De Nieuwe Taalgids. Jaargang 47


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 47. J.B. Wolters, Groningen, Djakarta 1954


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De zeekapitein Jan van Amstel en een grafdicht van Vondel.

Van de zeekapitein Jan van Amstel, aan wie na zijn dood twee eerdichten zijn gewijd, een door Vondel, een door Antonides1) werd tot voor kort aangenomen dat hij geboren was te Schijndel in de Meierij van Den Bosch. In de oude kerk van dat dorp bevindt zich nog zijn grafzerk met Vondels gedicht, dit weliswaar met tekstafwijkingen, die onder meer ten doel moeten hebben gehad de meerdere glorie van de grote man. Vondels regels:

 
Zwaer gewont, op zee geslagen
 
Om de kroon van d'overhant,

waarmee niet anders bedoeld werd dan dat hij in de strijd om de overwinning ter zee zwaar gewond was en klappen van belang had opgevangen, konden de indruk wekken dat hij ‘verslagen’ was, en werden mitsdien als volgt gewijzigd:

 
Swaer gewondt maer noydt verslagen
 
Voor de eer van 't vaderlandt,

waardoor weliswaar Van Amstels blazoen gesmukt werd, echter dat van Vondel besmet met een hiaat en een gemeenplaats.

Een tweede, niet minder belangrijke wijziging is die welke de tweede regel van Vondels grafdicht:

 
Jan van Amstel, die den Sweet

veranderde in:

 
Die Turcken won en oock den Sweedt.

Daardoor werd recht gedaan aan een door Vondel veronachtzaamd onderdeel van Van Amstels krijgsbedrijvigheid, maar onrecht aan de metrische techniek, die een dergelijke ontwrichting niet verdraagt.

In oude kerkregisters, indertijd ontdekt door pastoor L. Poell te Gemert, werd in het begin van 1953 aldaar het bewijs gevonden, dat voortaan niet meer Schijndel, doch Gemert zal hebben te gelden als de geboorteplaats

[p. 218]

van Van Amstel. De inschrijving in het doopregister luidt als volgt: ‘12 Dec. 1618. baptizavi Joannem Henrici Henrici Petri van Amstel et Anne Petri van Grinsven filium suscep (erunt) Jo(ann)es Nicolai et Anna Petri van Grinsven van Schindel in no(m)i(n)e Diver Bickers Weduwe van Jan Jansz. van Helmont van Amsterdam’. De ondertrouw van dit echtpaar staat op 13 October 1613 aangetekend in het desbetreffend register van dezelfde kerkgemeente. Hier lezen wij dus ook, dat Diver of Dieuwertje Bickers, weduwe van Jan van Helmont te Amsterdam, de meter was van de dopeling. Indien - zo zou men geneigd zijn hieraan toe te voegen - het legendarisch verhaal over zijn heimelijke vlucht naar Amsterdam1) enige waarheid bevat, zal de jonge Jan zeer wel hebben geweten, waar hij in die groeiende en reeds grote stad zijn toevlucht kon vinden. Immers de gegevens in Elias' werk over de vroedschap van Amsterdam leren ons, dat Dieuwertje Bickers deel uitmaakte van een der allereerste families aldaar. Zij was een dochter van Gerrit Bicker Pietersz., eigenaar van een brouwerij en voornaam koopman, in 1594 een der oprichters van de Compagnie van Verre en bewindhebber van de O.I. Cie. Zijn vrouw behoorde tot het geslacht der Boelensen. Bij haar dood liet hun dochter een vermogen na dat in 1646 nog onverdeeld was en toen werd geschat op 200.000 gulden. Onze welgezeten Dieuwertje nu was de meter van de toekomstige scheepsbevelhebber, die nog door Van Lennep zo zeer als een verloren jongetje werd beschouwd, dat naar de mening van deze historicus hij eigenlijk helemaal niet Van Amstel heette, maar die naam eerst later had aangenomen. Wat Vondel mag hebben bewogen hem in zijn grafschrift te betitelen als ‘d'eer der Amstelheeren’ kan ik niet zeggen, maar dat hij wel en degelijk Van Amstel heette, blijkt onbetwistbaar en overvloedig uit de stukken. Het antwoord op de vraag, hoe hij aan zijn Amsterdamse meter is gekomen, verschaffen ons de familiebetrekkingen van Dieuwertjes man, Jan van Helmont (geb. te Eindhoven 1573, gest. te Amsterdam 1617), die zelf een zoon was van Jan, drossaard van Heeswijk, Dinther, Schijndel en Berlicum. Evenals zijn schoonvader Gerrit Bicker was hij koopman te Amsterdam en bewindhebber van de O.I. Cie. Uit zijn huwelijk met Dieuwertje worden twee zoons genoemd: dr. Gerard van Helmont en nog een doctor, een jurist, die deftiger Jean heette en tot vrouw nam Margareta van Raephorst, dezelfde die in tweede huwelijk getrouwd is geweest met niemand minder dan de admiraal Cornelis Tromp.

Hendrik van Amstel, de vader van de latere zeekapitein, was in 1613 te Gemert voor de pastoor getrouwd met Anneke van Gri(e)nsven uit Schijndel, die zelf langs de moederlijke lijn (Anneke van Helmont) een kleindochter was van Jan van Helmont, de bovengenoemde meierijse magistraat. Zo blijkt dus dat Dieuwertje Bickers door haar man een oudtante was van Jan van Amstel, n.l. een schoonzuster van zijn grootmoeder Anneke van Helmont. Een opmerkenswaardige biezonderheid is nog deze, dat zij ook een tante was van Wendela Bicker, de huisvrouw van Jan de Witt. Het is vervolgens aannemelijk, dat Hendrik van Amstel in 1633 met zijn gezin naar Schijndel is verhuisd, toen hem daar uit de nalatenschap van zijn schoonouders een brouwerij ten deel viel. Uit zijn huwelijk zijn te Gemert acht kinderen geboren, waarvan Jan het derde was. Een jongere zuster Elisabeth huwde Daniel van der Aa, president-schepen van Schijndel.2)

[p. 219]

Jan van Amstel is tweemaal getrouwd geweest, in 1662 met Cornelia Schagen uit Alkmaar, in 1667 met Anna Boxhoorn uit Eindhoven; op deze wijst de bok in het vrouwelijk familiewapen dat naast dat van haar man is aangebracht ter versiering van de grafzerk. Niet onmogelijk zijn het de zware verwondingen, door haar man in de oorlog ter zee opgedaan, die hem hebben bewogen in zijn meierijs dorp te gaan rusten, waar hij dan in 1669 op 51-jarige leeftijd is overleden.

Het is hier de plaats om een misvatting recht te zetten, die voorkomt in de toelichting van het grafdicht in de W.B.-uitgave van Vondel. Er bevindt zich te Schijndel een monument, waarop het gedicht van Vondel met dat van Antonides is aangebracht en dat afgebeeld staat bij Scheurleer (Onze Mannen ter Zee 2, bij p. 160). Dit is niet, zoals de W.B. wil, een grafmonument, maar een gedenkteken, in de jaren-negentig van de vorige eeuw opgericht dank zij het ijveren van de oud-burgemeester P.A. Verhagen. Toen enkele jaren geleden enig herstel van dit monument noodzakelijk was geworden, heeft men, rekening houdend met het feit dat er twee onderling verschillende lezingen van Vondels grafdicht bestaan, deze oplossing gevonden, dat de tekst uit de Poësy (ed. Brandt 1682) daarop is aangebracht; die van het grafmonument bevindt zich, als gezegd, in de kerk. Sedert de recente na-oorlogsrestauratie ligt de grafsteen niet meer zoals tevoren in de vloer - trouwens ook toen reeds niet meer de oorspronkelijke plek - maar staat hij gemetseld in de muur van een der zijbeuken, waar de tand des tijds minder kracht heeft. In aanmerking genomen de hoge zeldzaamheid van een in situ in stand gebleven epitaphium van Vondel - alleen die van Abraham van der Hulst in de Oude Kerk te Amsterdam en van Jacob van Campen te Amersfoort laten zich daarnaast vermelden - valt het belang van zorgvuldige bewaring gemakkelijk in te zien.

In een gedicht van Six van Chandelier, Schetse van Venecie1), komt een passage voor waarin de diensten worden verheerlijkt, door de Hollanders aan Venetië bewezen in de strijd tegen de Turken. Daarin heet het dat

 
Amstel, u ten dienst, de vlag,
 
Fors van de grootste Turks huik nam,
 
En zoo geseegent herwaarts quam.

Amstel is bij Six meermalen een aanduiding voor Amsterdam, en dit lijkt ook hier de meest voordehandliggende betekenis. Intussen behoeft de mogelijkheid dat de zeekapitein van die naam bedoeld is, toch niet geheel te worden buitengesloten. Even verder wordt in hetzelfde verband een bepaalde aanvoerder genoemd, n.l. de ‘dappre Roosendaal’. Met betrekking tot de slag in de Aegaeische Zee komt zijn naam noch bij De Jonge, Nederland en Venetië (1852) noch bij Van Hamel, Vaderlandsche Voetsporen (Amsterdam 1942-45; p. 109 vv.) voor; anderzijds is van hem bekend dat hij deel heeft genomen aan de zeestrijd tegen de Turken, gelijk wij boven in herinnering hebben gebracht. Niet slechts Vondels grafdicht gewaagt daarvan, zij het in een apocriefe versie, maar ook Antonides, die hem prijst als ‘een dappre helt, befaemt by Indiaen en Mooren’.

Indien werkelijk Six van Chandelier met zijn Amstel, die ten dienst van Venetië ‘de vlag fors van de grootste Turks huik nam’, zoals hij het in een bij uitstek onwelluidende regel zegt, zou dit tevens de vroegste vermelding zijn van diens optreden.

Nijmegen, Maart 1954.

L.C. Michels.