|
|
|
| |
Uit de tijdschriften. (September-Oktober).
De Gids. Okt. A. Roland Holst schrijft een bewonderende beschouwing In memoriam Herman Gorter. - H. M(arsman) beoordeelt Henriette Roland Holst, naar aanleiding van haar jongste bundel, Verworvenheden, als dichteres ongunstig, al heeft hij eerbied en zelfs bewondering voor haar persoonlikheid. - A. Cornette bespreekt Aug. van Cauwelaert's bloemlezing De Vlaamsche jongeren van gister en heden (1910-1927), een pendant van Coster's Nieuwe Geluiden, al is de inleidende Terugblik niet gelijkwaardig aan Coster's inleiding. - De Literaire Profielen II van Joris Eeckhout noemt dezelfde beoordelaar veeleer ‘portretten’, die wel lijden aan overlading met citaten, maar als geheel waardering verdienen.
De Nieuwe Gids. Sept. D. Spanjaard verdedigt een veelverbreide definitie in een artikel: Willem Kloos en de allerindividueelste emotie en expressie. Hij betoogt dat Kloos dit niet bedoeld
| | | | heeft als ‘voorschrift voor den kunstenaar’, maar afgeleid ‘uit alle groote kunstwerken’. - H. Gerversman beoordeelt zeer ongunstig de verzen van Een modern dichter, nl. H. Marsman (Paradise Regained). - Willem Kloos schrijft over Hélène Swarth en Augusta Peaux.
Okt. Herman Gorter wordt herdacht door Ae. W. Timmerman en Frans Erens. - W. Kloos noemt W.W. van Lennep, wiens vertaling van Keats' Hyperion onlangs herdrukt werd, Een ‘Nieuwe-Gidser’ die tevens lid was van het vorige geslacht.
Groot-Nederland. Sept. F. van der Goes publiceert Litteraire herinneringen, betrekking hebbende op de verhouding van Busken Huet tot de Nieuwe-Gidsers. - J. Saks vervolgt zijn Multatuli-studie met een artikel Lebak (De conferentie en het verraad).
Okt. Frans Ooenen herdenkt Herman Gorter. - F. van der Goes vervolgt zijn Litteraire Herinneringen: hij geeft een aantal documenten en brieven omtrent de jammerlike krisis in De Nieuwe Gids, van 1893, en de laatste pogingen zijnerzijds om het tijdschrift te redden.
De Stem. Okt. Dirk Coster schrijft een In Memoriam Herman Gorter.
Stemmen des tijds. Sept. De Literaire Kroniek van C. Tazelaar behandelt o.a. het zeventiende deel van Kloos' Nieuwere Literatuurgeschiedenis en een aantal romans, waarbij De Zondaar, door Ali Smeding, van Christelik standpunt scherp veroordeeld wordt.
Okt. C. Tazelaar wijdt een artikel aan de driedelige roman van A.M. de Jong: Merijntje Gijzen's Jeugd. Bij alle waardering voor de letterkundige verdiensten acht hij dit boek ‘tendentieus en gevaarlijk.’
Opwaartsche Wegen. Sept. Ph. A. Lansberg overweegt De waarde der R.K. poëzie voor de Protestanten, om ‘aanknoopingspunten te vinden tusschen de eigenschappen van den Roomsch-Katholieken en den Protestantschen geest,’ al is zijn ‘resultaat vaak negatief.’ - Een opstel van E.G. van Teylingen handelt Over het objektieve in de schoonheid.
| | | |
Okt. V.D(ijk) herdenkt De dickter van Mei. - Ph. A. Lansberg besluit het bovengenoemde artikel, waarin zijn bewondering voor de ‘verwonderlijke opbloei in het Roomsch-Katholieke geestelijke leven’ duidelik uitkomt. - Als slot bevat deze aflevering een Bibliografie van Ina Boudier-Bakker's geschriften en de beoordelingen daarvan in tijdschriften en dagbladen.
Roeping. Okt. Deze aflevering is ten dele gewijd aan de nagedachtenis van Gerard Bruning. Zijn Nagelaten Werk wordt besproken door Anton van Duinkerken; zijn kritieken in ‘De Morgen’, onder het pseudoniem Jos. v.d. Hoog, door Gerard Knuvelder.
Den Gulden Winckel. Sept. S.G. de Rouck schrijft een artikel over de Kempiese dichter en schrijver Arnold Sauwen. - In de Kroniek van het Proza bespreekt Gerard van Eckeren een drietal romans. - Met de Kroniek der Poëzie belastte zich, in plaats van Henrik Scholte, de Vlaming Reimond Herremans, die aanvangt met een beschouwing over Aug. van Cauwelaert's bloemlezing: De Vlaamsche jongeren van Gisteren en Heden. - De redaktie herdenkt Herman Gorter.
Okt. In de Kroniek der Poëzie bespreekt R. Herreman de bundels Lyriek III en IV, verzameld voor J. Greshoff en A.F. Marande.
Nu. Afgemeen Maandblad. Okt. Dit nieuwe maandblad, onder redaktie van Is. Querido en A.M. de Jong, bevat een Inleiding van de laatstgenoemde en een pessimisties gestemde beschouwing over Stand en bevoegdheid onzer tegenwoordige literatuur-critiek van eerstgenoemde. Verder o.a. een paar bladzijden van Louis Saalborn over Tooneel en Maatschappij, van Frederik van Eeden over Katholieke jongeren, en een herdenking van Herman Gorter door Is. Querido, bestaande uit een herdruk van een vijftien jaar geleden gepubliceerde karakteristiek.
Berichten en Mededeelingen van de Vereniging van Leraren in levende talen. Sept. Deze aflevering bevat de rede van Prof. Dr. J.H. Scholte, op de jaarvergadering gehouden, over Taalonderwijs en Geestescultuur. Voorts een bespreking van G. Brom's Romantiek en Katholicisme in Nederland door J.B. Schepers.
| | | |
Ons Eigen Blad. Junie-Aug. In dit blad verscheen een leerzame reeks artikels van P. Gerlach Royen over De groepering der naamwoorden. Waarschijnlik zal daarvan een vermeerderde herdruk verschijnen.
15 Julie. P. Gerlach Royen publiceert een lezing over Esperanto en Katholicisme, met een warm pleidooi voor deze kunsttaal, die de moedertaal nooit zal kunnen vervangen, maar die als universeel verkeersmiddel als ‘een eis van onze tijd’ te beschouwen is.
Ons Geestelijk Erf. Julie. De Middelnederlandse legenden en exempelen van C.G.N. de Vooys worden besproken door pater D.A. Stracke, die er op wijst hoeveel er op dit gebied nog te doen valt, en door pater J. van Mierlo, die ‘onjuiste opvattingen aangaande de Katholieke leer’ aanwijst.
De Vlaamsche Gids. Okt. Onder de rubriek Boekbeschouwing bespreekt J. Vercoullie o.a. het boek van J. Jacobs: Het Westvlaamsch van de oudste tijden tot heden. Hij maakt bezwaar tegen de titel, die ‘meer belooft dan hij ons kon geven.’ ‘Bijna alles is in de boven de volkstaal staande schrijftaal gesteld, met min of meer gewestelijke eigenaardigheden, te wijten aan onkunde of willekeur. Ze zijn dus niet systematisch, maar toevallig en herhaaldelijk dezelfde. Ze kunnen dus wel dienen om een tekst te localiseeren en om te constateeren wanneer een zekere dialecteigenaardigheid reeds voorkomt, maar ze geven niet voldoende stof om de geschiedenis van een dialect op te maken, zelfs niet als men overvloedig van “inlegkunde” gebruik maakt.’
Dietsche Warande en Belfort. Sept. In deze aflevering, aan P.P. Rubens gewijd, geeft Maurits Sabbe een artikel over Verchristelijkt Humanisme te Antwerpen in Rubens' tijd, om aan te tonen dat Rubens in zijn moederstad niet was ‘een schitterende maar eenzame meteoor’, doch dat hij ‘omringd was van een heir starren.’ Ondanks het oeconomies verval handhaafde ‘een sfeer van wetenschap en literatuur den roem der oude wereldstad.’
Okt. H. Logeman schrijft een uitvoerig artikel, met muzieknotatie, over Oude en Nieuwe Straatroepen.
Vlaamsche Arbeid, afl. 5-6. O. van der Hallen begint een studie over het leven en de betekenis van Tony Bergmann. Dit
| | | | eerste gedeelte loopt tot zijn promotie. - O. Dambre schrijft een paar bladzijden Over de verbroedering van rederijkers uit Noord en Zuid, namelik in de zeventiende eeuw. - L. Indestege vervolgt zijn artikelenreeks over Henriette Roland Holst's ontwikkelingsgang. - De Kroniek over Nederlandse letterkunde, door Paul van Ostayen, is getiteld: Marsman of vijftig procent, en werd geschreven naar aanleiding van de bundel Paradise regained.
Tijdschrift voor Taal en Letteren. Julie-Aug. D.A. Stracke publiceert fragmenten uit Een onbekende Frankische Roman, behorende tot de Aymeri-kring, maar waarvan hij geen Frans origineel weet aan te wijzen. Wellicht - meent hij - is het ‘gefantazeerd naar de gegevens van andere epen.’ - Zeer uitvoerig bespreekt L.C. Michels de nieuwe uitgave van Valcooch's Regel der Duytsche Schoolmeesters door P.A. de Planque: wegens tal van verbeteringen en aanvullingen verdient dit artikel naast de uitgave geraadpleegd te worden. - In een artikel Tachtig door een Tachtiger beoordeelt, of liever: veroordeelt, Jos. J. Gielen de Studiën van de Tachtiger Beweging door Frans Coenen, omdat, naar zijn mening, dit werk ‘positief-artistieke, opbouwende waarde’ mist, zodat hij het alleen met ‘historiese belangstelling’ las. - Jef Notermans tracht, op grond van geschiedkundige dokumenten, de figuur van Her Hessel, der custenaer, in Veldeken's S. Servaas genoemd, in een scherper licht te stellen. - P. Maximilianus handhaaft tegenover Zuster Van de Wijnpersse (N. Taalgids XX, 258) zijn opvatting omtrent Het ‘roeyken’ in Elckerlije. - H.H. Knippenberg schrijft over De naam ‘Barbara’ en de legenden dier Heilige. - P. Maximilianus beoordeelt Poelhekke's Lyriek.
Tydskrif vir Wetenskap en Kuns. Sept. Een opstel van J.L.M. Francken handelt over Die taal van die slawekinders en fornikasie met slavinne, als bijdrage tot de oorsprong van het Afrikaans. - A.C. Bouman beoordeelt uitvoerig het proefschrift van J.J. le Roux: Oor die Afrikaanse sintaksis, en beknopter het proefschrift van pater Gerlach Royen.
Neophilologus XIII, afl. 1. Theodor Kalepky geeft een aanvullende toelichting bij het artikel van Salverda de Grave, in de vorige jaargang, over Indecte Rede in hoofdzinnen, met
| | | | het opschrift ‘Verkleidete Rede’, d.i. de term die hij voor het verschijnsel bedacht. - Onder de boekbesprekingen kondigt Jos. Schrijnen een aardig boekje van Leo Spitzer aan: Eine kleine Studie zur Sprache einer Mutter (1927), een proeve van individuele taalbeschrijving: naast de kindertaal is zeker de taal van de moeder tegenover het kind de aandacht waard.
Tijdschrift voor Nederl. taal- en letterkunde XLVI, afl. 3. In zijn Aantekeningen bij enige Middelnederlandse leerdichten betoogt W.H. Beuken dat de drie leerdichten Die Dietsche Doctrinale, Melibocus en Het boec van der wraken, werk van een ‘Antwerpse dichterbent’ zijn, maar niet aan Jan van Boendale toegeschreven kunnen worden. De beide eerste zijn ook niet van één hand. Dit stilisties en dialektgeografies onderzoek wijst op verschillen, maar ook op ‘de zeer sterke traditie in de didaktiese litteratuur’, die de lokalisering van dergelijke teksten hachelik maakt. - J.A.N. Knuttel toont overeenkomst aan tussen Bauw-heers welleven en De Binckhorst van Ph. van Borssele, zonder daarom eerstgenoemd gedicht aan de Zeeuwse dichter te durven toeschrijven. - G.J. Lugard vond twee kleine Fragmenten van Jacob van Maerlant's Spieghel Historiael. - Jac. van Ginneken legt verband tussen De twee beteekenissen van kuieren, nl. wandelen en praten. - C. Bake verklaart Hofwijck, vs. 2577 vlg. anders dan Meyer en Eymael. - G.S. Overdiep en J.H. Kern wisselen van gedachte over Ferguut, vs. 264. - W. de Vries behandelt, naar aanleiding van Kloeke's studie, de vraag: Zijn Bilts en Vriezenveens ontstaan doordat Friezen van taal veranderen? in ontkennende zin. Hij houdt Bilts voor ‘de taal van Hollanders, vervormd door sterke friese invloed.’ A. Beets publiceert een voordracht over De Utrechtsche volkstaal (stadstaal), die hij uit eigen ervaring grondig leerde kennen: oudere overleveringen, die zeer schaars zijn, vergelijkt hij met de hedendaagse toestand. - L.C. Michels geeft opmerkingen en aantekeningen Over het Geuzenliedboek, grotendeels voorgedragen op het jongste Filologenkongres te Utrecht.
Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vlaamsche Academie. Junie. In zijn Beschouwingen over de Abele Spelen toont R. Verdeyen aan, dat ‘abel’ betekent ‘kunstig.’ Het verband tussen de vier spelen is, dat ze beheerst worden door een enkel gevoelsmotief: de liefde. ‘Esmoreit is het spel van frisse reine
| | | | liefde, Gloriant van plotseling oplaaiende en volhardende liefde, Lanseloet een tragies spel van onhoofse liefde, Vanden Winter ende vanden Somer een spel van altijdige broederliefde, het geheel een triomf van de ware minne.’ De plaats van vervaardiging zoekt hij niet, met Leendertz, in Vlaanderen, maar - op grond van taalvormen - op de grens van Oost-Brabant en Limburg. - Dr. Muyldermans hield een voordracht, getiteld Pieter Du Bois herdacht (1827-1884).
Julie. Is. Teirlinck leidt het Brusselse woord berkoos (= groenteteler) af van het oudere broekoijs = broekbewoner. - J. Jacobs hield een voordracht over Het Nederlandsch Opstel in de hoogere humanioraklassen; Gustaaf Segers over Gewestspraken en Heimatkunde; algemeene letterkunde en Vaderlandsliefde; plaatselijke en nationale geschiedenis. - Al. Walgrave bespreekt De Prozavertalingen van Guido Gezelle. Met proeven toont hij aan, hoe eigen en levend Gezelle's taal is, ook waar hij vertaalt. Weinig bekend zijn de vertalingen uit Franse schrijvers (o.a. Daudet) en van twee van Cremer's Betuwsche novellen, door Gezelle in zijn Vlaams getransponeerd.
Volkskunde XXXII, afl. 1-3. Jan de Vries vergelijkt de verschillende redakties van De sage van het ingemetselde kind, die door geheel Europa verspreid was: waarschijnlik was een Joodse vertelling de middellike of rechtstreekse bron der Europese volksoverlevering. - Jan Gessler behandelt Een Kindermoord te Hasselt in 1533. - J. Wille geeft een aanvulling bij het artikel ‘Maria Gravida.’ - Een fragment uit een onuitgegeven werk van J. Cornelissen en J.B. Vervliet bevat Spotnamen en spreekwoorden omtrent Vreemde Landen en Volken in den Volkshumor en Spreekwoordentaal. Het eerste gedeelte gaat over de Walen. - V. de Meijere vervolgt zijn Vlaamsche Sprookjes (No. 77-89). - Een aantal boekbesprekingen op folkloristies gebied besluiten de aflevering.
Paginae Bibliographica. No. 8. F. van Es schetst het leven en werk van de Vlaamse folklorist Alfons de Cook met de beoefening van de folklore in Zuid-Nederland als achtergrond.
C.d.V.
|
|
|