De Nieuwe Taalgids. Jaargang 29


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 29. J.B. Wolters, Groningen / Den Haag / Batavia 1935


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 89]

Boekbeoordelingen.

Dr. K.H. de Raaf, Willem Kloos. De mensch, de dichter, de kriticus. (Velsen - Schuyt - 1934). Prijs f 5,90.

Een biografie van een levend auteur blijft een hachelijk werk. Aan onderschatting of overschatting ontkomt de tijdgenoot niet licht. Sympathie, in de ruimste zin van het woord, is een eerste vereiste voor de biograaf: daarin ligt de bron van studielust en toewijding. Maar vriendschap, evengoed als liefde, maakt soms blind. Hiermede is reeds de sterke en de zwakke zijde van dit boek aangeduid.

Onbekende levensbiezonderheden waren nu nog nauwelijks te wachten, maar bij een schrijver die zo vaak over zich zelf spreekt, vindt men allerlei in zijn werk verspreid. Alleen moet een kritisch biograaf niet te goedgelovig dramatisch ingeklede levensherinneringen uit een ver verleden als historische waarheid opvatten1).

De compositie van dit werk is niet geheel bevredigend. Na de levensbeschrijving tot 1894 (Hoofdstuk I-VI) volgt een enigszins bont intermezzo (VII-IX); eerst daarna de beschouwing over verzen en proza tot 1894 (X-XIII), terwijl het laatste deel het werk sedert 1894 behandelt (XV-XVII). Even dankbaar als de taak is om Kloos te schetsen in zijn grote betekenis voor dichtkunst en kritiek in de eerste Nieuwe-Gids-periode, even ondankbaar is het vervolg. Hier wordt de biografie en de ontleding van het werk tot een apologie. De Raaf houdt vol dat de verwording en achteruitgang sedert ± 1894 een ‘legende’ is, verspreid op het gezag van Verwey en Van Eeden (blz. 242) en sedert gedachteloos nagepraat. Hij betoogt dat Kloos zich is blijven onderscheiden door ‘onfeilbare zuivere smaak’, dat zijn talent, zijn ‘onverzwakt meesterschap’ steeds meer gerijpt is, en zijn dichterlijk werk in betekenis toegenomen. Hier en daar toont hij wel twijfel en voorzichtige kritiek2), maar deze worden overstemd door uitbundige lof. De schrijver had zijn betoog kunnen versterken, als hij de ‘stilistische methode van literatuur-

[p. 90]

onderzoek’ niet alleen in het eerste gedeelte (XI en XIII), maar ook na 1894 had toegepast. Nu neemt hij aan, met Kloos, dat de Voorrede van 1882 achterstaat bij rijper proza uit de laatste tijd (blz. 180). Gedachtig aan de leuze ‘vorm en inhoud zijn één’, zou hij geconstateerd hebben hoe de kunstig gebouwde perioden van 1882 uiteen vallen1), hoe de muzikale jeugdverzen scherp contrasteren met het stroeve vers, met vreemde enjambementen en gezochte rijmen in de Binnengedachten2). Is niettegenstaande dit alles zijn stijl ‘in wezen dezelfde gebleven’? (blz. 254). De Raaf's uitspraak: ‘Toen Kloos uitgesproken was, heeft hij, zooals behoort, gezwegen’, (blz. 235) laat hij gelden voor de poëzie tot 1923. Menig lezer zal geneigd zijn, deze termijn te verlengen, op gevaar af van door De Raaf niet tot de ‘degelijke lezers’, maar tot de napraters gerekend te worden. Of zijn boek velen bekeren zal, valt ernstig te betwijfelen. Een ‘standaardwerk’ heeft hij stellig niet geleverd; wel een boek met veel wetenswaardig en bruikbaar materiaal voor degenen die het leven en het werk van Kloos in biezonderheden willen leren kennen.

 

C.G.N. de Vooys.

Dr. Catha Ypes, Petrarca in de Nederlandse letterkunde (diss. A'dam), Uitgeversbedrijf De Spieghel, Amsterdam '34.

Besprekingen van dit proefschrift las ik in het Weekblad voor gymn. en middelb. onderwijs van 10 Oktober (Jrg. 31, nr. 6) en in het avondblad van de N.R. Crt. van 30 Oktober. In beide kritieken wordt er over geklaagd, dat Mej. Ypes zich niet voldoende heeft weten te beperken, niet voldoende het belangrijke van het onbelangrijke heeft weten te scheiden. Niet zonder stekeligheid is de opmerking van P.H. Schröder in het Weekblad, dat gezegd kan worden ‘dat wie thans inzake de bekendheid van Petrarca's naam in Nederland ingelicht wenst te worden’ het boek van Mej. Ypes moet raadplegen. De heer Schröder viel er vooral over, dat Mej. Ypes enkele regels uit een lofdicht van Peeter Custodis voor Houwaert's Pegasides Pleyn aanhaalt enkel en alleen, omdat aan den lofdichter, wanneer hij Houwaert

[p. 91]

wenst te vergelijken met de allergrootste poëten, als zodanig te binnen schoten: Homerus, Virgilius en Petrarca. Nu begrijp ik wel, waarom Mej. Ypes meende, dit lofdicht niet van het menu te mogen schrappen. Want er valt nog wel een konklusie uit te trekken aangaande de ontwikkelingsgang van de belangstelling voor Petrarca te onzent. Namelijk, dat men in de tweede helft der 16de eeuw algemeen begon te weten, dat Petrarca een groot dichter was, terwijl voordien alleen zijn latijnse proza-werken Petrarca roem bezorgden. Deze konklusie trekt Mej. Ypes, die zeker niet de gave mist van logies te kunnen betogen, dan ook hieruit, na een paar andere dergelijke gevallen genoemd te hebben. Beter ware het allicht geweest, als Mej. Ypes deze konklusie in een doorlopende tekst had kunnen opnemen en de bewijsplaatsen in een noot had opgegeven.

De kritikus van de Nieuwe Rotterdammer, die zich tekent H.v.d.W., had het maar veiliger gevonden als Mej. Ypes ‘zich bepaald had tot een zuivere registratie, m.a.w. een sobere bibliografie.’ Ik ben er echter dankbaar voor, dat de schrijfster niet op deze wijze vele moeilijke klippen omzeild heeft. Dan zou haar boek zeker een droge opsomming geworden zijn, wat het nu - ondanks de uitvoerige en niet-artistieke opzet - ten enenmale niet is.

De invloed via het frans en die regelrecht uit het italiaans heeft Mej. Ypes zo veel als doenlijk uiteengehouden; treffende opmerkingen heeft zij gemaakt over het onderscheid tussen de navolging van Petrarca en het Petrarquisme. Het Petrarquisme heeft een grote verering voor den persoon van Petrarca, maar verandert de platonisch-ascetische strekking van het Canzoniere in een meer epicurisch-levenslustige. Ook Hooft heeft hieraan meegedaan, zoals blijkt uit het sonnet ‘Wt Petrarca gevolcht’: Indien mijn leven sich soo lange can verweren1).

Het bijeenzoeken van vertalingen van een bepaald schrijver, is altijd een lastig werk. Men bladert allerlei boeken door, zodra men maar een geringe aanleiding heeft om te geloven, dat zij misschien een vertaling zouden bevatten, maar vaak zijn die vertalingen ook langs een kronkelpad der redenering niet te benaderen. Zij worden het beste gevonden als men er niet na zoekt. Ik ben dan ook in staat een drietal Nederlandse vertalingen van sonnetten uit het Canzoniere te noemen, die op de lijst die Mej.

[p. 92]

Ypes hiervan geeft, ontbreken. Vertalingen echter, die abominabel slecht zijn en die - wat, uit hetgeen Mej. Ypes op blz. 170 en 171 van haar dissertatie meedeelt, opgemaakt kan worden - tweedehands zijn.

Op genoemde bladzijden bespreekt Mej. Ypes de vertalingen van de zg. vloeksonnetten van Petrarca door van de Merwede in diens Uyt-heemsen Oorlog, ofte Roomse Min-triomfen (1651). Petrarca heeft in deze drie sonnetten zijn verontwaardiging gelucht over de leefwijze aan het pauselijk hof te Avignon. Vanwege deze anti-curiale verzen heeft men - geheel ten onrechte natuurlijk - Petrarca wel eens beschouwd als een voorloper der hervorming. Marnix van St. Aldegonde heeft in zijn Biencorf fragmenten uit bedoelde sonnetten ingelast en Jan van Hout heeft er één met behoud van de sonnet-vorm vertaald1). De vertalingen van van de Merwede zijn verre van fraai, maar ze zijn nog heilig bij wat Hubertus van der Meer, ‘predicant tot Bovenkarspel’, er van wist te maken. Waarschijnlijk in 1670 verscheen te Amsterdam, ‘Voor Gerrit van Goedesbergh, Boekverkooper op 't Water’ een Boom der Kennis, Niet alleen bloeiende tot vermaak van leergierige Verstanden, Maar ook vrugtdragende tot voedsel van deughd-lievende Herten2) door van der Meer gedeeltelijk beladen met vertalingen en ten deele van nieus geplant. Onder de hoogmoedige titel Kraght der waarheid Blinkende in de nevelen des Pausdoms. Of drie gedighten, gemaakt op de Stad Romen,3) door den Italiaanschen Poëet Petrarcha

[p. 93]

geeft van der Meer in deze Boom der kennis een verwaterde en hoogst smakeloze uitbreiding van de vertalingen van van de Merwede. Het sonnet dat aanvangt met het indrukwekkende kwatrijn:

 
Fiamma dal ciel su le tue treccie piova,
 
malvagia, che dal fiume e da le ghiande
 
per l'altrui 'mpoverir se' ricca e grande,
 
poi che di mal oprar tanto ti giova:

begint van de Merwede:

 
Het schriklyk Hemels-vyer ga op u tuyten storten,
 
Op dien verrykten kop, door yder-eens verkorten,
 
Ghy snoode Auter-hoer, die eertijds vremd van wijn
 
Gingt drinken met het Vee, gingt eten met het Swijn... enz.

van der Meer dikte dit aan tot:

 
Vervloekte Auter-hoer dat u de Hemel-vonken
 
Neer-ploften op den kop die van juwelen blinkt,
 
Ghy die de tranen drinkt
 
Der armen, en met goed van andere gaat pronken.
 
U heughd den dagh dat ghy nooit druive-nat en proefde
 
Maar steeds ter tafel ginght by 't walgelijke swijn
 
Klaar water dronk voor wijn,
 
En in geen kamer-welf maar open veld vertoefde.

Bij de behandeling van de aanhalingen uit Petrarca, die voorkomen in de werken van Jan de Brune de Jonge, heeft Mej. Ypes op onvoldoende wijze uiteengehouden, welke citaten door de Brune zelf zijn vertaald en welke door Nicolaas Jarichides Wieringa, dien de vererende opdracht gewerd ‘'t Onduits van maat en maateloos’ voor de Harlingse uitgave van 1665 Alle volgeestige Werken van Jan de Brune de Jonge in onze taal over te brengen. Mej. Ypes had hiervoor de tekst van Alle volgeestige Werken moeten vergelijken met vroegere afzonderlijke uitgaven van de Wetsteen der Vernuften en van Jok en Ernst. Wieringa heeft zijn vertalingen van de talrijke citaten van de Brune - terecht noemde Kalff diens werk een kanaal voor buitenlandse invloed op onze letterkunde - gemaakt ‘met hulp van den Heer Lovis Parent, Voorleezer van uitheemsche taalen in de doorluchtige Hooge-school tot Franeker, onlangs overleden’1). Ik heb goede

[p. 94]

redenen om te vermoeden, dat de hulp van Parent zich wel voornamelijk beperkt zal hebben tot morele steun, maar in principe had Mej. Ypes er ook rekening mee moeten houden.

De eksemplaren van de eerste uitgave van de Kundschappen van Parnas, de vertaling van Boccalini's Ragguagli di Parnaso door de zonet genoemde Wieringa, zijn hoogst zeldzaam1), hieraan is het allicht te wijten dat de mededeling erover van Mej. Ypes op. cit., blz. 200 niet korrekt is. Bovendien schrijft Mej. Ypes op blz. 201 het vervolg op de Kundschappen van Parnas, de Secretarie of Schrijf-zaal van Apollo aan Boccalini toe. Maar uit La secretaria di Apollo blijkt duidelijk dat niet Boccalini zelf, maar een navolger van dezen de auteur moet zijn; en er is veel wat er voor pleit dat Antonio S. Croce die navolger was.

In 1929 is Mej. Cohen gepromoveerd op Dante in de Nederlandsche letterkunde. Het is zeer opvallend, hoewel verklaarbaar, dat invloed van Dante eigenlijk niet gekonstateerd kan worden vóór het tijdperk der romantiek. De invloed van Petrarca is veel vroeger in onze letterkunde te bespeuren, zij is vaak indirekt en wisselt natuurlijk sterk van aspect in de verschillende eeuwen. De kritikus van de N.R. Crt. heeft zich afgevraagd, of Mej. Ypes zich er wel voldoende bewust van is geweest voor een andere, veel gekompliceerder opgave te staan dan Mej. Cohen op te lossen had.

Ik hoop echter niet dat die kritiek een dissertatie of studie over Boccaccio in de Nederlandse letterkunde in de kiem zal smoren. Integendeel, zou ik er sterk toe willen opwekken, dat nu ook de invloed van dezen derden groten wegbereider van de renaissance op onze letterkunde bestudeerd worde. De eventuele schrijver2) lere van de fouten door Mej. Ypes begaan en profitere van het door haar bijeengebrachte materiaal. Die schrijver zal zich naar Parijs en Brussel moeten begeven voor de bestudering van Vanden doorluchtighen glorioesten ende edelsten vrouwen ende van haren wercken (Antwerpen 1525) en Vanden doorluchtighen

[p. 95]

mannen ende haren wercken (Antwerpen 1526), waarbij hij zich natuurlijk zal moeten afvragen of deze werken regelrecht uit het latijn of via het frans in het nederlands zijn vertaald. Die schrijver zal een, uit taal- en stilistisch oogpunt zeer belangrijke, vergelijking kunnen maken van de vertaaltrant van Coornhert met die van G.H. van Breughel; hij zal voorts zich er voor moeten hoeden niet te verzinken in het moeras van de novellen- en ‘schwank’-litteratuur. Ook bij de behandeling van Lambert van Bos' vertaling (1659) van la Fiammetta, de psichologische roman van Boccaccio die nog steeds modern aandoet, zal die schrijver zich weer moeten afvragen of direkt, of met behulp van het frans, is vertaald. Het is mogelijk, dat van Bos de vertaling van Gabriel Chappuys gebruikt heeft. Die schrijver zal tot zijn verrassing bevinden dat de Aardige en vermakelijke Historien van Bocatius den Florentijner, die in de eerste helft der 18de eeuw verschillende keren herdrukt werden, en die de vertaling1) zijn van de Contes et Nouvelles de Bocace Florentin. Traduction libre accomodée au goût de ce temps2) in de 19de eeuw nog weer eens op schijnheilige wijze gemoderniseerd zijn door S.H. Weiland.... Kortom, die schrijver zal soms wel eens voor malle gevallen, vaak echter ook voor interessante problemen geplaatst worden. Een raad wil ik hem nog geven tot besluit van deze peroratie, hij moet niet vergeten de fiches van het legaat van Stockum van de vereniging ter bevordering van de belangen des boekhandels te Amsterdam op de naam Boccaccio te raadplegen. Dat spoedig naast elkaar in onze boekenkasten mogen staan de studies over Dante, Petrarca en Boccaccio in de Nederlandse letterkunde.

C.L. Thijssen - Schoute.