schappelijk-taalkundig klinkt dat niet. Zou dit ‘gemak’ het voorstel paedagogisch aannemelijk maken? Wie bedenkt dat de toepassing handhaving van een verouderde, latiniserende spraakkunst vereist, zal begrijpen dat nòch moderne taalkundigen, nòch onderwijsmannen ingenomen waren met dit compromis!
Voor een minderheid in de Staatscommissie ging dit voorstel te ver: Prof. A. Kluyver en Prof. J.W. Muller verlangden een beperkte lijst van nog meer mannelijke woorden, en de toenmalige Minister van Onderwijs koos hun partij. Het is bekend hoe hun poging om deze denkbeelden in een Woordenlijst te belichamen op een mislukking uitliep, die voor de toekomst uiterst leerzaam geweest is1), al heeft Minister Slotemaker van deze les weinig geleerd.
Intussen is het compromis, dat in 1918 geen sukses gehad heeft, in 1930 op advies van Van Ginneken weer voor den dag gehaald en door Minister Terpstra voor het onderwijs gesanctioneerd. De raadgevers van Minister Marchant echter hebben het met grote beslistheid afgewezen, behalve Van Ginneken, al heeft deze het gezamenlijke advies mede ondertekend. Daarin was de uitzondering voor mannelijke persoonsen diernamen niet opgenomen. Om mogelijke tegenstand te verzwakken heeft Minister Marchant op het laatste ogenblik, als concessie aan het behoud, de regel-Terpstra-Van Ginneken in zijn voorschrift opgenomen. De averechtse uitwerking van deze concessie is bekend genoeg: de tegenstanders verscherpten hun verzet; Van Ginneken verkondigde op sensationele wijze zijn ‘bekering’ tot een absoluut behoud van de traditionele schrijfwijze; de vereenvoudigers, die zich bij het spellingcompromis neerlegden, ter wille van de vrede, verklaarden dat zij niet bereid waren, uitzonderingen voor de naamvals-n in toepassing te brengen, al zouden ze bij hun onderwijs de officiële voorschriften op moeten volgen.
Het is ons bekend dat er docenten zijn die, in hun vreugde over de naderende spellingeenheid, hun partikuliere schrijfwijze, in publikaties en in brieven, aangepast hebben aan de voorgeschreven schoolpraktijk. Die gedragslijn lijkt ons onjuist. Ons pleidooi voor afschaffing ook van de seksuele-n, komt niet voort uit onhandelbaarheid of koppigheid, maar berust op een welgegronde wetenschappelijke en paedagogische overtuiging.