Middelnederlands handschrift uit de tweede helft van de 15de eeuw.

 

De Vlaamsche Gids. Junie. De Vlaamsche Kroniek van Lode Monteyne bevat een reeks beknopte boekbeoordelingen en aankondigingen, o.a. een Keuze uit de gedichten van G.J. Dodd, door Pol de Mont, verzen van Ernest de Weert, Richard de Cneudt, Lambrecht Lambrechts, en een prozabundel (Redevoeringen en Studies) van Maurits Sabbe.

 

Opwaartsche Wegen. Maart. J. Haantjes besluit zijn Gossaert-Studiën en bespreekt Dirk Coster's Nieuwe Geluiden.

April. K. Fokkema geeft Iets over de Jongfriese beweging, toegelicht met fragmenten van proza en poëzie, in het origineel met vertaling er naast. - Onder de boekbesprekingen is de uitvoerigste, door W.A.P. Smit, gewijd aan ‘een nieuw boek van Jaarsma’ nl. Hoe het bloesemde.

Junie. E.G. van Teylingen publiceert een lezing over Nieuwe Wegen, waarin hij de vraag stelt of er nieuwe wegen te vinden zijn waarlangs de ontwikkeling der Christelike Litteratuur plaats kan vinden.

Roeping. Dec. 1924. Een studie van Bernard Verhoeven beschouwt Frederik van Eeden in het licht van zijn tijd, naar aanleiding van zijn bekering. Evenals Feber volgt hij in zijn werken de ontwikkelingsgang van de mens en de kunstenaar.

Jan. Anton van Duinkerken schrijft met bewondering Over de poëzie van Henri Bruning, de dichter van De Sirkel. - B. Verhoeven besluit zijn studie over Van Eeden.

Maart. Ger. Kuuvelder wijdt enige bladzijden aan het letterkundige werk van L.J.M. Feber, dat hem met bewondering

[p. 224]

vervult: zowel door zijn krities proza, als door zijn schildering van Oosterse natuur en Oosters geestesleven en zijn treurspelen neemt hij een voorname plaats in.

Mei. Fries en Vlaming noemt J. Bechtold een beschouwing, waarin hij romans van Jaarsma en J.W. de Boer, door hem geprezen als een Friese Streuvels, plaatst naast de kunst van Karel van den Oever, die hij de meerdere acht.

 

Den Gulden Winckel. Junie. Al pratende met Mr. H.W.J.M. Keuls heet een interview van G.H. Pannekoek. - Gerard van Eckeren schrijft over de romankunst van Alie Smeding en Johan Theunisz.

 

Het Boek. Mei. Deze gehele aflevering wordt gevuld door een geïllustreerd artikel van C.P. Burger Jr. over De rebus van onze oude Rederykers.

 

Tijdskrif vir Wetenskap en Kuns. Mei. E. Eybers geeft Hoofstukke uit die geskiedenis van opvoeding en onderwijs in Suid-Afrika.

 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vlaamsche Academie. Febr.-Maart. Jul. Persijn deelt onder het opschrift Snideriana een en ander mede over de voorouders van August Snieders, van moederszijde, en over ‘Het Sniedershuis.’

 

Leuvensche Bijdragen XVII, afl. 1. H. Logeman schrijft over The semasiology of some verbs of motion and the etymology of Dutch ‘langwerpig’ - H. Kesters onderstelt een Keltiese oorsprong van de plaatsnamen Rosmeer en Jeuk. - L. Grootaers geeft aanvullingen bij De namen van de roode aalbes in Zuid-Nederland.

Bijblad, afl. 1 en 2. L. Grootaers herdenkt J.P. Rousselot en geeft nieuwe lijsten voor Zuidnederlandsch dialectonderzoek. Verder een reeks boekbeoordelingen, door A. Carnoy, A. Boon, F. Baur en L. Grootaers.

 

Museum. Mei. D.C. Tinbergen beoordeelt het eerste en tweede deel van Onze letterkunde, door Mej. Gratama.

Junie. J. Heinsius beoordeelt de tweede druk van Schönfeld's Historiese grmmatica van het Nederlands.

C.d.V.