Op die bruikbaarheid valt intussen heel wat af te dingen. In de eerste plaats zijn er tien jaren verstreken, waarin gebleken is dat geen van de vele auteurs die de buigings-n lieten vallen, iets voelde voor de aanbevolen ‘middenweg’.
In de tweede plaats zal elk prakties schoolman op bezwaren stuiten. Voortaan zullen woorden als mens, persoon, getuige enz. tweeërlei geslacht hebben. Zal een nauwkeurige speller dan moeten schrijven: de levensduur van de(n) mens? Mej. Westerman zei in het debat dat ze geen ‘voorstander’ was van de vereenvoudigde spelling. Is voorstander nu een vrouwelik woord geworden? En een vrouwelike professor, doktor, schrijver? Hoe moet men het geslacht van een engel, een duivel bepalen, om te weten òf ze al of niet door n's vergezeld moeten worden? Wordt de diernaam hond opeens mannelik als men een man met dat woord uitscheldt? Hoe lang zal men de schoolregel onthouden, dat leeuw en wolf mannelik, maar olifant en hond vrouwelik zijn? Een strenge schoolmeester zal gedurende de schooljaren zulke regels kunnen handhaven, maar daarna loopt het stellig mis. Een nieuwe orde is op zulk een wrakke grondslag niet te vestigen!
Een vraag die ook onbeantwoord blijft in het ministeriële voorschrift is deze: mogen naast de zogenaamd ‘vrouwelike’ woorden, die altijd de bij zich hebben, ook genitieven met der geschreven worden, b.v. het einde der cursus, de bepaling der tijd? Naast: ‘zonder aanzien des persoons’ ook ‘zonder aanzien der persoon’, als het op vrouwen betrekking heeft?
En nu de hoofdzaak: er kan geen sprake van zijn, dat zulke kunstmatige geslachtsregels, die nòch op de geschiedenis van de taal, nòch op het schrijfgebruik gegrond zijn, in een wetenschappelike spraakkunst opgenomen, of bij wetenschappelik onderwijs in ernst gedoceerd worden. De leraren die aan onze Universiteiten opgeleid worden, de onderwijzers die degelik onderwijs genoten op kweekscholen, zullen desnoods door dwang er toe gebracht worden om hun leerlingen deze regels in te prenten, maar dat zij het tegen hun wetenschappelike en pedagogiese overtuiging doen, kan moeilik verborgen blijven, temeer omdat de propaganda voor een betere en afdoende regeling steeds meer veld zal winnen. Hoe kan zulk taalonderwijs dan gedijen!
Een middenweg kan onder omstandigheden aanbevelingswaardig zijn, maar deze middenweg loopt onherroepelik dood.
C.G.N. de Vooys.