|
|
|
| |
| | | |
Gekommitteerden over schrijven.
De gekommitteerden bij de eindexamens van onderwijzerskweekscholen hebben hun verslag uitgebracht1). Een eerste oordeel na de instelling van het jus promovendi is dus geveld. Dit zou aanleiding kunnen zijn tot 'n algemene beschouwing in dit tijdschrift, dat steeds voor schoolexamens heeft gepleit. We bepalen ons nu tot een kritiek op die gedeelten van het rapport die over het schrijven handelen; tot slot zullen we ons gedwongen zien, het schrijven van de gekommitteerden zelf, onder schot te nemen.
Groep 1 van de gekommitteerden mist in 't schriftelik werk zowel bij Opvoedkunde als bij Nederl. Taal ‘netheid en accuratesse’, leestekens bleken ‘verwaarloosd’, zinnen ‘slordig’ gebouwd, de beeldspraak ‘foutief’, het taalkundig Schrijven ‘onzuiver’.
Volgens Groep 8 ‘geeft het schriftelijk werk voor Nederl. Taal den indruk, dat tegenwoordig al te luchthartig met de schrijfwijze wordt omgesprongen; aan de leerlingen wordt te veel vrijheid gelaten eene spelling te schrijven naar believen, op regels wordt niet gelet, geslachten schijnen niet meer bekend, de spreektaal wordt al te veel schrijftaal.’
Groep 15 zegt 't omgekeerde maar bedoelt hetzelfde. ‘Er was een streven waar te nemen de schrijftaal meer en meer aan de spreektaal te doen aanpassen en het zuiver schrijven kwam soms wel wat in het gedrang.’ Bij ‘geweldige taalfouten als onderwerpen in den vierden naamval, vroegen gekommitteerden zich af of bij dit onderwijs wel genoeg op de practijk werd gelet. Een degelijk, ouderwetsch dictee zou wellicht nog bevreemdende resultaten hebben opgeleverd.’
De twintig andere groepen, met uitzondering van gr. 24, die 't over de verplichte spelling had, zwegen over deze dingen, zodat we kunnen zeggen dat het positief gedeelte van 't rapport erg
| | | | ongunstig klinkt. De lof, door groep 15 een enkele maal geuit, is 'n vergeefse pleister op de wond.
Verdiende 't vierjarig werk van de kweekschoolleraren zo'n dodelike operatie? Bleek het dertigjarig werk van een ‘nieuwe’ richting zo bedroevend van resultaat? Een andere vraag: Waren hier bevoegden aan het woord?
't Lijkt vanzelfsprekend, dat van Moedertaal iedereen verstand heeft die 'n moeder had. Men vergeet daarbij dat men eens op school naast die taal nog allerlei meningen omtrent taal opdeed, meningen die met ons vergroeiden omdat ze waren, vastgelegd in regels die we dageliks toepasten bij het schrijven, in alle vakken, regels die we als volwassenen bleven toepassen en bleven toegepast zien in boeken over allerlei onderwerpen. Zo werd Nederl. Taal niet: 'n vak onder veel andere vakken, maar: iets boven alle vakken, zelf geen vak maar 'n algemene mentaliteit, die de biezondere mentaliteit van elk vak 'n richtsnoer was bij de uiting.
Vandaar de hoge waardering. Nederlandse Taal is 'n gemoedszaak. Wie er aan tornt, legt van stonde af aan 'n zenuw bloot, die op de buitenlucht reageert met krampen en gebaar, heftig als 'n religieuze dans. ‘Religie’, heeft men eens gezegd, ‘is geen vak van de Hogeschool: wat daar gedoceerd wordt, is Wetenschap, 't gaat buiten de godsdienstigheid van de mensen om.’
't Raakt ook de taalkundigheid van de mensen niet 't minst, dat aan onze hogescholen aan Taalkunde wordt gedaan; tegen, wat daar geleraard wordt, kijken de innigst taalgevoeligen vreemd. op. ‘'t Deed bevreemdend aan,’ zegt Groep 8 van de gekommitteerden, ‘van een kerk te lezen: hij lag daar, terwijl de examinator geen aanleiding vond, dit euvel te duiden.’ Voor wie Taalkunde een vak is, heeft 't geval niets vreemds. Nog pas zag hij in de inaugurele rede van een hoogleraar1) de taal, de school, een zaak, met hij aangeduid; hetzelfde zag hij meermalen in de geschriften van andere hoogleraren in de Taalkunde; en ook weet hij dat de laatste Staatskommissie voor de schrijfwijze van de Nederl. Taal, dezelfde praktijk voorstond.
Als wij nu op onze beurt iets bevreemdends mogen konstateren, is 't de volgende tegenstelling tussen a. en b.:
| a. | Een taalexaminator beschouwt Nederl. Taal als 'n vak
|
| | | |
| en richt zich daarbij naar Rijksuniversiteiten en naar 'n Staatskommissie. |
| b. | Gekommitteerden van de Staat behandelen Nederl. Taal als iets waarbij Traditie en Overtuiging de ogen sluit voor nieuwigheden. |
Zo'n geval van blinde liefde ligt buiten 't terrein waar geargumenteerd wordt, 't Behoort tot die dingen waarvoor een sekte zich vrij vecht en waarvoor die sekte, als ze 'r eeuwige waarheden ook door scholen wil verbreiden, het jus promovendi aanvraagt. Wie had ooit gedacht dat de Staat zelf in de persoon van z'n gekommitteerden die weg van het Biezondere zou op gaan! Of gingen de gekommitteerden 'n heel eigen weg?1)
Ook Groep 15 blijkt de weg van deskundigheid niet bekend.
Mogelike kritiek op hun voorkeur van oude boven ouwe weren ze bij voorbaat af door de verzekering: ‘we stellen ons niet op 'n ouderwetsch standpunt.’ Maar dezelfden bevelen zonder scrupels ‘een ouderwetsch dictee’ aan. Blijkbaar achten ze zo'n dictee minder ver van 't heden te staan. Hun kronologie is in de war. Bedoelde diktees zoals die in de streek van Groep 15 steeds bij de Rijksexamens opgeld deden, gaan terug op de letter-lievende predikanten-dichters van de 18e eeuw; de vorm oude, al is 't geen omgangstaal, behoort tot de klanktaal van onze tijd.
Dezelfde groep staaft z'n veroordeling van de punktuatie in de examenopstellen met de zinsnede: ‘Toch was het opmerkelijk dat bij het geven van zinnen ter ontleding de examinatoren zelf wel degelijk zorgvuldig alle leesteekens zetten, om het zoodoende den examinandi duidelijker en gemakkelijker te maken.’
't Opmerkelike in dit geval is voor ons, dat de beoordelaars alleen aan de punktuatieleer uit hun jeugd denken. Voordien was er ook 'n fonetiese punktuatie en deze is 't die nu weer veld wint; wij altans verbeteren niet meer zoals in onze jeugd, de leestekens van Vondel en Staring. Hoe de verhouding tussen klank en zin in de punktuatie van de schoolopstellen was, is ons onbekend, maar de logiese punktuatie van de examinator
| | | | begrijpen we in dit geval. Immers ontleding in bedoelde zin is 'n blootlegging van 't verstandelik taalgeraamte. Daarbij moeten logiese verhoudingen die bij 't spreken of lezen slechts terloops in 't besef komen, opzettelik en afzonderlik een onderwerp van beschouwing en materiaal van kategorisering worden. Dat eist sterke gedachtenkoncentratie, vooral bezwaarlik op 'n vermoeiende examendag. Men komt dan de examinandi in 't gevlij door 'n punktuatie die de logiese geleding uiterlik markeert. Alleen in 'n verintellektueelde tijd vult zulke ontledingsles 't hele taalonderwijs en dringt de uitsluitend logiese punktuatie in de algemene schrijfpraktijk door.
Graad van deskundigheid blijkt ook uit het gebruik van termen.
Wat moet de Regering aan wie de taal van aanstaande onderwijzers als niet net, inkorrekt, onbeschaafd, slordig, foutief, is gerapporteerd, daarbij nu denken? In de taalkundige wereld van heden noemt de een beschaafd, verzorgd of zuiver wat de ander onbeschaafd, slordig of foutief heet; een derde is tot 'n oordeel niet bekwaam, zolang hij geen feiten verneemt. En toch is zo'n oordeel soms nodig bv. voor een Regeerder als 't nl. over het algemene schrijven gaat, 'n middel van publiek verkeer. Gekommitteerden die de noodzakelikheid om feiten te noemen niet inzien, doen denken aan die broeder des gemenen levens die met z'n boekje in 'n hoekje onkundig bleef van wat 't Nieuwe Leven daar buiten al te zien gaf. Voor hem was dat ook van geen belang, maar voor wie in die tijd aan publiek bestuur deden, was 't nodig de twee kampen te overzien die op geestesterrein in botsing gingen komen. Maar betreft de terminologie van gekommitteerden misschien alleen die feiten, waaromtrent de twee partijen het eens zijn? er is taal, die, bij nader inzien, iedereen als ‘slordig’ afkeurt of als ‘zuiver’ prijst. Ook hier blijkt weer dat zonder bewijsmateriaal doelmatige termen weinig doeltreffend kunnen zijn.
Ook termen op zich zelf kunnen graden van deskundigheid verraden.
Een oordeel over de geschiedeniskennis van Rotterdamse kwekelingen verkernt Groep 15 van gekommitteerden in de term ‘aardig’: ‘Behalve eene uitgebreide kennis bezaten de meeste candidaten een zeer aardig historisch inzicht.’ We spreken ook in de taalkunde wel van ‘aardige gevallen’, aardige voorbeelden, en terecht; 't betreft dan konkreetheden die ons op aangename wijze in de abstraktheid brengen, 't doel van de
| | | | wetenschap. Maar de abstraktie zelf is minder aardig; 't is iets wijsgerigs. Wie noemt me eens 'n aardige filosoof? Door welke pakkende voorbeelden brengt Prof. Kernkamp ons tot 'n aardig histories inzicht?
Toch begrijpen we hoe 't montere woordje in dit geval gebruiklik werd. In 'n grote stad, waar met de Meerderheid Gemiddeldheid regeert, komt men met diepzinnigheden niet ver; alles moet daar lief en aardig zijn, wil 't gegadigden vinden. In zulk milieu ontmoet iemand die aan 't praktiese bestuur deelneemt, graag veel ‘aardige’ dingen. Dit begrip vindt dan verder, naar de omstandigheden, z'n weerga in ‘netjes,’ ‘korrekt’ e.d. Maar wat is in de samenleving ‘netjes’? Dit woord betreft de diepste plooien van 't hart en de bovenste randen van 't raamgordijn. 't Denkend hoofd bevangt daarbij 'n duizeling; de praktiese burger is wijzer, hij denkt niet maar doet, doet zoals de meesten in dit of dat geval zonden doen en ... blijft netjes. En zo zijn er ook velen die steeds maar ‘netjes schrijven’. Dat betekent heel wat! meent men. Inderdaad! de onbewuste gevoelswaarde van het woord is groot, 't is geknipt voor een verslag dat Regering en Volk zal spreken over vakkundige dingen, zo, dat 't meesleept. Maar oratories sterke woorden zijn dikwels zwak van begrip, de betekeniswaarde is gering. Eens, in de tijd van Brill bv., betroffen de termen ‘korrekt,’ ‘net’, nog in hoofdzaak de nauwkeurigheid waarmee iemand trachtte z'n gedachten in taal om te zetten, zo, dat 't, voor ogen die nog altijd op 18-eeuwse wijze zagen, als 'n duidelike foto was; nù betreffen de termen ‘korrekt’ en ‘net’ niets meer dan de trucjes waarmee de taal (vooral veel slechte taal) wordt geretoucheerd naar de behoefte van 't wisselend moment. Daardoor zijn o.a. de buigings- en geslachtsregels, die in Brill's tijd nog zo iets als wetenschappelike waarde hadden d.w.z. konstant gedefinieerd waren in akademiese handboeken, tans op ondefinieerbare wijze vermaatschappelikt. Een taalkundige die in de ‘korrekte schrijftaal’ van heden een beknopt systeem van regels zou
willen ontdekken, zou er z'n verstand bij verliezen.1)
| | | |
We hopen dat de Minister, die in de Uitslag de stemmen uit de burgerij mocht vernemen, z'n hoofd zal bewaren.
Wie het met het volk goed meent, kan het z'n moraal in hartsen gordijnaangelegenheden laten, de gangbare wijze om z'n schrijven te verzorgen, kan men niet laten voortbestaan, zonder de schrijfkultuur van de natie op z'n ergst te schaden. Eens toen op 't Binnenhof in Den Haag 't gras tussen de stenen groeide en de wandeling met korrekte pruiken op, de digestie onderhield van wie eigenlik niets te doen hadden, toen was ook de ‘korekte’ stijlering 'n hygiene voor de geest, die eigenlik niets te zeggen had. Maar nu! nu we allen 't hart vol hebben van oekonomiese noden en de mond vol van kritieken en rapporten! nu valt er wel wat anders te styleren. Een kweekschoolleraar die dat in de klas zou willen aantonen, had de voorbeelden maar voor 't grijpen.
Ook uit de geschriften van gekommitteerden.
Wat bv. te zeggen van de volgende zin, waar 't bleek dat naar onze mening iets scheen, dat weer uit iets anders bleek? Wat in diezelfde zin te zeggen van de onbeteugelde gevallen-lust en de onbeheerste kontaminatie?
Over het algemeen bleek bij het schriftelijk werk, zoowel bij Opvoedkunde als bij Nederlandsche taal, dat naar onze meening niet genoeg waarde scheen gehecht te worden aan netheid en accuratesse, wat onder andere bleek uit het in sommige gevallen verwaarloozen van leesteekens, in andere gevallen in groote slordigheid van zinsbouw en foutieve beeldspraak en in enkele gevallen in ernstige fouten tegen het taalkundig zuiver schrijven.
De gevallen-lust van Groep 1 wordt nog overtroffen door de onderscheidingszucht van Groep 8, die na het tweede deel van z'n verslag begonnen te zijn met de titel Opmerkingen, nog eens begint met de zin De gecommitteerden vonden aanleiding tot
| | | | de volgende opmerkingen, d.w.z. tot de hieronder volgende opmerkingen, d.w.z. tot het maken der hieronder volgende opmerkingen, natuurlik omtrent het examen, d.w.z. omtrent het examen in de verschillende vakken; wat dan verder nog bij de bespreking van die verschillende vakken, elk met 'n eigen alinea, vanzelf blijkt. Is 't wonder dat de landsdrukkerij eene zeer kostbare instelling is?
Wat te zeggen als Groep 24 onder de biezondere opmerkingen vermeldt, dat 't gebruik van de spelling De Vr. en Te W. 'n strenge eis is op de schriftelike examens van alle drie de betrokken kweekscholen (waarmee echter één korrektor geen rekening hield) en dan onder de ‘algemeene opmerkingen’ ten slotte meedeelt dat de spelling van de De Vr. en Te W. bij al het schriftelik werk moet worden gevolgd en dat de kwekelingen in het werk dat niet speciaal voor het Nederlands was opgegeven, de spelling van de Vr. en Te W. slecht toepasten? Waar bleef hier 't verschil tussen de ‘biezondere’ en de ‘algemene’ helft van 't verslag? Was hier de stijlkracht aan 't werk die eenmaal getrokken hoofdlijnen in 't oog houdt?of liet de Schr. zich argeloos gaan in z'n ontevredenheid, dat spelling hier en daar nog te weinig als 'n wetszaak, zijn zaak, werd opgevat?1) En wat te zeggen bij de praatstoel van dezelfde Schr., als deze soms midden in 'n zin de hik krijgt?
Ook hier waren de opgaven met zorg gekozen en werd voldoende tijd gegeven voor de bewerking. Alleen voor de tweede taaloefening, waarvoor slechts een half uur was uitgetrokken, werd op verzoek van gecommitteerden daar nog een kwartier bij gedaan.2).
| | | |
En dan groep 15! De rapporteur, die 't in de schoolopstellen, niet goed vindt, dat de jonge schrijvers zich zomaar ‘geven, zooals zij zijn’, is strenger voor anderen dan voor zich zelf. Spontaner babbeltje lazen we nooit. De uitspraken rollen en botsen over elkaar als uit de zakken van een goede Sint. Dat, na de algemeen gehouden improvisatie van de bisschop, de zakken, i.c. de vakken, een voor een worden geledigd, deze orde verandert niets aan 't karakter van de gezellige avond, een potpourri van vermaan, lof en blaam aan 't begin, een stroom van mildheid in 't vervolg tot aan 't eind!
Hoe anders is het officiële schrijven, dat, resultaat van bezinning nà 't moment, krachten wijdt en krachten spaart1), zinnen bouwt met streng verstand2), woorden schift3), herhalingen
| | | | schuwt4), konsekwentie mint5), 't geheel opbouwt in 'n toon6)
| | | | en 'n trant1), die doel en harmonie betracht! Groep 15, die van z'n drie pagina's er drie voor Lezen en Taal nodig had, heeft dat niet bevroed.
We hadden 't zo graag anders gezien. Want de onderwijzersopleiding heeft aan niets meer behoefte dan aan goede voorbeelden: Idealisme, eigen aan de jeugd en aan wie graag met de jeugd verkeert, wil steeds beter. Daarvoor spiegelt men zich aan de uitgelezenen, het kind aan de onderwijzer, de kwekeling aan de leraar, de leraar aan de gekommitteerde.
Of die daarom deskundig moet zijn?
Ook wie ondeskundig is, kan 'n voorbeeld zijn, door z'n ondeskundigheid te weten, het goede in het algemeen te willen en zo 'n man te zijn, die weet wat ie weet en wat ie wil. Dat blijkt dan ook uit z'n schriftelik verslag, dat zich binnen vaste grenzen houdt, naar inhoud en vorm. Daarvoor kan hij nu en dan opzien tot wie zijn voorbeelden zijn.
De vaste ordening van Thorbecke's vertogen (de man die de hele natie overzag als 'n kamp van twee elkaar stralende strijders),
de raakheid van Cesar's woord (te raak voor 'n tijd toen 't staatshoofd wel met de daad maar nog niet met de naam 'n keizer mocht zijn),
de bondigheid van Napoleon (de man die met z'n Ik werd geboren toen m'n vaderland stierf even goed zins- als staatsorganisator bleek),
al die grooten in daad en in taal mogen gekommitteerden voor ogen zweven, zo dikwels ze komen te staan voor mannen, die op hùn beurt iets willen leveren, hun land en z'n regeerders waardig2).
Ph. J. Simons.
|
1)De Uitslag verscheen in de Staatscour. van 28 Jan. 1925 Bijvoegsel No. 4.
1)Prof. J.H. Kern: Idealen en Grenzen, Wolters-Groningen.
1)Een weg ook van verkwisting! Zou 't niet geraden zijn dat de Minister, die zumigheidshalve bezwaar had, te Leiden 'n afzonderlike hoogleraar in de Nederl. Taalkunde aan te stellen en 't ten slotte in 's lands belang toch deed, aan Gekommitteerden beleefd verzocht, het werk van de nieuw benoemde niet voor vreemdsoortig te verklaren?
1)Prof. De Vooys toonde de onberekenbaarheid van 't modieuze begrip ‘schrijftaal’ herhaaldelik aan o.a. in De Letterkundigen tegenover de Vereenv. Spelling. Buiten de letterkundige kring ontmoet men nog erger chaos. Eén voorbeeld van de laatste tijd! Op de prijslijst van de schilderijen in Pulchri Studio te 's-Gravenhage wordt stereotiep de naam van 'n schilder, in tegenstelling tot die van 'n schilderes, ingeleid door Den Heer. Die n is al heel duidelik, buiten alle naamvalsverschil om, geworden tot 'n retouchemiddel, dat ‘korrekte’ taal (i.c. ‘schrijftaal’) van ‘spreektaal’ onderscheidt. Niemand van 't publiek, tenzij een verschoolmeesterde, neemt daar aanstoot aan; trouwens ook buiten taalterrein is ieder vrij, naar zijn smaak z'n uiterlik te verzorgen. Ook de Konventie is daarin vrij. In hoever deze ook objekt van onderwijs moet zijn, laat ik aan anderen ter beslissing over. Wat geslachts- en buigingsvormen betreft durf ik verklaren, dat de Konventie te grillig is, om in 'n school onderwezen te kunnen worden.
1)De militaire verdiensten van de Schr. kunnen ons in zo'n wetenschappelik geaarde aangelegenheid maar weinig bekoren; 't herhaalde ‘moet’ vernamen we als 'n wanklank; op één plaats bedierf dat zelfs 'n buitengewoon prijzenswaardige uitspraak, waar nl. ‘'t financieel verband tusschen het aantal geslaagden en de Rijksvergoeding’ werd afgekeurd.
2)Zulke zinnen komen in 't spreken veel voor; de tweede helft sluit dan dikwels aan bij wat ongeveer de inhoud van de eerste helft is. In bovenstaande zin veronderstelt de tweede helft werd daar nog een kwartier bij gedaan als eerste helft: Toen bleek, dat 't uitgetrokken half uur te kort was,... En zo wàs de inhoud ook ongeveer. Alleen was 't zo niet geschreven. In tegenstelling tot spreken eist schri jven (en ziehier nu ònze ‘strenge eis’!) een streng logiese sluiting tussen de twee helften van 'n zin. Dat waarborgt ook licht 'n strenge omlijsting, vooral 'n eis van geschreven officiële taal. Bovenstaande zin loopt langs de randen over in overbodige en konversationele mededelingen: de oefening ‘die vrij moeilijk was zou nu beter tot haar recht kunnen komen,’ en: ‘wij achtten dit in 't belang van de candidaten’, en: ‘die waren er zeer mede ingenomen.’
Met deze en de volgende noten willen we studerende lezers aanleiding geven, het opgemerkte nader te overwegen.
1)Door niet te wijzen op wat voor de hand ligt. Als vermeld is dat ‘bij ééne candidate die een zeer zwak examen had afgelegd, het feit den doorslag gaf dat zij de laatste twee studiejaren blijken van ijver en aanleg had gegeven’, zodat ‘zij werd toegelaten’, dan hoeft daarna niet nog eens vermeld te worden, dat ‘zij anders waarschijnlijk afgewezen zoude zijn.’ En als vermeld is: ‘Alle candidaten toonden, dat ze zeer goed onderlegd waren in handwerken, dat zij zich onder bekwame leiding uitstekend geoefend hadden in de praktijk van dit vak’, dan is het overbodig te besluiten ‘dat er voortdurend naar gestreefd was, van deze meisjes te maken “onderwijzeressen”, aan wie het vak “handwerken” gerust kan worden toevertrouwd.’
2)Als in acht regels is betoogd dat de jonge lieden zich in de opstellen te veel geven zoals ze zijn en dan besloten wordt met de moraal ‘slechts dan kan men zich vrijheden gaan veroorloven, wanneer men eerst een stof goed beheerscht’ dan hoeft daarna niet opnieuw gekonstateerd te worden: ‘terwijl hier wel wat al te vroeg met vrijheden begonnen wordt.’
Als gekommitteerden een slechte leestoon hebben gekonstateerd, verklaren ze die kausaal: ‘Wellicht is de vrij groote verwaarloozing van punctuatie op deze school ook debet aan den slechten leestoon’; ‘maar’, had dan kunnen volgen, ‘verklaring is in zo'n prakties geval nog geen verontschuldiging.’ In plaats van die logiese aansluiting volgt, als direkte tegenstelling bedoeld: ‘doch daar lezen van zoo groot belang is, moest er aan zuiver, duidelijk en gearticuleerd lezen meer biezondere zorg besteed worden dan nu geschiedt.’ Dit pleidooi voor goed leesonderwijs was te voren zeker op z'n plaats geweest, nl. vlak achter de signalering van 't slechte leesonderwijs en daartussen had dan 't voegwoord doch als 'n solied scharnier gewerkt; nù geeft de onjuiste plaatsing zowel van 't voegwoord als van de samengevoegde gedachten het zinscomplex dat onvaste, dat aan de konversatie z'n ontspannend karakter verleent, aan 't geschrift z'n logiese spanning onthoudt.
3)Gekommitteerden schiften niet, maar hopen op. Ze schrijven over ‘ wel degelijk zorgvuldig alle leesteekens zetten’, over ‘'n intelligente en ontwikkelende wijze’, over ‘zich 'n enkele maal in een of ander vak weleens afvragen’enz. Zie ook ‘ hard en degelijk’ bij Noot 4.
4)Bij de algemene opmerkingen wordt vermeld: ‘De door de candidaten vertoonde kennis stond op een zeer hoog peil en uit alles bleek dat zoowel door de leeraren als door de leerlingen hard en degelijk gewerkt was’, en dan weer, bij een afzonderlik vak: ‘de kennis ... was buitengemeen goed en uit alles bleek dat er hard gewerkt was.’ Nu alleenmaar ‘hard’, niet ‘degelijk’? Zo nauw moet men 't niet nemen, zegt de lezer. Hoe strooien de gecommitteerden ook niet met het woord ‘practijk’!
5)Aan 't begin wordt vermeld: ‘de candidaten gaven blijk van eene zeer grondige en uitgebreide kennis’, aan 't slot: ‘De kennis van woordsoorten, rhythme enz. enz. was buitengemeen goed en uit alles bleek dat er hard gewerkt was,’ en daar tussen in: de kandidaten zijn onbekwaam lager onderwijs te geven, de leraren waren onprakties. Hoe kan 'n grondige theorie in de praktijk zo failleren! Hoe kan verder van de zo grondig onderlegde kandidaten worden gezegd dat ze ‘hun stof niet beheersen’! Jeugd mist vaardigheid èn diepte. Wie tot 'n streng oordeel zich zet, konstateert 't een èn 't ander.
6)Gekommitteerden wijzen vermanend op 't ‘verschil tusschen een examenopstel en het joviaal schrijven van een jeugdig persoon aan een vriend of vriendin’. Maar kan ook zo'n joviale brief niet een examenopstel zijn? Of wordt de toon dan plotseling anders door de toevoeging van korrekte schrijftaal-letters die niemand uitspreekt? De vormen eene, den e.d. in het verslag van gekommitteerden kunnen niet beletten, dat woorden als ‘ aardig’, ‘ flink en hard werken’ weinig officiëel klinken. Hier en daar komt de causerie zelfs op 't peil van 'n tafelrede: ‘De verstandhouding
tusschen gecommitteerden eener- en directeur en leeraren anderzijds was aangenaam en openhartig, zoodat gecommitteèren met voldoening en genoegen terugzien op de door hen waargenomen funktie.’ De wenselikheid, door een andere groep uitgesproken, om nl. elk jaar terug te komen, bleef onuitgedrukt; ziedaar de enige matiging die in de al te warme toon te prijzen valt.
1)We denken hier vooral aan de overladenheid; een Regering wenst in 'n verslag ten allen tijde kortheid, in 'n spaarzame tijd soberheid.
2)In 'n apart stukje zouden we ons willen wagen aan 'n beschouwing over het onbeschaafde spreken en schrijven, door Groep 15 gekonstateerd. Reeds nu zouden we als onze mening willen vooropstellen, dat tegen de beschaafdheid ‘zowel binnen als buiten de muren’ wordt gezondigd.
|
|