De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag 1926  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 317]

Uit de tijdschriften. (September-Oktober).

De Gids. Okt. A. Cornette beoordeelt de bloemlezing uit de geschriften van Hugo Verriest en de biografie van deze buitengewone Vlaming door De Pillecijn.

 

De Nieuwe Gids. Sept. J. Berg vervolgt de uitgave van de Brieven van Mevr. Anne Busten Huet aan Mejuffrouw Sophie Potgieter. - W. Kloos schrijft over De Afspraak van A. Roland Holst.

Okt. Behalve het vervolg van de bovengenoemde brievenreeks bevat deze aflevering een opstel van W. Kloos over Een schilder-schrijver, nl. Roland Holst.

 

Groot-Nederland. Sept. J. Saks bestrijdt in Het geval-Huet de mening van Colenbrander, als zou Busken Huet “geen gave persoonlikheid” geweest zijn. De vraag “Is Huet van beginselen veranderd omdat hij er profijt in zag” beantwoordt hij ontkennend.

 

Okt. Ook Albert Verwey wordt door J. Saks bestreden, omdat de uitgever van Huet's brieven z.i. geneigd is om Huet “neer te halen” en daartegenover Potgieter “mateloos omhoog te steken”. - J. Walch bspreekt als letterkundig curiosum’ Duitsche ge-dichten van een Nederlander, nl. van J.H. Donraadt.

 

De Stem. Okt. Dirk Coster publiceert een fragment van een inleiding op Oude Nederlandsche Poëzie, in 1909 geschreven voor een bloemlezing, die eerst nu zal verschijnen.

 

Stemmen des tijds. Sept. F.C. Dominicus beschouwt in het tweede gedeelte van zijn opstel Potgieter als mensch en als schrijver ‘de kunstenaar Potgieter’: ‘voor '80 is in de negentiende eeuw niemand grooter geweest dan hij.’ - C. Tazelaar bespreekt in de Literaire Kroniek o.a. het proefschrift van G. Dekker, Heimem Dullaert van J. Wille, Bastiaanse's Ovenzicht der Ned. Letterkunde, de elfde bundel van Kloos' Letterkundige Inzichten en Vergezichten en een aantal romans.

[p. 318]

Opwaartsche wegen. Sept. J. van Ham geeft een bijschrift bij het portret van de vijftigjarige G. Schrijver, auteur van Jobje's avontuurlijke jeugd. - K. Fokkema vestigt de aandacht op Enkele belangrijke Friese uitgaven. - P.H. Mulder prijst de roman Het goed van Cronaert door H. Kuyper-Van Oordt.

Okt. W. Kramer beoordeelt het vijfde deel van Jaarsma's roman van Thiss; K.H. Miskotte Dirk Coster's ‘Verzamelde Proza.’ - E.G. van Teylingen zet zijn denkbeeld uiteen over het Wezen der Christelijke literaire kritiek. - W. ten Kate Jzn. wijdt een artikel aan Henriette Roland Holst en ‘Het Offer.’

 

Den Gulden Winekel. Sept. Het vraaggesprek van G.H. Pannekoek geldt de prozaschrijver Jan hofker. - In de Kroniek van het Proza spreekt G. van Eckereu over ‘mode’ in de letterkunde, naar aanleiding van de Campana-cyclus. Veel lof heeft hij voor het korte verhaal De Vlucht van Albertine Draayer-de Haas.

Okt. Onder het opschrift Een stem uit het verleden bespreekt Johannes Tielrooy Busken Huet's Brieven aan E.J. Potgieter.- G. van Eckeren oordeelt gunstig over de romans van A.M. de Jong: Merijntje Gijzens Jeugd, al hebben die ook veel kans om ‘mode’boeken te worden.- Henrik Scholte weet niet veel goeds te zeggen van de dichter J.C. van Schagen.

 

Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis XIX, afl. 1. De Russiese geleerde B. Becker publiceert een doorwerkte lezing over Coornhert de zestiende-eeusche apostel der volmaakbaarheid.

 

De Vrije Fries XXVIII, all. 2. Behalve een opstel over Joan Winkler en het Oera-Lindaboek bevat deze aflevering een bijdrage van P. Leendertz Jr. over Tooneelgezelschappen te Harlingen, waarin vooral Simon Stijl en zijn invloed op het letterkundig leven te Harlingen behandeld worden.

 

Roeping. Sept. H. Moller geeft een beknopte inleidende beschouwing Over geschiedenis van de letterkunde.

Okt. De aflevering begint met de herdenking van twee gestorvenen: Karel van den Oever en Gerard Bruning.

 

Boekzaal der geheele wereld. Sept. C.R. Vullings schrijft over J. Eilkema de Roo; hij betreurt ‘dat zooveel onmiskenbaar talent zoo deerlijk werd misbruikt.’ - Ed. A. Serrarens bestrijdt Urbain van de Voorde's opvatting omtrent Guido Gezelle.

 

Paedagogische Studiën. Sept. J. van Ham prijst in een artikel Modern taalonderwijs in onze Oost met warmte het Bronnenboek

[p. 319]

voor het nieuwe taalonderwijs in Indië door Dr. G.J. Nieuwenhuis, en de daarbij aansluitende methode Nieuw Taalonderwijs door Jonkmans en Nieuwenhuis.

 

Neophilologus XII, afl. 1. In de rubriek Boekbespreking beoordeelt H.J. Pos The philosophy of Grammar van O. Jespersen.

 

De Vrije Bladen III, afl. 6. C.J. Kelk bespreekt als een der Nederlandsche dichters de ‘drekpoëet’ Salomon van Rusting en stelt zijn platheid en parodie voor als de natuurlike reactie tegen de litteratuurtaal van de grote zeventiende-eeuwers, die tot een ‘ongeëvenaard hoogtepunt geklommen was.’

 

De Vlaamsche Gids. Sept. Een beknopt artikel van Dr. T.J. behandelt De aardrijkskundige namen in Vlaanderen.

Okt. Rcb. Roemans beoordeelt Een studie over Hugo Verriest door Filip De Pilleeyn: het tweede, gedeelte laat z.i. de indruk van overhaasting na, terwijl de uiteenzetting van Verriest's taalparticularisme uitvoeriger had kunnen zijn. Een bibliografie had ook niet mogen ontbreken.

 

Vlaamsche Arheid. Sept. Hendrik Elias vond in de nieuwe uitgave van het Geusenliedboek aanleiding om na te gaan Het nationaal gevoel in de Nederlandsche historische liederen der 16e eeuw. - Roel Houwink, die de Kroniek der Noord-Nederlandse letteren verzorgt, deelt ‘ter oriëntering’ een en ander mede over de tijdschriften en de kritiek. - Jozef Muls herdenkt gevoelig, als. ‘vooraanstaand medewerker’ Karel van den Oever ‘een groot schrijver, een moedig Vlaming, een hartstochtelijk geloovige.’

Okt. In deze afl. voltooit H. Elias zijn bovengenoemd artikel, waarin hij de liederen ‘ontleedt als uiting van hetgeen de lagere klassen dachten en voelden in hun opstand tegen Spanje’.

 

Leuvensche Bijdragen XVIII, afl. 1, Bijblad. Behalve boekoordelingen en aankondigingen bevat deze aflevering een wegwijzend artikel van J. van de Wijer over Ons Toponymisch Onderzoek, aangevend hoe ‘het inzamelen van het levend toponymisch materiaal’ kan plaats hebben.

 

Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vlaamsche Academie. Junie. Een aangeboden verhandeling van Dr. Jan Gessler is getiteld Vondel en Gillis van Vinckenroy. Uit Vondel's Zegezang ter eere van de Hasseltse burgemeester Gillis van Vinckenroy heeft men wel opgemaakt dat Vondel te Hasselt geweest zou

[p. 320]

zijn. De schr. toont aan, dat dit onwaarschijnlik is: de Zegezang werd tussen 1644 en 1647 gedicht op verzoek van Martinus van Vinkenroy, broeder van de burgemeester en missionaris te Amsterdam, die dus Vondel omtrent plaatselike omstandigheden ingelicht kan hebben. - J. Jacobs publiceert Een nieuw Mnl. handschrift van het Evangelie van Nicodemus, waarvan hij aantoont dat het in 15de-eeuws Oost-Brabants, waarschijnlik te Diest, geschreven is. - Ten slotte bevat deze aflevering de rede over Moderne Taalgroei, door Prof. Jos. Schrijnen op de ‘plechtige vergadering’ van de Academie uitgesproken.

 

Tydskrif vir Wetenskap en Kuns. Sept. S.P.E. Boshoff geeft enige Opmerkings na aanleiding van die verklaring van 'n paar spreekwoordelike uitdrukkings in Afrikaans, deur Prof. Dr. D.F. Malherbe in Afrikaanse spreekwoorde en verwante vorme, nl. ‘iemand dophou’ en ‘jong osse inspan.’ - E. Eybers vervolgt zijn Hoofstukke uit die geskiedenis van opvoeding en onderwijs in Suid-Afrika - A.F. prijst de Grammar of Modern Dutch van Dr. E. Kruisinga.

 

Germanisch-Romanische Monatsschrift. Sept.-Okt. In een rede over Lautsymbolik in alter und neuerster Zeit bestrijdt Albert Debrunner de fantastiese denkbeelden van Prof. Hermann Beckh, die aan onze Bilderdijk doet denken.

 

Paginae Bibliographicae. Okt. A. Burssens wijst op Een nieuwe, Nederlandse Bron van ‘Elckerlije’, nl. een beknopt Mnl. exempel, dat opmerkelike punten van overeenkomst vertoont met de eerste helft van Elekerlije.

 

Museum. Aug.-Sept. A. Kluyver beoordeelt de derde uitgave van J. Vercoullie's Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal. - A. Beets bespreekt Het Oneigene van W. de Vries, A.A. Verdenius de studie van Edda Tille Zur Sprache der Urkunden des Herzogtums Geldern.

Okt. J.W. Muller beoordeelt de twee bundels Verzamelde Taalkundige Opstellen van C.G.N. de Vooys. - A. Hendriks beoordeelt de keuze uit Bilderdijk's Lyrische Poëzie door Ph.A. Lansberg.

C.d.V.