De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag / Batavia 1934


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Kroniek en kritiek.

De seksuele n bij gemeenslachtige substantieven. Woorden die een mannelijk individu aanduiden krijgen voortaan officieel het voorrecht om door een naamvals-n begeleid te worden. Deze regel lijkt eenvoudig, maar leidt tot moeilijkheden bij de zogenaamde ‘gemeenslachtige’ substantieven. Men zal zich herinneren dat de oude grammatika daaronder verstond: de substantieven die zowel een mannelijk als een vrouwelijk individu konden aanduiden, en dus beurtelings mannelijk en vrouwelijk waren, b.v. bode, getuige, gast, gids. Zelfslachtig zijn die diernamen, die altijd òf mannelijk òf vrouwelijk zijn, onafhankelijk van de sekse; zelfs als de sekse nadrukkelijk aangeduid wordt, veranderde dat geslacht niet: een wijfjesolifant bleef mannelijk, een mannetjes-muis bleef vrouwelijk.

Kritiekloos heeft men dat lang aanvaard, zonder zich bewust te zijn hoe hier sekse en genus door elkaar gehaspeld werden. Het lijkt rationeel: bij mensen heeft de sekse de voorrang; bij dieren het oude genus. Maar dat gaat niet op, want bij woorden als mens, geest, engel, bij beroepsnamen als dokter, arts, advokaat, lector, professor ging het oude genus weer boven de sekse. Inkonsekwent is, dat aan persoon weer een dubbel geslacht toegekend werd.

[p. 379]

Volgens Van Ginneken's beginsel zal voortaan de sekse de beslissende factor zijn. De bovengenoemde beroepsnamen worden dus alle gemeenslachtig. Hoe nu te handelen wanneer het geslacht niet blijkt, b.v. ‘het geraamte van de(n) mens’, ‘de plichten van de(n) arts’? Men heeft gezegd: dan gaat, volgens de oude regel, het mannelijk vóór het vrouwelijk. Dat betekent eigenlijk: dan geldt het oude genus, zodat dan het nieuwe ‘beginsel’ weer verloochend wordt! Als criterium heeft men aan de hand gedaan de aanduiding met hij. Bij mens gaat dat op, bij arts is het al twijfelachtig; bij persoon zal men nòch hij nòch zij, maar eer men gebruiken, b.v. ‘Voor iedere(n) persoon moet een bepaald bedrag gestort worden.’ ‘Hoeveel moet men (niet: hij) dan betalen?’

Volgt men de andere weg, en schrijft men dus geen n wanneer de sekse niet blijkt, dan zouden b.v. alle veeartsen plotseling in bepaalde omstandigheden hun n verliezen, zodra de eerste vrouwelijke veearts in funktie kwam. Men ziet: er is geen ontkomen uit de impasse, om de eenvoudige reden dat deze gehele reglementering met taalkunde niets te maken heeft. De kunstmatige regel, hoe ook toegepast, zal op den duur onhoudbaar blijken.

Wij willen intussen wijzen op een niet denkbeeldig gevaar, nl. dat door het regeringsvoorschrift in sommige kringen de opvatting zou ontstaan dat deze naamvals-n ook ‘uitgesproken’ moet worden. Dan zou men in dezelfde dwaling vervallen als de schoolmeesters in de dagen van Siegenbeek, die daarvoor door Bilderdijk afgestraft werden. Als men zal moeten schrijven: op de muur, maar van den man, dan betekent dat niet, dat het lidwoord in die gevallen verschillend klinkt: den blijft, als te voren, een schrijfvorm voor de.

De ministeriële voorspelling dat de overgebleven den's geleidelijk zullen verdwijnen, is niet gewaagd. Het onderwijs zal ze handhaven, maar daarbuiten staan ze nu reeds aan grote afbrokkeling bloot, deels uit slordigheid, maar ook op grond van de overtuiging dat de n voor het algemeen taalgebruik wetenschappelijk onverdedigbaar is.

Maar komt men door alle naamvals-n's te ‘verwaarlozen’, niet in botsing met officiële grammatische regels? Men zou de tegenvraag kunnen stellen: als afwijking in 90 % van de gevallen geoorloofd wordt, waarom dan niet in de laatste 10 %? Gewichtiger is de opmerking dat de enige door de Regering uitgevaardigde, wettelijk erkende spraakkunst, in 1805 werd samengesteld door Weiland. Aan de buigingsvormen, door deze spraakkunst

[p. 380]

gebiedend voorgeschreven, houdt niemand zich meer, ook de regering niet.

Vóór vijftig jaar was het geen vraag of er een algemeen erkende spraakkunst bestond. De geslachtsregeling en de naamvalsleer bij Cosijn-Te Winkel of Terwey berustte inderdaad op de toenmalige ‘schrijftaal’, door alle auteurs in acht genomen. Sedert is er wel iets veranderd. Wie het goed recht van de oude naamvalsleer ontkent, behoeft zich niet alleen te beroepen op de regels die op het beschaafde spraakgebruik gegrond zijn. Een moderne spraakkunst is ook te baseren op een modern schrijfgebruik - als men wil op een moderne ‘schrijftaal’. Is dat een minder ‘achtbaar’ gebruik? Natuurlijk is het een gebruik van een minderheid, maar daarom is het niet minder van gehalte: er zijn dichters, romanschrijvers, geleerden van betekenis, voortreffelijke stilisten, zowel in Noord- als in Zuid-Nederland, op wier taalgebruik een spraakkunst berust, die op belangrijke punten - wat geslacht en buiging betreft - van de tot voor. kort gangbare afwijkt. Hoe meer jongeren zich naar deze norm richten, hoe eer ook het onderwijs verlost zal worden van een kunstmatige, onhoudbare geslachtsregeling.

C.d.V.