De Nieuwe Taalgids. Jaargang 26


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 26. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag / Batavia 1932


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 20]

Wat is stijl?

Honderden geven hier een antwoord; de meesten maken er dan geen kwestie van maar een daad, ze gebruìken het woord stijl; de anderen zeggen wat het betèkent; dat zijn de theoretici, de vaklieden; natuurlik lopen ook hier theorie en praktijk dooreen. Het een en het ander zal worden nagegaan. Daarbij zullen dan de vaklieden, de taalkundigen, een naam krijgen, samen één naam, Jan. Dat klinkt wat rauw; zo vond ik het zelf eens toen ik een gevierd auteur kortweg, op de wijze van de kameraden, Willem hoorde noemen. Maar ik begreep dat toen; tegenover de grote dichter moest de kritikus zich vermannen, en zo iets doet men wel, door z'n objekt te verkleinen, al is het maar in naam. Dat heeft nog een ander voordeel. Behalve de grote dichter heeft Nederland ook de grote bouwmeester, de grote natuurkundige, de grote dirigent, eens zal zelfs de grote filmster komen; de grote taalgeleerde ìs er al, de grote stilist staat voor de deur. Om ondanks al die grote predikaten de zin zuiver te houden, is het goed, de subjekten klein te maken, al is het maar in naam.

 

Eerst enige gesprekken, van niet-vaklieden, want, zei Jan altijd, ‘de leeken maken de taal, de spreek- en de schrijftaal.’

1. ‘Houdt u ook van lezen?’ - ‘Ja, als het boeken zijn van goede stijl.’

Op mijn vraag wat daarmee bedoeld was, kreeg ik namen te horen, uit de ‘literaire’ wereld; maar wat ìn dat literaire ‘de stijl’ was, en ‘de goede stijl’....

2. ‘Waarom heb je dat boek van Flaubert niet uitgelezen? Bevalt je die Mad. Bovary niet?’ - ‘Och, die stijl bevalt me niet; die man dwaalt te veel af; wat heeft die schildering van de paardenmarkt met Mad. B. te maken? En als ik schilderijen wil zien, ga ik liever naar een museum.’

Hier wordt iets duidelik; ‘stijl’ betreft hier de eenheid van het werk, dus iets van de kompositie; en ook slaat het woord ‘stijl’ hier op het karakter van de enkele gedachte; die wordt hier te visueel geacht, een soort ‘Nieuwe-Gidsstijl’.

[p. 21]
3. ‘Heb je dat boek van Dostojewsky al gelezen?’ - ‘Neen, die Rus schrijft me een te verwarde stijl.’

Ook dat begreep ik enigszins; ook mij is D. te vol en te ongeordend, hij maakt me nerveus; hij heeft een nerveuze stijl, zegt men ook wel. Dat las ik ook eens van Paul Adam, òòk ‘een vruchtbaar auteur met filosofiese en sociale tendenzen’. Maar waarom nu beiden een ‘nerveuze stijl’ hebben.... Als men van beiden het ‘nerveuze’ wegneemt, wat blijft er dan als ‘stijl’ over? de kompositie? of de schrijver-zelf? Is dan het woord stijl wel nodig? of is misschien de taal nerveus? Over dezelfde D. als redenaar hoorde ik:

4. Met zijn meeslepende stijl bracht hij de mensen aan zijn knieën.

Dit ‘stijl’ betekent ongetwijfeld ‘taal’; maar waartoe dan dat eerste woord? Wat ‘stijl eigenlik ìs’, werd mij uit geen honderd gesprekken duidelik. Misschien wèl uit geschriften? en dan zeker uit die van de niet zo heel ondeskundigen, de letterkundigen, allereerst de Fransen, de opvoeders van Europa! Over Racine's Plaideurs lees ik:

5. Le style surtout est excellent et court, agile, débordant de verve et de fantaisie.

We verstaan hier, dat eerst een pleidooi-zelf excellent kan zijn en dan, surtout, de stijl; die stijl is dus niet de inhoud, de gedachten, maar de taal; alleen dat ‘fantaisie’ aan het eind zal toch ook wel weer op de gedachte slaan; of is dit misschien niet de eìgenlike gedachte? betreft ‘stijl’ dus iets onwezenliks? Wat zegt de kritikus (Larousse) zèlf van ‘stijl’?: ‘Manière d'écrire....’ Dat komt uit! een ‘nerveuze stijl’ is een ‘nerveuze manier van schrijven’. Alleen ‘van schrijven’? niet ‘van spreken’? Maar dat is een tweede! nu eerst de vraag: Ziet dat ‘manier van schrijven’ niet stellig op de taalvorm? of toch ook op de taalinhoud, de gedachten? Van Condillac heet het:

6. Le style est d'une merveilleuse clarté.

Zou bij zo'n logika-docent de helderheid niet op de eerste plaats de gedachten-zelf betreffen? - Is dat ook in:

7.... Démosthène, en effet, le plus grand orateur de l'antiquité. Son style est un modèle de pureté et de concision.
[p. 22]

‘Concision’ betreft de vorm, ook wel enigzins de inhoud, maar ‘pureté’ betreft bij de Zuideuropeese Fransen de usus, dus hier de vorm. Volgens Larousse dus is de ‘stijl’ uiterlike vorm. - Maar Buffon neemt het precies andersom:

8. Le style n'est que l'ordre et le mouvement qu'on met dans ses pensées.

Die ‘orde’ betreft dus innerlike vorm. Alleen innerlik? Hoe bracht Buffon die orde aan? Naar ik meen stelde hij die vòòr het schrijven vast, onherroepelik. Maar anderen bv. Clémenceau doen het, als de gedachten er al uìt zijn, gehuld in schrift, in taal; dààraan gaan zij dan tornen, dus aan de uiterlike vorm; maar dat betreft dan natuurlik vanzelf ook het innerlik. Vandaar dat die Buffonnisten dan tegelijk vergissingen kunnen herstellen als ‘Een cirkel is vierkant’. En is dat dan ook ‘stijl’? Neen, want ‘vierkant’ en ‘rond’ betreffen niet ‘l'ordre et le mouvement’. Of is hier tòch met ‘orde’ ook ‘woordkeus’ bedoeld? Zeker is, dat voor heel veel stilisten woordkeus als het eerst nodige geldt, vòòr ‘orde en gang’; dat is vooral zo in eeuwen van destruktie.

Wat zou men nog zuideliker dan Frankrijk van ‘stijl’ zeggen? b.v. in Spanje? Uit dat land bracht Sint Nicolaas ons de estilo culto; zo noemden het daar de schrijvers zelf; zich zelf noemden ze dan de cultos, de ‘beschaafden’; dat zal dus allemaal wel zo zìjn. Te vaster rekenen we er op, nu eindelik eens te horen, wat ‘stijl’ eigenlik is. Dat blijkt uit hun geschriften. Die waren volgens Franse en Duitse kenners een pakhuis

9. de metaphores incohérentes, d'inversions forcées.... Häufung gesuchter Bilder die den Gedanken ersticken oder so verdunkeln dasz man Rätsel zu lesen meint.

Hier is ‘stijl’ duidelik taalvorm, want diè ‘verstikt de gedachte’; maar zijn die ‘Bilder’ niet gedachte-zelf? of is er beeldspraak en beeldspraak? Intussen, al wisten we, of stijl hier taalvorm of taalinhoud betreft, dan weten we nog niet waarom die taalkwestie een stijlkwestie moet heten. Schrijven de cultos, de beschaafden, juist niet een beschaafde taal? - Wat zegt onze oude Doorenbos er van?

10..... Estilo culto, een sierlijken en verheven stijl, dien men overal te pas en te onpas zocht in te voeren....

Juist! ‘invoeren’. Nooit hoorde ik ‘gedachten invoeren’, wel appeltjes-van-oranje of Deense boter; dat is allemaal

[p. 23]

materie, in zekere vorm en kleur; en dat begrip ‘uiterlikheid’ zit ook in de verdere definitie van Doorenbos: ‘Bloemrijkheid en allerlei vertoon van geleerdheid, holklinkende phrasen en groote woorden....’ (opmerkelik is de bijvoeging:) ‘in het glanstijdperk van Spanjes letterkunde’! In elk geval is ons nu ìets zeker geworden: bloemen, geleerd vertoon, een volle mond, 't is allemaal vorm, al te duidelik ‘stijl’ in de zin van ‘taalvorm’; misschien is daarom het stijlbegrip beter in Nèderland te vinden, te meer omdat ook dit land een ‘glanstijdperk’ heeft gehad. Eenmaal dus weer thuis, lezen we in een ‘letterkundige’ kritiek:

11. Zij heeft een stijl van schrijven waarvan de eenvoud de grootste bekoring is.

Precies Larousse! ‘manière d'ecrire’. Maar als wij nu eens zonder ‘stijl’, schreven: ‘Eenvoud is in die schrijfster de grootste bekoring’, wat zeiden wij dan minder? Ook citaat 3 kan zo kort: ‘Verwardheid is in die schrijver een groot gebrek’, nòg korter: ‘Die Rus schrijft me te verward’. En is ook ‘een nerveuze stijl schrijven’ niet eenvoudig: ‘met nervositeit schrijven’, ja ‘nerveus schrijven’. Kon ook citaat 6 niet kortweg luiden: ‘Le style est merveilleusement clair’? en blijkt dan dat substantiever ‘clar’ niet overbodig? Maar daar heeft natuurlik het substantief ‘stijl’ niets mee te maken! zeker niet het substantief ‘stijl’, want dat is iets van de ‘spraakkunst’, dus van taal, niet van stijl; ‘stijl’ is allemaal slechts een kwestie van ‘overbodigheid’, hoogstens een min of meer ‘overladen stijl’, een soort ‘estilo culto’. - Maar daarom is het misschien juist goed, even uit dat oogpunt van zuinigheid mèèr gevallen te bezien; de verklaring laten we dan voorlopig aan de studerende lezers over. Kan het in citaat 1 ook luiden: ‘ik lees graag als het goede boeken zijn’? Neen, want in die kortere zin zou ‘goede’ te zeer op de inhoud kunnen wijzen, op het religieuze of politieke, het ‘wèrkelik goede’. Zelfs kan hier niet de langere zin dienen: ‘Ik lees graag als het boeken zijn van goede taal’, dat zou weer te weìnig inhoud hebben. Waarom is ‘stijl’ hier beter? Zit 'm dat hier soms ook in die samengang met ‘goede’? Is ‘stijl’ een ethiese kwestie? in elk geval een waarde-kwestie? Dan is het te begrijpen dat het soms ook iets aestheties betreft:

12. Zijn Vliegende Hollander - hoe schoon ook van taal en stijl - is tooneelmatig een mislukking.
[p. 24]

Die waarde-kwestie lokt nog een andere vraag uit: Is in dit citaat het ‘taal’schoon iets anders dan het ‘stijl’schoon? of zijn die twee samen òòk weer een schoonheid, een ritme? dan kan, voor wie niet van twostep houdt, een van de twee weg. Kunnen misschien beide weg? In citaat 12 niet, want dan zou ‘schoon’ te zeer op iets anders kunnen slaan, wèèr op de moraliteit van het stuk. Kan misschien gèèn van beìde weg omdat ‘taalschoon’ ‘klankschoon’ betekent en ‘stijlschoon’ ‘innerlike eenheid’? Wie weet! laten we voorzichtig zijn met schrappen! Misschien is het woord stijl wèl logies-overbodig in de volgende warme reclame voor Rococo Italië:

13. Dit mooie, in literairen stijl geschreven boek legt men niet uit de handen, voor men het ten einde gelezen heeft.

Als men hier kortweg leest ‘Dit mooie literaire boek legt men enz.’, dan blijft zelfs ‘geschreven’ weg! te begrijpen! een boek wordt niet ‘literair gedrukt’! en tòch.... Is ‘stijl’ misschien een pleonasme en trekt het dan allerlei andere pleonasmen tot zich? nl. ‘schrijven’, ‘manier’, ‘taal’.... Is het woord stijl een spin die andere insekten in z'n net lokt, onredbaar? Dan haalt de mens dat ‘lelike beest’ graag er uit, om het dood te trappen. - Kan hij dat ook in de volgende zin:

14. Boutens heeft een muzikale stijl, Van Looy een plastische.

Niet altijd, want de kortere zin ‘Boutens is muzikaal, Van Looy plasties’ zou weleens kunnen verstaan worden als ‘Boutens is een halve komponist, de schilder Van Looy een halve beeldhouwer’, en het geldt hier slechts muzikale en plastiese ‘taal’. Maar waartoe dat woord ‘taal’ dan weer vervangen door ‘stijl’? Hoùden we zoveel van die spin? ìs het misschien geen spin, maar een zonneplek, die de muggen noodt, er in te komen dansen? - Door die warmte van ‘stijl’ wordt de betekenis nog raadselachtiger, iets half blind, ‘een labyrinth’, voegt Sint Nicolaas er nog bij. Laten we ons eens tot een gids wenden, nog niet voor het labyrint (daar gaan we later eens in!) voorlopig moeten we op de gewone weg geholpen worden. - In een letterkundig tijdschrift dat zich al jaren een gids noemt en het dus wel zal zìjn, lezen we:

15. Wie wèl schrijven kan en bewonderenswaardig goed, is Willy C. Zij schrijft zoo uitstekend dat schier elk zinnetje een belang-wekkenden inhoud krijgt. In dit opzicht heeft haar stijl iets on-Hollandsch universeels, en kon dit boek door een der goede
[p. 25]
buitenlandsche schrijvers geschreven zijn (Ik bedoel hier niet wat den inhoud maar wat den stijl betreft.) Jaargang 1929 blz. 738.

Uit die haakjes blijkt dat de stijlgids aan alles heeft gedacht, zelfs om nà zijn uitleg nog eens apart de bedoèling er van aan te geven; iemand die zo goed z'n onduidelikheid weet goed te maken, zal ons ook wel duidelik maken wat stijl is; het woord is dan ook tweekeer gebruikt. In welke zin? Laten wìj daartoe Schr.'s woorden eens weergeven: ‘Willy C. kiest haar taalvormen zo gelukkig dat schier elk zinnetje een belangwekkenden inhoud krijgt. In dit opzicht heeft zij iets onhollands en kon haar boek door een der goede buitenl. schrijvers geschreven zijn.’ Hier blijkt dus ‘stijl’ ‘persoonlike taalvorm’ te betekenen, maar van het woord stijl zelf blijft in onze parafrase niets over; zelfs het woord ‘schrijft’ verdween. - Lukt zo'n weglating ook, als de ‘stijl’ ‘persoonlike taalinhoud’ betreft? In hoofdzaak wel: ‘Levendig, met gevoel en gloed beschrijft hij enz.’:

16. In levendigen stijl beschrijft hij ons den arbeid van enkele pioniers, ja hij doet dat met zooveel gevoel en gloed, dat men enz.

Zou een akademikus òòk zo aan ‘stijl’ doen? (Al is hij bv. maar historikus, hij is toch tamelik taalkundig, de helft van zijn jeugdtijd verging met vertalen, uit grieks en latijn in de moedertaal, hij is dus een halve Jàn):

17. Daar wist hij (d.i. Fruin) diep te treffen door zijn glashelderen, logisch voortgaanden, met artistieken eenvoud neer geschreven woord. (Pallas Leidensis 1925 blz. 113).

In plaats van dat ‘woord’ verwachtte de lezer ‘stijl’, gezien de voorafgaande mannelikheden. Maar had de zin niet korter kunnen luiden: ‘Daar wist de schrijver diep te treffen door zijn helderheid.... en eenvoud’? (‘clar’, ‘simplici’) Is dit niet reeds pleonasme genoeg? Als toch nog mèèr volheid is gewenst, dan hoeft men er ook in dit geval het woord ‘stijl’ niet bij te doen; immers Schr. zelf gebruikte: ‘woord’. Waarom nu niet ‘taal’? Taal hèèt vaak ‘woord’, vooral op de kansel, en Leiden was oorspronkelik een school voor theologen. Dit is niet zuiver scherts. De Oud-Hollandse ‘Kerk-en-Maatschappij’ werkt nog steeds door, ook in andere ‘stijl’-elementen. Wie bv. Kloos' of Gorter's gedichten hoort voordragen, al is het in een atheïstiese Vereniging voor Kunst, die zal de prèèktoon horen. Dit stijlschoon werd echter in citaat 12 onder ‘taal’ gerubriceerd. Dat niettemin toon en stem tot ‘stijl’ mag ge-

[p. 26]

rekend worden en dat die stijl dan nog andere tonen en stemmen betreft, zal blijken, nu, aan dezelfde akademie als boven, iemand gaat spreken, die zeker niet voor theoloog werd opgeleid (het gaat over Koopmans' opstellen):

18. Zij zijn, in hun beste gedeelten, het werk van een fijnzinnig kunstenaar: een weefsel van bewustheid en onbewustheid. Dit op te merken, is te meer noodig, omdat de stijl, op sommige plaatsen, uiterlijke verzorgdheid mist en opzettelijker geschoolde schrijvers aanleiding konden vinden er op neer te zien. Die slordigheden raken alleen de oppervlakte: zij zijn misschien het teeken dat hem een zekere maatschappelijke, letterkundige, akademische scholing ontbroken heeft: men kan ze wegnemen en dan verschijnt de innerlijke stroom in zijn onafgebroken gladheid en kronkeling als het wezenlijke van zijn stijl. (De Nieuwe Taalgids XXV, blz. 276).

Tot de elementen van die ‘onbewustheid’ rekent Schr. verder afzonderlik ook Koopmans' stem, maar dan een ‘vloeiende’, ‘vleiende’ stem; we hopen eens op dit en andere ‘onbewuste’ elementen terug te komen en dan te doen zien hoe we Schr.'s indirekte bespreking van het begrip ‘stijl’ gaarne aanvaarden, voor de helft als definitie van de term ‘stijl’, voor de andere helft als definitie van een andere term; hier bepalen we ons er toe, Schr.'s bespreking in schema te herhalen: ‘Stijl is uiterlik en innerlik. Het innerlik vooral is iets persoonliks, het uiterlik vooral iets sociaals en dit laatste moet ook anders verzorgd worden. Daaraan schortte het weleens bij Koopmans, o.a. zijn woordkeus en zijn zinsbouw waren weleens slordig.’ Maar waarom moet dan die minder verzorgde taal ‘slordige stijl’ heten? Helaas, de ‘leeken’, zelfs de besten, laten ons maar steeds vragen. Jan zal ons dus niet kwalik nemen dat wij toch tot hèm komen, maar dan ook tot zijn beste zelf, tot zijn oorspronkelikheid. Het latere is niet zuiver meer. Dat b.v. in citaat 17 die historikus zo weinig uiterlik geschoold bleek, kwam omdat hij hoewel hoogleraar een lager-onderwijzer tot vader had. De kranten, o.a. een Amsterdamsche, merken weleens op, dat de demokratie ook de gèèstelike dingen heeft bedorven, zelfs in de elite. Wij zoeken dus de echte geesteswijsheid een halve eeuw terug en wel in Nederlandsche Spraakleer door (Prof.) Dr. W.G. Brill IIIde Deel Stijlleer (Rhethorica, Letterkundige Encyclopaedie en Kritiek). Leiden 1880. Wat is nu ‘stijl’?

19. Stijl noemt men den stempel, door den geest van den auteur op zijn kunstvoortbrengsel gedrukt (§ 2).
[p. 27]

Maar dat stempelen, vervolgt Schr., gaat niet onder het spreken, want dat is maar ‘natuur’ en ‘dat gaat dus met den stroom des levens voorbij’; voor een ‘kunstwerk’ moet ‘de mens zich denkend afzonderen’, dat geeft ‘iets blijvends’: het wordt op ‘schrift’ gebracht, dan is het ‘letterkundig’. (§ 2) Maar dan, zelfs dàn, is het nog geen ‘stijl’! Wel is het dan reeds een ‘voortbrengsel van den zelfstandigen geest des auteurs’ en wel spreekt dan reeds ‘zijne eigenaardigheid’, maar eerst als dit ‘onmiskenbaar het geval is, zoo bezit het letterkundig voortbrengsel stijl’. - En gaat dat allemaal zo vanzelf? Allesbehalve! De stilus, de vroegere schrijfstift, was aan het boveneind er op ingericht mee te helpen, om in dat blijvende geschrift verànderingen aan te brengen; dat waren dan altijd verbèteringen, en ‘naarmate het opstel keuriger was, mocht men onderstellen dat de Schrijver den stilus of stijl meermalen omgewend had’; ‘keurig schrift droeg de sporen van den stijl, hàd stijl’; ‘stijl’ werd synoniem van ‘keurigheid’ ten slotte betekende het: ‘eigenaardigheid des auteurs’ (let wel: ‘onmiskenbare eigenaardigheid’). - En waarin bestonden dan die eigenaardige verbeteringen? Kwamen ze alleen uit de eigenaardigheid van de Schr.-zelf voort, dus niet verder te rubriceren, alleen subjektief? Ze waren in oorsprong objektief, want de zelfkorrektor kreeg modèllen vòòr zich, taal van de uitstekendsten. Van die modellen bestonden twee kategorieën, de twee delen van de Stijlleer, te weten Redekunstige figuren en Literaire genres. Alleen dat tweede, de genres, was iets moeiliks, vandaar dat alleen dààrop aan het slot de ‘Kritiek’ wordt uitgeoefend; er blijken dan nl. mensen te bestaan die in didaktiek weleens schertsen; ook Geel veroordeelde dat eens; bv. ‘Spraakkunst’, verklaarde hij, ‘is droog en moet droog blijven, met het oog op de buiging’. Wij geven toe dat dit een zekere ‘eenheid in het werk’ waarborgt, ‘het genre’. Tegenover al dit zo moeilik werk staat gelukkig het makkeliker: ‘de Rhethorische Figuren’; die hoeft men zomaar uit de zak van Sint Nicolaas te grijpen, nòg makkeliker: Jan strooit de hele schat voor ons uit, de kompleto estilo culto. Zo'n strooi- en grabbelpartij is dus volstrekt niet onbeschaafd, ook de slokpartij ernà niet, want het komt allemaal uit Spanje. Daarenboven is er toch ook een zekere tucht, een behoorlike menukaart, drieledig, precies parallel met de drie uitingen ‘des menschelijken geestes’: 1. oordeel, 2. gevoel, 3. wil, drie nette groepen Rhethoriese Figuren

[p. 28]

(§ 5) en het karakter ervan is resp.: 1. poëtisch, 2. pathethisch, 3. ethisch. - De lezer wil nu direkt opponeren: ‘poëtisch’ ‘oordeel’? In een ander opstel zal ik hierop antwoorden, nu stel ik de lezer voor een tweede verrassing: Jan-zelf gebruikte heimelik het boveneind van zijn stilus voor iets dat helemaal niet in zijn ‘Stijlleer’ stond. Waarvoor? Voor iets dat ons allen nog steeds bekend is als de keurigste keurigheid, nl. de buiging. Van Jan-zelf vernamen wij (maar niet uit zijn stijlleer), dat hij die naamval en dat geslacht zo mooi vond als, ‘de kleuren van de regenboog’, ‘prachtige schakeringen’; hij deed er dus nog enige bij en.... zijn stilus kreeg het druk. Dat was trouwens al zo bij Vondel en Hooft geweest, in ons ‘glanstijdperk’. Over die historiese oorzaak van onze keurigheid nu niet! over het gevolg zullen we het nog weleens moeten hebben, als nl. ‘stijl’ ook ‘buiging’ gaat betekenen; nu reeds de konklusie: Jan vond zijn eigen ‘stijl’ niet goed, zijn oude; hoe staat het met zijn nieuwe, die van onze tijd, aan een nieuwe Akademie? Die ‘stijl’ is misschien niet zo slecht als aristokratiese bladen willen doen geloven. We lezen in de Grondbeginselen van de Schrijfwijze der Nederlandsche Taal door Prof. Dr. Jac. van Ginneken blz. 7:

20. Ongezocht is mij bij elk van die vraagstukken het verband tusschen Kollewijn's Spellingvoorschriften, zijn geslachtsbehandeling èn de onbeschaafde stijl van zijn boeken voor den geest komen te staan.

Dat is ronduit gezegd! En het zal danook allemaal wel zo zìjn. In elk geval is ‘onbeschaafde stijl’ hier onbeschaafde taal evenzeer als de estilo culto beschaafde taal is. Is ‘stijl’ ook eenvoudig ‘taal’ in

21. Bovendien is in de Nieuwe-Taalgidsartikelen zijn stijl verward (Grondbeg. blz. 135).

Dat kan. De Schrijver van die artikelen was een zoeker, net als Dostojewsky en Paul Adam (Citaat 3), ja erger, hij zocht om het plezìer van zoeken en stelde de konklusie uit of ironiseerde die. Maar toen hij eens duidelik moèst zijn nl. toen hem officieel was verzocht, een zeer korte samenvatting te geven voor een groter publiek, toen.... bracht hij meer orde in zijn gedachte en met die inhoud werd toen ook de vorm duideliker d.i. de zinsbouw eenvoudiger en de woordkeus konsekwenter. Was

[p. 29]

nu zijn stijl minder verward? Of zijn taal? of hij-zelf? - Jan schrijft zelf weleens: ‘taal’ en dan met hetzelfde adjektief als ‘stijl’, o.a. als hij iemand wijst op

22. ‘zijn hinderlijke propaganda voor onbeschaafde taal’ (Gr. 134).

Maar moeten wij zijn woorden zo wègen? Ook het woord ‘onbeschaafd’? Mèènt hij het wel zo kwaad? Is er niet vaak hyperbole in het spel, òòk iets van de estilo culto, òòk een soort pleonasme. Dan wordt het duidelik, hoe iemand die afwisselend van ‘vulgaire stijl’ en van ‘vulgaire taal’ spreekt, beide tegelijk schrijft; we mogen dan zijn woorden niet alleen niet wegen maar ook niet tellen (tenzij om het ritme):

23. Ik ken verschillende Vereenvoudigers, die toch hartgrondig afkeerig zijn van alle vulgariteit in taal en stijl (Gr. 8).

Of zit in die twostep toch ook dubbel begrìp? Dat zou in de Grondbeginselen apart moeten nagegaan worden, bij een volledige lezing. Maar Schr.'s stijl eist van mij tienmaal meer leestijd dan die van anderen, want op elke bladzij zie ik mij tienmaal voor de taak gesteld, vreemde stijl van Hollandse te onderscheiden resp. ‘poëties oordeel’ van ‘nuchter’ (‘wetenschappelik’ noemt Schr. dat laatste altijd). Ik kan voorlopig dus slechts enkele toevallige grepen geven, citaten over ‘taal’ en over ‘stijl’; op de eerste plaats zal dan blijken dat ‘stijl’, hoe schandelik soms ook, toch nooit iets is van ‘meer of minder goed’; (we vermoedden dus boven terecht, dat Jan het nooit zo kwaad meent):

24. Wanneer de boer zegt: ‘de koe.... hij,’ dan is dat geene fout. Deze woorden toch drukken volkomen juist de gedachte van den man uit. Maar iemand uit een anderen levenskring, met een ander taalgevoel, tegenover andere hoorders, zal zeggen: ‘de koe.... zij’. Nu mag men niet zeggen, dat de eene zin beter is dan de andere. Het is hier niet een vraag van meer of minder goed, maar van stijl (Gr. 159).

Toch horen die geslachtsvormen niet helemààl tot de ‘stijl’:

25. Het gebruik der geslachtsvormen behoort grootendeels tot den stijl en is dus individueel (Gr. 159).

En welke geslachtsvormen behoren tot de ‘taal’? Die nièt ‘individueel’ zijn? Maar zijn de genoemde wèl individueel? Wanneer de boer zegt ‘De koe.... hij’, spreekt hij dan zo

[p. 30]

omdat hij Teunis is? Jan zegt zelf: omdat Teunis tot zekere ‘kring’ behoort. Is Jan hier half blind, dat hij ondanks die ‘kring’ toch niet ‘individu’ en ‘groep’ onderscheidt? In de praktijk, dat is waar, lopen de twee soms ineen. Zo heet de estilo culto ook gongorisme, naar de uitvinder Gongora; het was dus eerst individueel; zo maakte Van Looy school met z'n Nieuwe-Gidsstijl, de zìjne; anderen zeggen dat Nètscher de eerste meester was; dit bewijst te meer dat de ‘kring’ oorspronkelik slechts een ‘individu’ was. Voor Breero was de Spaanse school kortweg een Jerolimo; nuchter beschouwd is dat een verwarring van ‘groep’ en ‘individu’, maar daarvoor was het ook een ‘poëtisch oordeel’; zo'n oordeel paste in het ‘glanstijdperk’ van onze literatuur in het algemeen; past het ook in het biezonder, als we een glanstijdperk van De Wetenschap beleven? Neen, dan onderscheìden we, een Multatuli-stijl, een Vondel-stijl èn een geleerdenstijl, een boerenstijl resp. individu èn groep. - Een groep vormde ook Kollewijn, en nu wordt het ons duidelik waarom Jan boven sprak van ‘onbeschaafde stijl’, dat is iets dat de persòòn Kollewijn moet tekenen of zijn groèp, en zo is dan ook de estilo culto werkelik een stijl nl. die van een beschaafde groèp of persòòn. Maar waarom dan toch nog apart van ‘onbeschaafde taal’ gesproken? (citaat 22). In zover het nièt tot een persoon of groep behoort? Maar als iemand ‘propaganda maakt voor onbeschaafde taal’, zal het toch wel taal van hèm zijn of van een groep? Of het zou moeten zijn dat hij een vurig dialektoloog was en met een soort Lexicographie propaganda maakte voor losse woorden, door elkaar gespreid als blauwe kielen, zijden petten, poffermutsen, waarvan moeilik direkt te zeggen is van welke persoon of groep ze zijn. - Toch is hier nog wel verschil te maken, nl. onbeschaafde groeptaal kan bedacht zijn (misschien die van Kollewijn) òf natuur; dat laatste is ongetwijfeld met boèrenstijl het geval, die is spontaan, het komt er ‘rond’ uit, of als men wil ‘vierkant’, in elk geval is het iets van het ‘taalgevoel’ (citaat 24); dàt gevoel bewerkt het verschil in ‘stijl’. Maar is het dan geen ‘stijlgevoel’? En zouden we dan het woord taalgevoel niet bewaren voor de gevallen dat de geslachtsvormen nièt tot de ‘stijl’ behoren? (citaat 25). Hoe zit dat toch met die ‘taal’ en die ‘stijl’! Dat gaat Jan nu apart verklaren:

26. De spraakkunst verzamelt en verklaart de taalvormen, de stijlleer behandelt het gebruik er van (Gr. 159).
[p. 31]

Dus de spraakkunst behandelt gèèn taalgebruik? Met ‘het gebruik behandelen’ bedoelt Jan ‘aangeven door welke groep of door welk individu een taalvorm gebruikt wordt.’ We weten nu eindelik wat ‘stijl’ is: ‘taal voorzover die eigen is aan een persoon of groep’. ‘Of aan de situatie’, voegt Jan er direkt bij, want menigeen doet als Cicero: hij richt zich bij z'n spreken naar de hoorder, en die kan dan van grof en van fijn houden. Op wat voor soort hoorders in de Grondbeginselen is gelet? In elk geval is in de theoriè Cicero gevolgd:

27. Of men van een koe hij of zij zal zeggen of schrijven, elders des mans of van den man (of van de man S.), behoort evenzeer tot de stijlleer als de vraag of men zal zeggen: zijn toorn niet langer kunnen bedwingen òf nijdig worden. (Gr. blz. 159).

Een enkel puntje in deze formuleringen is mij niet duidelik; nl. in het laatste citaat gaat het over ‘de vraag of men dit of dat zal zeggen.’ Dus gaat het over een keuze tussen ‘het meer of minder goede’? Volgens citaat 24 mag dat nooit de vraag zijn. Wordt misschien de Nieuwe Jan weleens de oude? 't gebeurt mèèr dat hij in zijn 19-eeuwse vel terug kruipt:

28. Overal, zoowel in het maatschappelijk leven als in de kunst richten wij ons naar de uitstekendsten. (In alles? S.). Het is haast ondenkbaar, dat het in taal en letteren anders zou zijn (Is ‘stijl’ hier ‘letteren’? S.). Zoo hebben sommigen voor de bepaling van het geslacht der naamwoorden het gebruik van Vondel beslissend geacht, anderen dat van den Statenbijbel (Gr. 159).

Van al die teruggang naar een vroeger-eeuws stijlbegrip merken we niets bij de jongere, die konsekwent de weg vervolgt, door Jan in z'n nieuwe leven ingeslagen. Komt hij daar de 19-eeuwse Acket tegen en zegt deze dan:

29. Als ik wil oordeelen of iemand stijl heeft, moet ik hem eerst aan het praten zien te krijgen.

dan antwoordt de 20-eeuwer:

30. Als een boerenjongen op het verzoek, eens wat te vertellen, zegt ik weet niks, dan is dat je ware boerenjongensstijl (De N. Taalgids XXV, 256 e.v.).

Marx begint eindelik sukses te krijgen. In Brill's tijd was ‘stijl’ iets aristokraties; alleen wie schreef kon ‘stijl’ hebben; ‘kon’, want het moest zeldzaam schrift zijn, d.i. met onmiskenbare eigenaardigheid; tegenwòòrdig heeft ook

[p. 32]

stijl wie spreekt, al praat hij zo boers als een boer; zelfs arme doofstommen gaan nu voor Marx een kaarsje branden, want ‘ook wie niks zegt, heeft stijl’.... - Met deze konsekwente betekenis van ‘stijl’ kan ik mij niettemin volkomen verenigen, (dat zal bij gelegenheid duideliker blijken), maar de vèrdere konsekwenties.... Als we aan Schr. vragen of hij dat boerse Ik weet niks òòk ‘individueel’ noemt zoals Jan in citaat 25 verkeerdelik deed, dan antwoordt hij: dat was nièt verkeerd, want het sociale is hoogstens een ingrediënt van het individuele, iets van de persoon in zijn vòlle òmvang:

31. Stijl is het adaequate uitdrukkingsmiddel van de persoonlijkheid in haar vollen omvang.... In stijl is de persoonlijkheid, het subject, primair.

Zelfs daarmee ben ik het als 19-eeuwer eens; al werd ik niet in Manchester geboren dan toch in een Engels gekleurde havenstad, en het element dat het sterkst in mijn opvoeding werkte was iets van de Renaissance. Maar nu weifel ik, nòg verder met Schr. mee te gaan, want nu heeft niet alleen iedereen stijl, maar ook hoeft niemand meer rekening te houden met zijn onderwerp, want zo'n onderwerp is maar een objekt en ‘in stijl is het subjekt primair’. De 19-eeuwer bleek dus tegelijk nog een echte antieke toen hij in epos en klucht ‘stijl’ onderscheidde. Had hij zich meer een Renaissance-man moeten betonen? een verheerliker van het individu, zèlf een individu en niets dan dàt, met voorbijzien van alle groepen en genres? Maar het is een feit dat juist sinds de Renaissance het aloude groepskarakter toenam en het middeleeuwse ‘Allen gelijk (voor God)!’ zo afnam. Hielden dan toen individu's op, als zodanig gelijken te zijn? En is het ook niet vreemd, dat wie tans àlles zo ‘individueel’ acht, juist zo'n nadruk legt op ‘boerenstijl’ en andere groepstijlen? De tegenstelling ‘individu en groep’ prakties goed te begrijpen, schijnt geen hapje te zijn; ook de tegenstelling ‘individu-gemeenschap’ te begrijpen is geen grijpen en eten; ook voor allerlei andere tegenstellingen staat onze 20ste eeuw verlegen. Elders maakt men voor het gemak van de twee één. Met de knuisten, of met het geweer. Zijn we met het hoofd onbekwamer dan ooit? Is ‘synthese’ een utopie gebleken? In zake subjekt en objekt lijkt mij in het volgende de synthese nog niet bereikt, ook niet in zake een tweede gewichtige tegenstelling: eigenheid van de subjekten en onderlinge invloed:

[p. 33]
32. Het geheele verschil tusschen de oude en de nieuwe opvatting komt neer op de verplaatsing van het gezichtspunt van het object naar het subject.... Stijl en menschen zijn één.... Tusschen persoonlijkheid en gedachte bestaat geen medium en geen tusschenruimte. (Ik spatiëerde. S.).

Vooral dit ‘geen’ zag Geel voorbij, - vervolgt de Schr. ongeveer, - toen die Leidenaar zich als een soort korrektor plaatste tussen de schrijvers van zijn tijd en hun werk; zelfs de pedant had hij met rust moeten laten, de pedant en zijn werk is één; juist omdat hij zo van elders ontleent, van Spanjaard en van Vondel, daarom ìs hij een pedant en moet hij het blìjven; dat is zijn ‘stìjl’, zìjn stijl! Men moet hem geen andere ‘opleggen’, het pedante is zijn ‘natuur’, (en wìj vervolgen, steeds verder:) zoals coquetterie de natuur is van de coquette, al bedient ze zich van de geraffineerdste kultuurdingen; trouwens ook kultuur is natuur, alles is natuur, ‘und sonst gar nichts’.

Maar nu zijn we in een gelegenheid beland waar Jan ons niet zien mag, al is het juist een kollega van 'm die daar een hoofdrol vervult. - Gaan we naar een waardiger milieu! weliswaar niet meer van vaklieden maar toch van de uitstekendsten, de hoogste overheid. De Voorzitter van de Tweede Kamer aanvaardde zijn ambt met deze woorden:

33. De beslissingen die hier vallen, zijn van de grootste beteekenis en dus is het ons aller plicht, dit hoge kollege in voornaamheid en stijl ongerept te houden.

Hier is ‘stijl’ wel degelik ‘een zaak van meer of minder goed’ (citaat 24) nl. van meer of minder ‘voornaam’; de hamer houdt dit uiteen. Maar tegelijk is ‘stijl’ hier een zaak van ‘eenheid’. In de zaal van de Tweede Kamer is de stoffering van tafels en zetels ‘in stijl’, de éne kleur (groen) waarborgt zekere eenheid in aller werk, gericht op één belang, alles toevertrouwd aan één bestuur, één regering. Nu de regenten meer kameraden worden, ja zonen van de éne wereld, nu komt er gezìnsstijl. De Voorzitter handhaaft de oude, de landsstijl; de eerste is geen ‘ongerepte stijl’ zegt hij; dit slaat ongetwijfeld ook dààrop, dat het gangbare begrip ‘stijl’ geen synoniem van ‘gekibbel’ is. - Vat ook een Minister het woord zo op? Die van Financiën:

34. De ondergetekende acht nieuwbouw niet een verwerpelik germanisme. Ook indien dit woord in de Duitse taal niet bestond, zou het in deze tijd - nu stijl en woordvorming minder
[p. 34]
omslachtig zijn dan een zestig jaar geleden - in de Nederlandse taal gebezigd kunnen worden.

‘Stijl’ betekent dus nièt ‘woordvorming’ maar: ‘taal uit het oogpunt van woordental’; wel is het waar dat de redevoeringen sinds zestig jaar veel langer werden en de studieen wetboeken dikker, maar dan betreft ‘stijl’ niet uitsluitend taal maar alle ander werk, uit het oogpunt van ‘stof’ en ‘komposite’. Bepaalt men zich tot ‘taal’ in strikte zin, dan heeft Z.E. soms1) gelijk, en dan handhaven wij onze mening dat zijn ‘stijl’ de ‘kwantiteit’ betreft; daarom spreekt men ook van ‘telegramstijl’, ook van estilo culto, want hier is de kwantiteit zelfs dubbel: het is ‘taal met grote hopen’ en ‘taal voor de grote hoop’. ‘Omslachtig’ noemt dat de Minister; aan zijn departement zou men het ook ‘verkwistend’ kunnen noemen, geen Vereenvoudigers-taal.

Hoe houdt de làgere Overheid taal en stijl uiteen? hoe is het nl. op de scholen gesteld? Lezen wij de officiële rapporten!

35. Verscheiden opstellen hadden een te lange of te overbodige inleiding. Grove taalfouten kwamen gelukkig weinig voor, maar de stijl was in vele gevallen slecht verzorgd.

‘Stijl’ is hier wel duidelik een kwestie van ‘meer of minder goed’, evenzeer als ‘taal’; maar denk nu niet dat min of meer verzorgde taal (d.i. taal zonder fouten) ‘stijl’ heet, de stijl is zèlf min of meer ‘verzorgd’. Hoe dat allemaal te verstaan? Maar een ernstiger vraag! Waar hoort ‘de inleiding’ bij? Is ‘kompositie’ een dèrde? - Een volgende schrijft:

36. De klachten over het onderwijs in de moedertaal betreffen niet alleen fouten tegen de spelling en de buiging, maar ook tegen de woordkeus en stijl.

Is nu ‘wòòrdkeus’ een derde? Weer een ander stijlkundige:

37. Stijl en spelling waren in een groot aantal opstellen zeer slecht verzorgd.

Hoort buiging nu bij de spelling, samen ‘taal’? of hoort buiging bij ‘stijl’? Ook dat kan. De oude Jan gebruikte het platte eind van zijn Stilus vooral voor buiging en de nieuwe Jan rekent in den diepsten diepsten grond ook spelling tot ‘stijl’. Zal ons hier een rapporteur wel ooit wijzer maken? Jan beveelt

[p. 35]

ons iemand aan als ‘een kalm en rustig mensch’ (Gr. 170); welnu, die dubbele kalmte zal zeker het kluwen ontwarren:

38. Dikwijls is het opstel (van gymnasiasten zesde leerjaar!) een kinderachtige inhoud zonder eenig samenstel, in een onbeholpen stijl zonder pit of fut en een arme slordige taal. (Leidsche Bijdrage I).

Is nu dat ‘samenstel’ iets anders dan ‘stijl’? en is de ‘onbehòlpenheid van de stijl’ iets anders dan ‘de pitloosheid’? en is ‘slordigheid’ alleen iets van ‘taal’? Een en ander is uit de geschriften van die rapporteur niet op te maken, want hij zegt bijna alles dubbel. Als echte 20-eeuwer verwaarloost hij de genres. Zijn ritmies proza zou voldoen in een ‘roman’, maar, in een didakties geschrift doet het zeer onrustig aan, ja het slaat lam, want de lezer weet nooit of hij één of twèè begrippen moet vasthouden. Daarenboven, aan dezelfde akademie heet bij een ander docent ‘slordige taal’ juist ‘slordige stijl’ (citaat 18), al blijft het voor hem ‘uiterlike stijl’.

Met hem is het, in ander opzicht, de volgende rapporteur eens, het ‘vloeiende’ geluid behoort tot de ‘stijl’, maar, wèèr met een ander, meent hij, dat het ‘taal’ is:

39. Fransche opstellen moeten voldoen aan degelijkheid van inhoud en vloeienden stijl. De candidaat moet daarin blijk geven dat hij zich gemakkelijk en vloeiend in de Fransche taal kan uitdrukken.

Wat zegt de nòg lagere overheid, niet de examinator of gedelegeerde, maar de onderwijzer en de leraar? Dààr komen we klaar! altans op het ene boekje staat niets dan ‘Taal’, op het andere niets dan ‘stijl’.

Taal’ is dan in hoofdzaak spelling en buiging. Vandaar dat sommige onderwijzers ‘beslist niet weten wààrmee de kinderen die eenmaal kunnen spellen, nog mee bezig te houden, als de verbuiging zal zijn afgeschaft’; ten minste in het taaluurtje. Stijluren zullen er altijd nog te weinig zijn, want Stijl is in hoofdzaak woordkeus, en onze Woordenschat is onuitputtelik, op dàt punt kan de Nederlandse gulden nooit omlaag. Die ‘Lexikologische Oefeningen’ bestaan bv. in Vul in met ‘zinloos’ of ‘zinneloos’, zeer terecht! Maar er zijn er ook die vakkennis betreffen o.a. rekenen. Zo is bij Acket1) een ‘Stilis-

[p. 36]

tische Oefening’ de vraag ‘Kent gij nog andere cijfers dan Arabische’? en Rijpma laat invullen met Kapitaal, Kapitool en Kapiteel. Bij het voortgezet onderwijs, zou men menen, wordt die les in Woordkeus overgenomen door de verschillende vakleraren; de waarheid is, dat dan die ‘Stijl’-oefeningen toenemen. Immers geen enkele vakleraar kan àlles geven; daarenboven worden sommige vakken alleen aan hogescholen gegeven, Leiden Delft, Wageningen, Rotterdam. In stijlboekjes krijgt dus ‘kapitaal’ een hele vracht termen naast zich in een § over Handelsleer; ‘koers’ krijgt een vijftigtal woorden naast zich onder de rubriek Beurstermen, elders krijgt het een ton termen naast zich onder Scheepvaart. De histories gevormde leraar begrijpt het nu zèlf al: Diderot's droom is in vervulling gegaan: Onderwijs is Encyclopaedie geworden en de Stijlmeester is haar profeet. Stijl is daartoe van de Belletrie naar de Wetenschap verhuisd en naar de Zakenwereld. Nu wacht de Stijl nog mèèr: ‘het Verstaan van het Gelezene’. Bv. voor het gedicht De Ganzen van Bogaers wordt bij de versregel ‘De boer met zijn zweep door de lucht Trof een der ganzen in de vlucht’ de volgende reeks vragen gesteld: Wat beteekent hier in de vlucht? Hoe zoudt gij omschrijven: op de vlucht slaan, een hooge vlucht nemen, een vogel in de vlucht schieten; een vlucht vogels; de vlucht van een adelaar; vluchtig; vluchthaven; vluchtheuvel; vluchtoord? Zo krijgt elke versregel een flinke beurt, en aan het slot: ‘Geef nu zo eenvoudig mogelik den inhoud van dit gedicht weer!’ (Stijloefeningen, zevende druk, blz. 40-44 Noordhoff - Groningen).

Een ‘Opstel’ is nìet zo ‘eenvoudig’; daarvoor moet eerst ‘Stijl’ weer naar de Belletrie terug en dan kan een derde Lexikologiese oefening gaan beginnen, een aanval op de zak van Sint Nicolaas, nl. op de ‘fraaie uitdrukkingen’, met en zonder ‘beeldspraak’. Een leerling van talent kan het dan eens tot taal brengen als de volgende: ‘Het is mijn plicht er met allen aandrang voor op te komen dat het behoud der geslachtsonderscheidingen als een kostbare edelsteen in de rijke kroon onzer moedertaal die de Nederlandsche Maagd om het voorhoofd draagt, voor geen drang van haastige wetenschap mag verkwanseld of gedisqualificeerd worden’ (Gr. 138). Hier kwam niet alleen stijl in de zin, omgekeerd kwam de zin ook ‘in stijl’, bij de verdeling van al dat moois hoorde ‘aandrang’, ‘haast’, ‘drang’, ‘behoud’, ‘verkwanselen’.

[p. 37]

Jan heeft z'n zin gehad, we zijn bij ‘de leeken’ gaan zien, wat ‘stijl’ betekent.

Toch ook bij Jan zelf?

Zijn terminologie heeft mij niet bevredigd, in dezen kan een werkman hem leren. Als iemand op een timmermanswerkplaats ‘zo'n smal ijzeren plaatje’ komt vragen ‘met schroefgaatjes erin, zo'n rechthoekig, om achter op een schilderijlijst de hoeken hechter te maken’, dan zegt de baas: ‘O, 'n deurhoek!’ Dat maakte hij op uit het verbànd van al die woorden. Volgens een taalwet immers ‘blijkt de woordbetekenis pas uit het verband’. Gelukkig voor de timmerman! in dit lèkengeval! in het vàk heerst een andere wet nl. dat ‘elk woord z'n betekenis zèlf moet dragen’; dan is het een tèrm, vakwoorden zijn termen, o.a. ‘deurhoek’; met dat woord korrigèèrde de timmerman de leek. Voor een ander geval heeft hij de term ‘stoelhoek’ en zo kent hij voor elk geval één woord waarmee telkens de betreffende differentiëring in de praktijk, volkomen is genòemd; ‘volkomen’, want, dank zij die term, verstaan de lui elkaar best, en.... dank zij de kòrtheid van die term, hoeft bij eventuele gedachtenwisseling omtrent het werk het werk-zelf niet stil te liggen; als echter de leek binnenkomt, voor ‘zo'n ijzeren plaatje enz.’, dan luistert de hele werkwinkel als naar een roman.

Naar zo'n roman hebben wij nu ook geluisterd. Niet dat het de term ‘stijl’ aan kortheid ontbrak; maar ook het woord plaatje is kort genoeg, daarom juist voegde de leek er nog heel wat aan toe. In het vak Taal vertrouwt men alle verduideliking aan het woordverband toe; in dat vak is de wet van het woordverband zò goed bekend dat men het er maar bij hoùdt, ja er nog drukker gebruik van maakt dan de lèèk in de taalkunde; het kennen van de vakman is hier tegelijk volkomen kunnen, de geleerdheid vakkundigheid, het woord een term.... Ja, ‘stijl’ is wel kort, nog korter dan ‘deurhoek’; helaas mist het de begrensde betekenis! Boven bleek ‘stijl’ één woord voor allerlei gevallen en.... daarom dikwels voor geen enkel geval, immers was ‘stijl’:

1o.een woord dat vaak logies overbodig bleek;
2o.een woord dat bijna altijd alleen taal betrof maar steeds verschillend wat de taalelementen aanging, nu dìt element en niet dàt, nu dàt element en niet dìt, nu één dan meer elementen, dan weer alle elementen, of ook wel alle op één na;
3o.soms betrof ‘stijl’ niet alleen de taal maar ook kunst-
[p. 38]
werk in het algemeen en dan ging het over de kompositie of de eenheid; dit laatste ook als het niet kunst maar natuur gold, hetzij taal of gèèn taal.

Dat dit alles, onderwerp èn elementen èn oogpunten, eenvoudig ‘stijl’ is, is een echte Franse slag, een kunst van Jan en Alleman. Van de ‘grandioose vordering der taalwetenschap’ (Gr. 5) heb ik hier nooit iets gemerkt; bij hare aankomst te Z. lijkt mij ABC gemist. Dat begin heb ik eens ernstig gezocht. Ik was toen, niet zo jong meer, in het vak Taal geworpen, d.i. zonder voorbereiding. Wel had ik toen al heel wat over taal nagedacht, maar alleen in het ogenblikkelik belang van mijn denk- en schrijfpraktijk. Maar nu moest ik het systematies gaan doen, met besliste formuleringen, even menigvuldig gedifferentiëerd als de gevallen in de praktijk, en de scherpe terminologie zou mij bij een eventuele gedachtenwisseling met kollega's helpen. Hoe gelukkig, dat ik dat alles maar behoefde te hàlen, bij Jan!.... Helaas! in z'n boeken was het me, of ik een latijns gedicht las over ‘Het Land, het Water, de Lucht en het Vuur’; wat heeft iemand daaraan, die chemie heeft geleerd! Wat heeft iemand aan een verhandeling over De Spreektaal en de Schrijftaal, die heeft ingezien, dat bijna alle elementen die het ziel- en taalleven telt, kris-kras door de geschreven en de gesproken taal verspreid liggen1). Zo is het nu ook met de termen Taal en Stijl. Vooral hier hebben Jan en Piet gemakkelik vechten; na honderd geweldige slagen van weerszij valt nog aan geen enkele zij een druppel bloed: de wapenen ontbreken, de gedifferentieerde terminologie. Dat is niet alleen in zake ‘taal’ en ‘stijl’ en ‘spreek’- en ‘schrijftaal’. ‘De stijlleer behandelt het taalgebruik’ zegt Jan (Gr. 159). Wat is ‘behandelen’? Wat betekent ‘taalgebruik’? wat betekent ‘betekenen’? hoe dat allemaal te onderscheiden? Wat ìs ‘onderscheiden’? Geslachtsverschillen noemt Jan zòmaar geslachtsonderscheidingen; waarderingsgraden ‘waarderingsonderscheidingen’; die worden ‘gevoeld’ (Gr. 138). Zijn de kleuren van de regenboog ‘onderscheidingen’? Zijn ze dat werkelik? Of wòrden ze dat, bij het denken en spreken, dus in taal?

[p. 39]

Wat ìs ‘taal’? wat is daartegenover de ‘werkelikheid’? En wat is ‘min of meer goede taal’? En worden àlle ‘schakeringen’ in de werkelikheid, tot ‘onderscheidingen’ in de taal? of vele alleen in de taalwaarneming? En wat is dan waarneming? Hoe wordt bv. in de Kleuterroman waargenomen? hoe blijkt dan wat dit of dat kinderwoord betekent? En wat betekent taalgevoel? Jan spreekt bij iemand die jaren getraind werd in de geslachtsonderscheidingen evenzeer van taalgevoel als bij de boer, ja uit zo'n bedorven ‘proefpersoon’ zuigt hij voor ons een geslachtstheorie en a's men zich daar van afwendt, dan berooft men ‘de kroon onzer moedertaal’ van een ‘edelsteen’! Waar de beschaafde stijl al niet goed voor is!

Ik geef toe, dat een eventuele wording van de terminologie niet vlot zal gaan; ten eerste is taal ‘ons aller moedertaal’ en moeder wordt nooit vakman zomin als ‘wij allen’; verder is taal geen materieel vak en ten derde is eenheid onder de kollega's niet zo nodig, een katastrof hoeft nooit gevreesd te worden. Als een architekt en een metselaar elkaar zouden misverstaan, kon weleens een vers gewelf instorten! Als een kultuur gaat vallen, begint het ook met geld en publieke huishouding en uit de materiële kunsten verdwijnt dan de vormkracht; eerst later blijkt, hoe het ook allang in de geestesdingen mis was: hemels gepraat, gevoelvolle staatkunde, oekonomie van Utopia, allemaal belletrie die de materiële wereld in de war stuurt. O, 't is zo moeilik, logies te zijn buiten de werkwinkel! Als in een geestesvak als Taal de terminologie zich zal verscherpen en wel langs wegen van overeenstemming, dan zal het aan de Logika te danken zijn. Daarbij hoeft Gevoel geen misdeelde te worden, zomin als haar oudste dochter Belletrie, maar men moet vader en moeder, zo niet scheiden, dan toch onderscheiden en zo elk het zijne geven. Daarvoor hoeft men geen apart kollege in Logika te volgen, zoals Jan het ons gaf (Gr. 161); het scherpe denken kan in het taalvakzelf gebeuren nl. door te zien wàt er in de praktijk van het betreffende taalgeval logies is, wat gevoels werk. Dit zal nader blijken als we de twee in een algemene beschouwing gaan vergelijken en dan met allerlei biezondere gevallen o.a. met ‘Stijl’ en met ‘Schrijftaal’ zullen bijlichten. Dan zullen weer de citaten benut worden die boven werden opgenomen en reeds daar in de richting werden gestuwd van ‘Interjekt contra Intellekt’.

Ph. J. Simons.