De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1925  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 260]

Boekbeoordelingen.

Dr. J.B. Schepers en H.J. Scholten, De kleine Gids, Inleiding tot onze Moedertaal (Meulenhoff - Amsterdam, 1924).

Het is een verheugend teken, dat, terwijl tot voor enkele jaren de grammatika's van de Nederlandse taal in de oude indeling van de stof schenen vastgeroest te zijn, er nu een kentering is gekomen. Als zodanig begroeten wij met vreugde de verschijning van de ‘kleine Gids,’ van de hand van Schepers en Scholten, van wie de eerste reeds jarenlang onvermoeid voor de verspreiding van de nieuwe taaldenkbeelden heeft gestreden. ‘Dit boekje,’ zo lezen we in 't woord vooraf, ‘wil iets anders geven dan een gewone spraakkunst; iets meer en veel minder .... Een volledige spraakkunst wil het niet zijn; het wil o.a. niet in atomen ontleden.... Moge deze “Gids” de jetigd geleiden .... naar de zonnige velden, waar men in de bloemen der taal naar hartelust kan en wil zoeken.’ En de uitvoering is met deze woorden in overeenstemming. Men vindt hier een bespreking niet alleen van fonetiek en spelling, maar ook van ritme, toon, klemtoon; niet alleen een beschouwing over dialekt en algemeen beschaafd, maar ook tal van aardige voorbeelden uit volkstaal, Vlaams en Afrikaans; behandeling niet alleen van woordvorming met ontlening, volksetymologie enz., maar ook van semantiek en beeldspraak, van analogie en kontaminatie. Daartegenover een gelukkige beperking in dat wat het essentiële van de meeste andere grammatika's is: de z.g.n. taalen redekundige ontleding. Inplaats van de gebruikelike uitvoerige behandeling van de woordsoorten hier een voortreffelike keuze. Van de verba worden vooral tempus en genus, van de substantiva pluralisvorming en kasus, van de pronomina de aanspreekvormen behandeld, en met recht wordt daarbij het volle gewicht op het gebruik gelegd. Verder wordt aan de woordorde de nodige aandacht besteed, en in verband hiermee aan onderwerp en gezegde. In een aanhangsel volgen allerlei vragen en oefeningen. Over 't algemeen komt het moderne taalinzicht tot zijn recht; de nu eenmaal alle menselik werk aanklevende fouten en foutjes

[p. 261]

zijn niet van overwegend belang1). En tegenover het dorschematiese van de meeste schoolboeken staat hier een grote mate van oorspronkelikheid, die zich uit in de levendige verteltrant, in de vele frisse opmerkingen, in de eigen keuze van voorbeelden.

Minder gelukkig is de volgorde van de stof; moeilike en gemakkelike onderwerpen staan in bonte rij naast elkaar. Wie b.v. argeloos in een lagere klasse begint met een bespreking van woordsoorten en woordvormen (VI), belandt bij beeldspraak en bij een kritiek van Simon Gorter op een mislukt vers. En gaat men de woordorde behandelen (V2) - waarbij tot verwondering van wie het woordvooraf leest, Potgieter niet met rust wordt gelaten -, dan stuit men plotseling op een opmerking over de stijl van Ary Prins, waarvan de lektuur toch eerst in 't bereik van ouderen valt. Of, om andersoortige voorbeelden te geven, bij het verbum wordt modus hier, tempus daar, genus weer elders besproken, ja dit laatste - waarvan het begrip bekend verondersteld wordt - zelfs op twee verschillende plaatsen: eerst (blz. 51) het uitzonderingsgeval (éénzelfde vorm voor aktief en passief), later (blz. 59) het gebruik. Zo is het ook met de beeldspraak (blz. 60-63 èn blz. 112 v.v.) en met allerlei andere onderwerpen.

De schrijvers schijnen dat zelf wel gevoeld te hebben: ‘Wat te moeilik is, kan men immers overslaan!’ Neen, dat kan men niet, of liever àls men dat doet, is men daarmee niet geholpen. Immers - en daarmee kom ik op het hoofdbezwaar dat ik tegen de ‘kleine Gids’ als schoolbook heb - de meeste onderdelen lijden aan hetzelfde euvel van onduidelikheid Blz. 24 v. wordt betoogd, dat de ‘toon’ het gevoel weergeeft, de ‘klemtoon’ de redenering. Ik laat daar, in hoeverre dit juist is, maar zéker is het niet geoorloofd, deze stelling te poneren op grond van de onmiddellik voorafgaande voorbeelden: Zodra hij komt, zal ik het je melden, en: Ik zal het je melden, zodra hij komt. Daarop de klemtoonverzwaring bij tegenstelling in róóiekool en Máándag, maar er wordt niet op gewezen, dat in 't eerste voorbeeld aksentverspringing de voornaamste eigenaardigheid is. Blz. 33 abc geeft een merkwaardig onduidelike indeling van de konsonanten: deels scheiding van stemhebbend en stemloos, deels niet. De daarop volgende behandeling van

[p. 262]

de wederzijdse invloed van de medeklinkers op elkaar wordt plotseling afgebroken, zonder behoorlike bespreking van de assimilatieprosessen. In nauweliks anderhalve bladzij (blz. 50 onderaan tot halverwege blz. 52) komen in al te snelle opvolging ter sprake: zinsbouw in de kindertaal, aktief-passief, vervolg-zinsbouw-kindertaal, taalkringen in 't algemeen, aanspreekvormen. En in dat stukje tieperende onduidelikheden als: Keeze koesje ... net als het vallen van de nacht of, op andere wijze(!): een dot van een kind. Blz. 67 alinea 2: kongruentie van onderwerp en gezegde (3 regels), dan iets over de definitie van 't onderwerp, 't ontbreken van 't onderwerp, 't psychologies onderwerp, onregelmatige zinsbouw, uitlopend (nog op dezelfde bladzij) op een rnoeilik citaat uit Bernard Canter.

Die onrust, ‘die warmbloedigheid’ (woord vooraf), die de schrijvers verhindert alles kalm uiteen te zetten, drijft hen ook tot overlading: een teveel aan voorbeelden uit allerlei talen en dialekten en een teveel aan beeldspraak en vergelijking. Op de ene bladzij worden in één zinnetje Zaans, Zweeds en Grieks erbij gehaald, op de andere Fries, Engels, Frans, Duits; zelfs paradeert bij de kausatieven 't Goties en wordt de umlaut naar de ‘zeg maar volksverhuizingstijd’ verplaatst. De trilbeelden van blz. 32, de vijf sluizen van blz. 3 v., het makke zeetje van blz. 65 zijn enkele voorbeelden van eer verduisterende dan verhelderende beeldspraak. Misschien heeft de neiging van de schrijvers om het de leerlingen smakelik te maken, hen er mee toegebracht om alles meer ‘aan te duiden’ (blz. 119) dan grondig te behandelen. Ook is m.i. de min of meer verholen polemiek tegen de oude richting in een schoolboek niet op zijn plaats.

Konklusie: een aardig boek waaruit veel is te leren, ook voor ouderen, maar, doordat de schrijvers van de hak op de tak springen, weinig bruikbaar voor de middelbare school, altans voor de lagere klassen. Gaarne zou ik, uit simpatie voor de richting waarin het boek gaat, hier anders over geoordeeld hebben, maar, gegeven het boek zoals het er nu een keer ligt, kan ik alleen de hoop uitspreken, dat een grondige omwerking een tweede druk ervan meer geschikt mag maken voor het doel waarvoor het geschreven is.

 

Hilversum.

M. Schönpeld.

[p. 263]

Nieuwe Friesche Spraakkunst door O.H. Sijtstra en J.J. Hof. (Leeuwarden, R. van der Velde).

Het is jammer dat de schrijvers van deze grammatika zich niet geheel los gemaakt hebben van 't werk waarvan ze een herdruk wilden geven. Wel menen ze, dat ze de Beknopte Friesche Spraakkunst van Mr. Ph. van Blom (in 1889 verschenen) zodanig gewijzigd hebben, dat ze verplicht waren de naam van Mr. Van Blom van 't titelblad te doen verdwijnen, maar bij nadere beschouwing blijkt, dat we hier niet te doen hebben met een volledige spraakkunst; bovendien wordt ons niet duidelik waarom deze grammatica nieuw heet. Het werk van Mr. Van Blom was door en door ouderwets, wat ons niet verwondert, des te meer spijt het ons dat er van het nieuwe in de taalbeschouwing zo weinig blijkt in deze herdruk. Reeds bij een vluchtig doorbladeren maakt deze spraakkunst een Terwey-achtige indruk, een mening die bij ernstige lezing bevestigd wordt. Zonder ons op speciaal-fries terrein te begeven willen we aantonen de gebreken van deze grammatika.

De spraakkunst behandelt alleen de klankleer en de rededelen; in een aanhangsel wordt nog een idiomatiese woordelijs t toegevoegd. Dit laatste is verdienstelik werk. De schrijvers menen, dat een behandeling van de syntaxis overbodig is; wel geven ze bij de behandeling van de rededelen aan in hoeverre de Friese zinsbouw afwijkt van de Nederlandse.

In hun voorwoord zeggen de samenstellers dat ze, in tegenstelling met Mr. Van Blom, uitgegaan zijn van 't gesproken woord en van de klanken in de taal voorkomende, maar de uitwerking van dit goede beginsel toont aan, dat de schrijvers zich niet hebben losgemaakt van de oude taalopvattingen. Zo begint het hoofdstuk van de klankleer met een bespreking van de letteren toontekens; dan pas volgt een bespreking van de enkelvoudige klinkers, maar ook dan worden dikwijls opmerkingen gemaakt over de spelling, die op deze plaats niet thuis horen, b.v. de verdubbeling van de tussenmedeklinker (bladz. 9); terwijl ook de behandeling van de klanken zo uitgebreid is, waarschijnlik met 't oog op de spelling, dat het de ‘eenvoudig belangstellende’ dikwijls duizelig zal worden.

Een eigenaardige opvatting van wat spelling is blijkt o.a. uit de beschouwing over de schrijfwijze van het bijwoord net (bladz. 26). Dit bijwoord wordt enclyties of proclyties onbetoond, dan wordt de n sonanties, evenals in 't Eng. didn't. De schrijvers

[p. 264]

zeggen hiervan: ‘Op schrift tracht men het toonzwakke net wel aan te geven met n't, hetgeen echter verkeerd is, daar het woord immers een klinker houdt, en een zelfstandige lettergreep blijft. Ook de spelling 'nt, door enkelen toegepast, is om die reden niet zuiver; men zou eigenlijk ent dienen te schrijven: dat hie 'k ent tocht.’

Een ouderwets taalbegrip blijkt bij het bespreken van het verdwijnen van de toonloze e achter werkw. meerv. vormen bij vlug spreken. De schrijvers zeggen hiervan: ‘In sommige gevallen kan dit in de schrijftaal, b.v in verzen met het aanbrengen eener apostrophe wel gevolgd worden zonder dat dit het taalgevoel kwetst’(!). Opbladz. 52 wordt ‘een t onmiddellik met eenap ostrophe aan een woord gehecht’. Hoe de schrijvers dat in 't spreken klaar spelen zeggen ze niet. Ook hier verwarring van klank en spelling.

In vele gevallen vinden we een terminologie die aan de oude grammatika herinnert: het gebruiken van de termen schrijf- en spreektaal, zonder een juiste omschrijving van beide; de n wijzigt zich in de uitspraak tot m (bladz. 59), de d van de wordt dikwijls weggelaten na voorzetsels, als achtervoegsels komen voor enkele letters, het geslachtsonderscheid is verwaarloosd, enz.

Soms maken de schrijvers opmerkingen over 't Hollands die niet geheel juist zijn en waaruit blijkt dat ze grammaties niet goed geschoold zijn. Zo zeggen ze, dat in het Nederlands het eerste lid van de samenstelling in het meervoud wordt geschreven als daarbij aan een meervoud wordt gedacht. De woorden bloemperk, horlogemaker, enz. bewijzen het tegendeel. Bij de n vertellen ze dat deze in Hollandse dialecten als slotklank dikwijls weggelaten wordt.

Een ander bezwaar tegen deze grammatika is dat de schrijvers te veel gebruik maken van 't oud-fries. Wanneer men de grammatika leest, zou men denken dat deze taal de Friezen heel goed bekend is. De ruimte hieraan besteed had nuttiger gebruikt kunnen worden.

Zo zouden nog tal van opmerkingen te maken zijn over wat wel aanwezig is in dit boek, maar er is ook veel dat ontbreekt. De hele spraakkunst is onwetenschappelik opgezet, en daardoor, wordt het boek nooit goed, tenzij 't helemaal wordt omgewerkt. Het inzicht in het wezen van de taal wordt door al die regels niet bevorderd. Wij hadden gaarne gezien dat de schrijvers zich beijverd hadden een goed taalinzicht aan te brengen en dat ze hun kennis van 't Fries beter gegroepeerd hadden. Voorop had moeten

[p. 265]

gaan een bespreking van het doel van een grammatika, de klanken hadden beter gekenschetst moeten worden, vooral geldt dit van de consonanten; hier had zich dan een behandeling van 't wezen van spelling in 't algemeen bij kunnen aansluiten. Dit was voor de Friezen zo brood-nodig geweest. Men had moeten duidelik maken 't ontbreken van een Algemeen Beschaafd, het bestaan van de verschillende dialekten in 't Fries, de plaats die 't Fries inneemt tussen de andere Germaanse talen. Een hoofdstuk over 't accent, over assimilatie en nasalering was bij de klankleer op zijn plaats geweest. Bij de woordvorming had de betekenisleer niet mogen ontbreken. Veel opmerkingen als niet behorend in de grammatika, maar in 't woordeboek, hadden naar de woordelijst kunnen verhuizen.

Voor ‘eenvoudig belangstellenden’ kunnen we 't boek niet aanbevelen; natuurlik is 't te gebruiken voor hen die grammaties goed onderlegd zijn en 't krities lezen. Nederlandse taalkundigen zullen meer bevrediging vinden in de Phonology & Grammar of Modern West Frisian van P. Sipma; laten we hopen dat voor de Friezen het werk spoedig overgedaan wordt.

Alphen a/d Rijn.

K. Fokkema.

Frans Coenen: Studiën van de Tachtiger Beweging (Middelburg, G.W. den Boer, 1924).

Na Herman Robbers heeft Frans Coenen een poging gedaan om een ‘samenvattend inzicht’ te geven in de letterkundige beweging van '80, met dit verschil dat Coenen geen histories overzicht biedt, maar een reeks ‘studiën’, die eerst in Groot-Nederland verschenen, en nu in een bundel verenigd zijn. De opzet is deze: de ‘Tachtiger Beweging’ hier te lande was een plotselinge schone opbloei van het individualisme, gevolgd door een even snelle verwelking. Het versterkte zelfbesef kon zich in twee richtingen ontwikkelen: door trotse afzondering tot verhoogde vitaliteit, levenslust, levensviering en zelfs levenszwijmel, of, ten gevolge van vereenzaming, tot levensonlust en zelfs levenswanhoop. Langs deze beide lijnen tracht de schrijver verschijnselen en figuren te rangschikken.

Voorop gaat de opkomst van het naturalisme (Netscher, Cooplandt) en de daaruit voortkomende prozakunst van Lodewijk van Deyssel als ‘viering van het zintuigelijke leven’. De

[p. 266]

uiterste verfijning van deze impressionistiese kunst, uitlopend op verwording, wordt in hetzelfde hoofdstuk toegelicht met de soortgelijke ontwikkeling van Gorter's poëzie. Daarnaast worden als ‘evenwichtigen’ en ‘objectivisten’ Van Looy en Arij Prins behandeld. Een kort hoofdstukje over de Bezinners en hun critiek wijst op het individualistiese in de Nieuwe-Gids-kritiek.

Hoofdstuk V is gewijd aan De Tachtiger Poëzie: daarin wordt de tegenstelling van de burgerlike poëzie (Beets, Ten Kate) met de nieuwe dichtkunst (Winkler Prins, Hélène Swarth, Perk) aan voorbeelden verduidelikt, en de kunst van Kloos, Verwey, Van Eeden en Gorter besproken.

Het laatste hoofdstuk is getiteld Levensonlust en Zedelijke Ontevredenheid, waarin de schr. tweeërlei uiting van pessimisme ziet. Emants en de jonge Couperus krijgen daarin hun plaats, maar vooral Aletrino en Fred. van Eeden worden als typerende verschijningen beschouwd.

Er zijn in deze Studiën voortreffelike gedeelten, die de afzonderlike uitgave ten volle rechtvaardigen. De diepgaande ontleding van Van Deyssel's proza-werk (blz. 58-88), van de kunst van Van Looy en Arij Prins (blz.107-137), de fijne opmerkingen over Hélène Swarth, over Van Eeden's Johannes Viator, over de ‘levensonlust’ - waarvan Coenen een niet minder typies vertegen woordiger is geweest dan Aletrino! - ze behoren tot het allerbeste en leerzaamste dat er tot nu toe over geschreven is. Bij de essayist Coenen worden we ook meermalen getroffen door een warme, aan bewondering grenzende, waardering en een objektief historiese beschouwing, die zo geheel anders klinkt als zijn vaak skepties-bittere tijdschriftkritieken. Soms wordt zijn antipathie hem te machtig, als in het verwrongen beeld dat hij van de dichter Albert Verwey geeft - men lette slechts op de aangehaalde gedichten. In het algemeen staat het hoofdstuk over de dichtkunst ver achter bij de voorafgaande, wat ons bij een prozakunstenaar als Coenen niet verwondert.

Met zelfkennis koos de schrijver als titel ‘Studiën’, en niet ‘Geschiedenis’. Het blijven fragmenten die, ook blijkens de herhalingen, niet ineens geconcipieerd zijn. Het voornemen om zich te beperken tot de periode 1880-1895 (blz. 39) wordt herhaaldelik prijsgegeven, door een, soms toevallige, greep uit veel later werk (bv. bij Gorter, Verwey, Van Eeden). Zonder verband met de tussenliggende periode heeft dat weinig zin. Heeft de ‘Tachtiger Beweging’ dan toch wèl een voortzetting gevonden

[p. 267]

na de gewaande ondergang? De lezer krijgt een zonderlinge voorstelling van de ‘tweede generatie’ die omstreeks 1895 ‘de heftige revolutionnaire kunstformules tot meer redelijke proporties terugbrachten’, wanneer als de bewerkers daarvan André Jolles en Adama van Scheltema genoemd worden (blz. 30).

Ernstiger bezwaar is, dat hij de tegenstelling: individu-gemeenschap, die op blz. 6 ontwikkeld wordt, niet als factor in de ondergang van de ‘Tachtiger Beweging’ aanwijst, al zou het in de laatste bladzijden, bij de behandeling van Van Eeden, naar voren moeten komen. Is ‘zedelike ontevredenheid’ niet iets meer dan een schakering van pessimisme? Waar de zo kritiese en scherpzinnige Coenen 'zich in algemene of abstrakte beschouwingen verdiept, zal de kritiese lezer telkens geneigd zijn met verwondering een vraagteeken te zetten.

Niet als geschiedenis, maar als een belangrijke bijdrage tot de geschiedenis van de afgelopen periode hebben we dus in Coenen's boek een aanwinst te zien.

C.d.V.