|
|
|
| |
| | | |
Een ‘Vlaemsche Spraekkonst’ uit het einde van de achttiende eeuw.
(Vervolg van Jaarg. XXXVI, blz. 269).
Mijn vermoeden dat dit boekje van 1785 dagtekent werd bevestigd, toen mij bleek dat de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde een volledig exemplaar bezit1), met het volgende titelblad:
Inleiding tot de Grondregels der Vlaemsche Spraek- en Spelkonste, aantoonende De Verwarring, verschillig Gebruyk en Misbruyk dezer Taelbeschryvers. Te Dendermonde By de Weduwe J: Ducaju. 1785. De naam van de auteur blijft dus onbekend, maar waarschijnlijk zal het wel een Dendermondse schoolmeester geweest zijn.
Het boekje bevat vijf hoofdstukken. Het eerste, Van de Letteren, (blz. 5-24) is het uitvoerigst. De omschrijving van ‘het geluyd’ van de letters is naïef, en voor de vaststelling van zijn eigen uitspraak onbelangrijk: een foneticus was hij allerminst. Wel is interessant dat hij opkomt tegen particularisme, en het belang van taaleenheid inziet. Dat blijkt bij de bespreking van de ee en oo. Sommigen, zegt hij, onderscheiden de drieërlei ee's van been, heéft en peêrd door accenttekens; Balduinus Janssens doet het weer anders. Dat is dus ‘een verwarde doolhof’. ‘Elk wilt volgens gezindheyd oft landgebruyk het voorregt op haer Geluyd hebben. Om dan in het bezonder voor elke Stad en Land de woorden te teekenen, gelyk zy daer uytgesproken worden, zoude men by alle de Geluydteekens der vier werelds deelen nog vele nieuwe mogen opzoeken, om het menigvuldig verschil der uytspraeke te doen onderscheyden’. - ‘Men zoude mogen opwerpen, dat de Teekens noodig zyn om het verschil der woorden uyt-te-drukken, als: Leést van lezen, en leest, schoenmakers leest; dog het gebruyk oft redenzin doet het zelve genoegzaam kennen’ (blz. 13-14). Hij bepleit dus feitelijk aansluiting bij het beschaafde gebruik in Noord-Nederland, maar ziet tevens in, dat het lang zal duren, eer dit in alle kringen van de bevolking in de omgangstaal doordringt. ‘Ik oordeele, dat het behoorlyk en eygen aen onze Tael is, de twee EE een gelyk geluyd te geven, en deel zoo voor gedeelte als voor plank in den zelven Klank uyt-te-spreken,
| | | | te weten in Voorlezing en op het Konsttooneel: want men zou lang mogen arbeyden om dezen Regel in de gemeyne saemenspraek uytwerk te doen hebben.’
Bij de oo acht hij evenmin een geluidteken nodig: ‘Onze Voorvaders hebben deze Letter niet geteekent, wie zal de proef maeken, dat zy de zelve verschilliglyk hebben uytgesproken? De Hollanders en letterkundige Vaders gewezene Jesuïten laeten de twee OO gelykelyk klinken: zy hebben het Geluydteeken in kool oft kool niet noodig om hunne verschillige beteekenis te kennen, en wy zouden dommerikken moeten zyn om hun uyt den redenzin niet te konnen onderscheyden’ (blz. 19).
De spelling dient zich zoveel mogelijk bij de uitspraak aan te sluiten, meent hij. Dus geen overbodig ck voor k of kk (blz. 9). Ons dient de ch te vlugten zoo veel als bestandig is; waerom reeds verscheyde Hollanders en andere schryven: Rooms Opperhoofd, Romeyns Ryk, Hemels gezang, hels gebroed (blz. 16).
De letters q en x zijn eigenlijk overbodig, en in woorden van vreemde afkomst kan men de c eigenlijk wel missen: ‘Indien 'er middel waer om de s in de plaats der c te stellen, dit zoude gemak voor de Tael bybrengen, behoevende dan haer gebruyk in de weynige vlaemsche woorden niet in geheugen te houden.’
Hij zou er zelfs veel voor voelen, de regel van de gelijkvormigheid konsekwenter toe te passen, door, ‘gelyk sommige’, te schrijven: lov, grav, leez enz. (blz. 15). De ervaren schoolman komt voor den dag, als hij de moeilijkheden van zijn leerlingen met de h tegemoet komt, door twee rijtjes overigens gelijkluidende woorden met en zonder h op te stellen (blz. 17). Dezelfde methode past hij toe - wij zouden zeggen: fonologisch - om de korte en lange klinkers, de stemloze en stemhebbende medeklinkers te leren onderscheiden.
Over het tweede hoofdstukje, Van de Woorden, valt minder op te merken. Hij volgt voor Brabantse en Vlaamse leerlingen terecht! - Des Roches, door vast te stellen dat men de ‘dry geslagten’ kan onderscheiden met daer voor te stellen den, de, het. Aan de ‘zes gevallen’ houdt hij vast, al is ‘in onze Tael den Beschuldiger met den Noemer gelyk’, en evenzo den Afnemer met den Voordbrenger (genitief), die men immers beide ‘kent aan het woordeken van (d'Almagt van God; wy hebben van God alle goed)’.
In de voorbeelden van buiging vermeldt hij wel des, der, den, maar vóórop stelt hij de bepalingen met een voorzetsel: van
| | | | den Koning, aan den Koning, van de Koningin, van het Ryk, enz. Ook hier gaat hij dus niet uit van de ‘schrijftaal’, maar van de levende vormen. Daarmee is evenwel weer in strijd dat hij bij de ‘betrekkelijke Voornaemen’ den welken, de welke, het welk noemt vóór die en dat, waarbij weer dien ontbreekt!
Van het onderscheid tussen hun en hen, volgens de achttiende-eeuwse spraakkunst in het Noorden, wil hij niet weten: voor hem geldt hun in alle gevallen. Hij heeft blijkbaar wel eens iets gehoord van een kunstmatig toegepast hen, wanneer hij schrijft: ‘Verscheyde goede Schryvers stellen in de dry laetste Gevallen hen, om verschil te maeken tusschen hun (bezittenden Voornaem) B.V. Wy hebben hen hun geld gegeven. Andere, na 't meest gebruyk, stellen altyd hun’ (blz. 32).
In Hoofdstuk III, Van de Werkwoorden, leest men: ‘Sommige zeggen, d'Aenvoegende Wys gelyk te wezen met de Toonende; de geleerdste maeken hier tusschen verschil’ (blz. 33). Maar de schrijver kiest de partij van de ‘geleerdste’, als hij in zijn paradigmata alle vormen van de Aenvoegende Wys opsomt.
Opmerking verdient, dat hij na een opsomming van de sterkewerkwoordsvormen beweert dat daarnaast ‘verscheyde’ ook zwakke vormen vertonen, die door ‘de Taelkundige nu geschreven worden’ als: zwemde, verwerfde, leesde, geneesde enz. (blz. 41). Die zal hij wel uit de volksmond opgetekend, en niet in geschriften van ‘taelkundige’ aangetroffen hebben1).
Een kort hoofdstukje (IV) (blz. 43-45) over de ‘Onveranderbaere Woorden’, beperkt zich voornamelijk tot het geven van voorbeelden, terwijl het vijfde (blz. 46-54) Verscheyde Aenmerkingen bevat, o.a. het verschil tussen na, nae en naer, tussen of, oft en ofte, tussen te, ten en ter, tussen on- en ont- en spellingmoeilijkheden. Aan de Hollanders gunt hij hun spelling aa en uu, maar hij denkt dat ze hem de ae en ue niet ‘tot misslag zullen aenrekenen’ (blz. 46).
Een slothoofdstukje (Van de Stippen) geeft wenken voor de toepassing van leestekens, hoofdletters en afkortingen, terwijl blz. 59-64 nog enige Onderrigting om brieven te schryven geeft.
In zijn soort is dit beknopte schoolboekje het verdienstelijke werk van een praktisch schoolmeester, die in veel opzichten blijk geeft van juist inzicht in taal en spraakkunst, al is hij in andere opzichten begrijpelijkerwijze door een lange traditie gebonden.
C.G.N. de Vooys. |
1)Deze aanwijzing dank ik aan Dr F. Kossmann te Rotterdam.
1)Hij noemt er vijftien, maar zet daarachter: enz.
|
|