De Nieuwe Taalgids. Jaargang 49


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 49. J.B. Wolters, Groningen / Djakarta 1956


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 234]

Uit de tijdschriften.

De Gids. April.

In Aspecten van het Wilhelmus wijkt M.H.J. Verjans af van de conclusies waartoe dr. A.J. Veenendaal (Tijdschr. voor Geschiedenis, afl. I, 1954) is gekomen, zowel ten aanzien van de datering als de poëtische individualiteitsgraad van het lied. Hij neemt aan dat het Wilhelmus buiten supervisie van de Prins is gepubliceerd. - Anton van Duinkerken schrijft over de voor de Nieuwe Gids zo betekenisvolle Vrijdag 27 april 1894. - J.W. Hofstra noemt in de Kroniek van het proza, de roman van Hubert Lampo, De duivel en de Maagd, onecht en uitermate geforceerd. Lampo is er niet in geslaagd de tijd rond 1430 organisch in zijn vertelling te betrekken. In Teirlinck's Zelfportret of het Galgemaal acht Hofstra het opnemen van brieven en fragmenten van bijkomstige personen overbodig, terwijl de monologen eerder dan de van buiten af gegeven karakteristieken een juister inzicht in het wezen van de hoofdpersoon geven.

Mei. S. Vestdijk constateert in Kroniek der poëzie, dat de Vijftigers zich slecht individualiseren. Meer de beweging op zich zelf komt naar voren dan de personen. Andreus, de ‘kroonprins der Vijftigers’, geeft evenals Lucebert, ‘de keizer’, een evolutie te zien naar grotere eenvoud toe. - In Enige Reservepotjes kruist Vestdijk de hem aangeboden degen met prof. F. Polak, ter beslissing in de controverse De Toekomst der Religie - De Toekomst is Verleden Tijd.

Het Boek van Nu. April.

Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Karel Jonckheere, gedenkt Raymond Brulez diens veelzijdige persoonlijkheid als mens en litterator. - De waardering die Pierre H. Dubois koestert voor de roman van Marnix Gijsen Er gebeurt nooit iets, berust vooral hierop dat Gijsen erin geslaagd is een biezonder knappe creatie te leveren van een niet-intellectueel personage, de Ketelstoker Lusch. Het werk van R. Goris en J. Greshoff, Marnix Gijsen acht hij voor de kennis van Gijsen onmisbaar. - C.J.E. Dinaux onderkent een wezenlijke verandering in de ondertoon van Marja's poëzie (Man van dag en nacht), waarbij de altijd aanwezige schamperheid door deernis wordt getemperd. - G.H. 's-Gravesande publiceert Twee onbekende gedichten van Albert Verwey, nl. Van den Wilden Man en Alhambra. - Henri A. Ett wijst in Kunst in het kort op de Bilderdijk-herdenking op 7 september a.s.

Mei. Het artikel Vondel en zijn publiek van G. Stuiveling bevat enkele kanttekeningen n.a.v. de Lucifer-opvoering onder regie van Johan de Meester. - Pierre H. Dubois constateert dat de normale, psychologische roman met een zich logisch ontwikkelend verhaal, zoals J.W. Hofstra deze schrijft, zeldzamer begint te worden. Zijn roman Het oog van de Naald is niet geheel bevredigend daar de schrijver zijn ‘probleem’ niet overtuigend weet uit te beelden. - Halbo C. Kool belicht de figuur van Gaston Burssens, n.a.v. Het neusje van de inktvis (keuze uit eigen werk). Burssens is in de moderne poëzie van Noord- en Zuid-Nederland het enige voorbeeld van een gesloten ontwikkelingsgang, daar hij steeds de experimenten van het modernisme voortzette vanaf de generatie kort na de eerste wereldoorlog tot op de dag van heden.

Roeping. April.

Een puntgaaf verhaal noemt Lambert Tegenbosch Marnix Gijsen's Er gebeurt nooit iets. Maar de distantie van waaruit Gijsen zijn roman

[p. 235]

geschreven heeft, vervult hem met teleurstelling om het ‘onverlet blijven van de creatieve vent’. In Marnix Gijsen van René Goris en J. Greshoff waardeert hij de bijdrage van Goris, Greshoff's studie vervalt teveel in herhalingen. Met grote bewondering sprekend over Teirlinck's Zelfportret of het Galgemaal, constateert Tegenbosch dat deze laatste, in tegenstelling tot Gijsen zich niet beperkt tot de buitenkant, maar zich inderdaad in het drama zelf waagt. - Harry G.M. Prick beschuldigt Maurits Uyldert van grove partijdigheid in het 2e deel van zijn biografie over Albert Verwey, Dichterlijke Strijdbaarheid (1955), tegenover Lod. van Deyssel. Niet alleen zou Uyldert Van Deyssels aandeel in de redactionele werkzaamheden hebben geminimaliseerd, maar vooral in het conflict rond Verwey's sonnettenreeks Tusschen twee Werelden, zou Uyldert zich niet ontzien hebben om met opoffering van de historische eerlijkheid Verwey coûte que coûte in het gelijk te stellen.

Mei. Jan van der Eng schrijft over Voorspellend kunstenaarschap bij Dostojewski. Verscheidene trekken van het Sowjet-regime heeft hij b.v. voorzien, en het is niet toevallig dat men zijn werk in het hedendaagse Rusland bijna niet herdrukt. Van Iwan Karamazow kan men voorts een lijn trekken naar een modern atheïst als Camus. - In de Kroniek bespreekt R. Gaspar met veel waardering de Carmina Gezelliana, een bundel gedichten van Gezelle met latijnse vertaling door Dr. H. Vroom. - Fernand M. de Louvick waardeert in een bespreking van Marnix Gijsen vooral de bijdrage van René Goris, die een schets van de jeugd van zijn broer geeft. De andere auteur, J. Greshoff, behandelt de romans van Gijsen, maar een bezwaar is dat ze te weinig tegen de achtergrond van zijn leven worden gezien.

Maatstaf. April.

Annie Salomons vertelt in Herinneringen uit den ouden tijd (VII) over mejuffrouw E.C. Knappert. - S. Dresden begint zijn publikatie van fragmenten uit De Structuur der Biografie, dat in het komende najaar verschijnen zal. In het hier gepubliceerde gedeelte komt Dresden tot de conclusie ‘dat er geen enkel principiëel of fundamenteel verschil tussen beide genres (biografie-vie romancée) bestaat’. - Paul Rodenko overweegt artistieke toekomstmogelijkheden voor de beeldroman. Achter de huidige ‘perverse’ verschijningsvormen van het genre, ziet hij de algemene tendens in de litteratuur om woord en beeld onscheidbaar te doen samenvallen.

Mei. Abel J. Herzberg neemt Het laatste woord ter verdediging van zijn Her odes, waarvan de - aangevallen - ‘innerlijke eenheid’ juist zou schuilen in de uitbeelding van de man die tot alles in staat is, behalve een relatie op menselijk niveau.

Ontmoeting. Maart.

Bloesemtak van Bordewijk acht Aart Romijn wel het meest menselijke, maar niet beste boek van deze auteur. - C. Vermeer laat in de Poëziekroniek de nieuwste bloemlezingen de revue passeren.

April-Mei. In de Poëziekroniek oefent C. Vermeer kritiek in a nutshell uit op 24 dichtbundels van zeer verschillend kaliber.

De Nieuwe Stem. April.

Nel Noordzij wijst erop dat in een roman vaak noodgedwongen motieven voorkomen die niet voor iedere lezer acceptabel zijn. Het doel van de auteurs is daarbij ‘om hun hoofdpersonen te confronteren met die “narigheid” en hen zodoende eerst tot inzicht en voorts indien reeds mogelijk tot een oplossing van hun problemen te brengen’. (Er is al ellende genoeg in de wereld).

[p. 236]

Critisch Bulletin. April.

R. Blijstra kenschetst het tot nu toe verschenen proza van Nel Noordzij als een voorspel. In de roman Met de hand op een boomtak ziet hij de eindfase waarin gegeven en vormgeving met elkaar zijn verzoend zodat van hieruit ‘het werk kan beginnen’. - Jeanne van Schaïk-Willing wijst de roman van Alfred Kossmann, De Linkerhand, af, als niets meer dan een psychiatrisch rapport zonder enige liefde voor de deerniswekkende hoofdpersoon. - A(nthonie) D(onker) toont aan dat de tweede druk van Een Liefde, door Lod. van Deyssel persoonlijk gekuist wegens het fatsoensalarm dat rond zijn roman was ontstaan, een belangrijke verarming betekent ten opzichte van het origineel. - K. Jonckheere wijdt sympathieke woorden aan het jonge talent van de Gentse dichter Prosper de Smet, wiens bundel Van den os op den ezel (1955) hem heeft gesmaakt ‘als een koel glas bier na veel gesofisticeerde cocktails of coca-cola's van echte en vermeende ultra- en infradichters’. - Paul Rodenko bespreekt met veel waardering de dissertatie van H.S. Visscher, Dromen in de moderne Nederlandse poëzie (1953), waarin hij in zoverre een kentering ziet in de gebruikelijke litteratuurbeschouwing, dat niet de dichter, maar het vers in het centrum van de aandacht is geplaatst. - De duivel en de maagd van Hubert Lampo is voor Vestdijk aanleiding om te speculeren over het fenomeen sadisme. - G.J. Geers wijst erop dat het Nederlandse publiek met Helman's vertaling van Fernando Rajas, Celestina (eerste druk 1499) thans over de drie grootste werken van de Spaanse litteratuur beschikt. De uitgebreide inleiding laat echter verschil van mening toe.

Mei. R. Blijstra spreekt van een duidelijke breuk in de roman van Elisabeth Augustin, Labyrinth, het verhaal van twee mannen en een vrouw na hun dood, veroorzaakt door een verkeersongeval. Deze breuk ontstaat doordat de schrijfster, in tegenstelling met b.v. Vestdijk, in De kellner en de levenden, geen wereld van onwerkelijkheid oproept, maar in de doodstoestand de aardse realiteit nog prolongeert. Wie speelde er in het donker? vraagt Victor Varangot zich af bij zijn beoordeling van Adriaan van der Veen, Spelen in het donker. Noch ont- en bestaan van de jeugdtraumata, het uitgangspunt van de roman, noch de genezing daarvan heeft de schrijver op overtuigende wijze waar weten te maken. - Guus Sötemann licht ons in over de inhoud van het werk van Victor Erlich, Russian Formalism, history-doctrine (Slavische drukken en herdrukken, Mouton & Co, Den Haag). - In Moderne poëzie in Vlaanderen behandelt Paul Rodenko Waar is de eerste morgen, bloemlezing uit de Vlaamse experimentele poëzie en Vital Celen's boekje Schets van de ontwikkeling der moderne poëzie. De vraag, die Jan Walravens stelt in zijn inleiding: ‘Experimentelen, wat nu?’ kan volgens Rodenko slechts voortkomen uit de gelederen der eerste (Vlaamse) experimentele generatie, die zich nog steeds onderweg voelt, terwijl voor de tweede generatie deze nieuwe wijze van dichten geen voorbereiding meer is, ‘maar hun normale poëtische moedertaal’. Celen's werkje heeft het bezwaar dat de keuze van de grondleggers der moderne poëzie is geschied, terwijl ook de karakteristika van de nieuwste poëzie te weinig zijn belicht. - In Periscoop geeft A(nthonie) D(onker) n.a.v. Aarnout Drost, Schetsen en Verhalen, uitgegeven door G. Kamphuis, een kort historisch overzicht van de Drost-kwestie.

Driemaandelijkse Bladen. VIII, Afl. 2.

B.H. Hommen schrijft, naar archivalia uit Oldenzaal, over Het oude boerenhuis. - J. Naarding betoogt in Vaorig, var en bolle, dat het drentse woord vaorig ‘tochtig (van koeien)’ niet van var ‘stier’ is afgeleid. Een aanvulling hierbij van K. Heeroma handelt

[p. 237]

over friese benamingen van de stier. - B.H. Hommen bespreekt de straatnaam Hoge Lucht. - J. Naarding acht het niet onmogelijk dat Maal ‘jonge koe’ in Groningen als frankisch relict voorkomt. - K. Heeroma leest uit een kaart oude bewegingen af van de naam voor de Veerzekalver. - Verder kleinere bijdragen van J.J. Uilenberg (Wasschebalie), Hendrik Odink (Namen naar voorouders), K. ter Laan (Westerwolds) en J. Naarding (In memoriam Hendrik van Dijk).

Levende Talen. April.

René Gaspar geeft Bij een vers uit Mariken van Nieumeghen een interpretatie van diet van tienen van vieren stellen (vs. 447). - Wantje de Vreese-v. d. Poll vertelt over contacten tussen De Vooys en De Vreese, uit brieven van De Vooys aan haar echtgenoot. - A. van Moiurik bespreekt Nog een gedicht van Oudaen tegen Spinoza, waarvan hij de tekst, vermoedelijk voor het eerst, publiceert. - Jef Notermans geeft in Marginalia bij de abele spelen I een heraldische beschouwing over het herkenningsstuk van Esmoreit, dat hij niet voor een hoofddoek, maar voor een sprei houdt. - J.G. Riewald en A.J.J. de Witte bepleiten in Moedertaal- en vreemdetalenonderwijs een zeer breed op te zetten vergelijkend onderzoek van de structuur van het Nederlands en die van de vreemde talen als grondslag voor het onderwijs in vreemde talen. - P. Vink moet in zijn verslag, namens de Didactiekcommissie uitgebracht over De enquête Nederlands (betreffende het onderwijs in het eerste leerjaar), verschil van inzicht constateren op belangrijke punten, maar ziet toch ook overeenstemming, en bij alle verschil een ernstig zoeken naar de meest vruchtdragende methode. - Voorts veel boekbesprekingen, o.a. van: Keersmaekers' uitgave van Ogier, De Gramschap (P.v.d. Meulen); Henri A. Ett, Verjaard briefgeheim (P.v.d. Meulen); G. Stellinga, Zinsvormen en zinsfuncties in de abele spelen (Jef Notermans, met verandering in de titel); C. Cath. van de Graft, Een boecxken... van suster Bertken... (J.J. Mak); G.H. 's-Gravesande, De geschiedenis van De Nieuwe Gids (F. Jansonius).

Museum. Jrg. 61, No. 1.

S. Dresden bespreekt waarderend W. Gs. Helinga en H. van der Merwe Scholtz, Kreatiewe analise van taalgebruik: Prinsipes van stilistiek op linguistiese grondslag, maar oppert ook verscheiden bezwaren. - G. Kloeke bespreekt Jac. van Ginneken, Drie Waterlandse Dialecten. - Pierre Debongnie heeft grote waardering voor C.C. de Bruin, De Middelnederlandse vertaling van De imitatione Christi.

Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam. XXXII (1956), Afl. 1.

A. Carnoy behandelt De wilg in de toponymie van Nederland en België. - Het artikel van Louis De Man, Vondelingen en hun naamgeving te Brussel, is een vervolg op de studie die hij in jaargang 1954 heeft gepubliceerd over vondelingennamen te Leuven.

Volkskunde. XV, Afl. 2.

Jules Pieters behandelt Een paar motieven uit Oostvlaamse bouwlegenden, legenden verbonden aan een plaats waar een kerk werd gebouwd. - Chr. Stapelkamp draagt een rijk gedocumenteerd artikel bij over Solanum dulcamara, elfrank, bitterzoet, in volkstaal, volksgeneeskunde, volksgeloof en volksleven. - Verder Kroniek, enige Kleine Mededelingen en Boekbespreking.

[p. 238]

Leuvense Bijdragen. XLV (1955), Afl. 3-4.

D.A. Stracke vervolgt zijn artikel Over handschrift F en A van de Reinaert, waarin hij zijn betoog ten gunste van F voortzet, nu op grond van kleine verschillen tussen de twee hss. - M. Hanot wijst erop dat een Geschiedenis van de moderne Nederlandse literaire kritiek dringend nodig is, en geeft een uitvoerig overzicht van wat aan voorstudies over critici en hun werk voorhanden is, met inbegrip van niet gedrukte licentiaatsscripties en doctorale dissertaties van Gent en Leuven. - R. Lievens acht Mnl. *regulatie een onjuiste emendatie van regutatie in het hs., en stelt de aannemelijker lezing regnatie voor. - E. van Autenboer heeft in het Rijksarchief te Brussel catalogi gevonden van Onbekende drukken van volksboeken en andere ‘duutsce’ werken in 1569, die in boekwinkels werden opgespoord na uitvaardiging van de Index librorum prohibitorum in 1569.

Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taalen letterkunde. November-December.

A. Carnoy behandelt De els in de toponymie van West-Europa. - Bij twee verbleekte Mechelse toverformulieren voor behouden reize geeft R. Foncke een beschouwing over humoristische goedereiswensen, met een uitweiding over de begijnen in zegswijzen en volksliedjes. - J. Aerts is door E. Rombauts als lid aan de Academie ‘voorgesteld’ met een karakteristiek van zijn oeuvre, en heeft zelf bij die gelegenheid gesproken over Een mogelijkheid van toenadering tussen taalkunde en literatuurwetenschap op het grensgebied van beiden, de stilistiek. - P. Maximilianus O.F.M. Cap. behandelt De middelnederlandse vertalingen van het Stabat Mater. - In de vergadering van 17 april 1955 is Carlo Tagliavini plechtig ontvangen met een toespraak van de bestuurder Ger Schmook, en een in het Italiaans van het lid Luc. Indestege, terwijl Tagliavini zelf een voordracht in het Nederlands heeft gehouden over de veritaliaanste grammaticus en lexicograaf van nederlandse geboorte Karel Antoon Vanzon; de drie redevoeringen zijn in extenso afgedrukt, die van Luc. Indestege door de nederlandse vertaling gevolgd.

Januari-Februari. A. van Loey plaatst de door J. Leenen en C.B. van Haeringen in Taal en Tongval gevoerde discussie over Sandhi-verschijnselen in het Nederlands in historisch perspectief. - J.L. Pauwels geeft een samenvatting van het door zijn dochter ingestelde onderzoek naar De plaats van vervoegd hulpwerkwoord, voltooid deelwoord en infinitief in de Nederlandse bijzin (zie NTg. XLVIII, 227 vlgg.). - R. Foncke maakt lexicologische, naamkundige en andere opmerkingen naar aanleiding van rapporten over de berechting Van mechelse ruziemakers in de 15e eeuw. - J. van Mierlo acht het Bij de laatste uitgaven van Elckerlijc een nadeel dat steeds de druk van Vorsterman tot grondslag dient, terwijl de oudere druk B niet voldoende is gebruikt; hij licht dat aan enige plaatsen toe, en geeft voorts verklarende aantekeningen bij andere. Ten slotte betoogt hij dat er geen reden is tot twijfel aan het auteurschap van Petrus Dorlandus.

De Vlaamse Gids. Mei.

Pierre Brachin publiceert zijn voordracht voor liet Willems-fonds over De smart in de lyriek van Henriëtte Roland Holst.

Juni. Raymond Brulez schrijft over Stendhal als memorialist. Stendhal was een intelligent en onvermoeid vorser in de diepten van het menselijk hart, een eerlijk en betrouwbaar beschrijver van de gebeurtenissen die hij als ooggetuige meemaakte. Zijn betekenis is pas later ten volle begrepen. Brulez achte hem ‘degene die wellicht de sterkste invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling der hedendaagse literatuur’. - Van M. Rutten is een artikel

[p. 239]

over Het dichten van Achterberg, die hij de meest simplistische én meest complexe van de thans levende Nederlandse auteurs acht. De pogingen om zich op het plan van al wat des geestes is, door het dichterwoord met de gestorven geliefde te verenigen is het het hoofdthema van deze herinnerings- en reincarnatiepoëzie. Achterberg jaagt niet alleen de geliefde na, maar in haar ook de poëzie zelf, ook de Schoonheid, God. R. acht dit oeuvre, hoe modern ook van zegging en vormgeving, in wezen classicistisch, wegens het streven naar ‘zingen in evenwicht’. Hij ziet in het werk van Achterberg een lijn voortgezet die van Gezelle via Gorter, Leopold, Dèr Mouw en A. Roland Holst loopt, de lijn van de ‘experimenterende impressieve indichting’, die tegenover de ‘traditionele expressieve uitdichting’ staat.

Dietsche Warande en Belfort. Maart-April.

L. van Haecht schrijft over Ruimte en tijd van het literair kunstwerk. Ten aanzien van mythos en mystiek concludeert hij tot een essentiële ruimte- en tijdloosheid, terwijl bij het epische en dramatische, waar het historische centraal staat, ruimte en tijd als constructie-elementen een onmisbare functie vervullen. In het tragische onderscheidt hij een heidense tragiek, waarbij de oppositie mens-god onoplosbaar is, en een christelijke tragiek, die de oplossing der antinomie wel mogelijk maakt. - J. van Mierlo geeft een overzicht van recente uitgaven op het gebied der middelnederlandse letterkunde, waarbij hij uitvoerig stelling neemt tegen Male's uitgave van De Gedichten van Anthonis de Roovere. Niet alleen acht hij Mak's esthetische kritiek zeer subjectief, maar ook diens oordeel over De Roovere's maatschappelijke en artistieke positie komt hem voor als strijdig met de feitelijkheden. - Naar aanleiding van Vita Brevis, deel I van de verzamelde werken van Maurice Gilliams, karakteriseert Albert Westerlinck deze kunstenaar als een Narkissos, zich zelf beschouwend, maar zonder diens behaagzucht; integendeel zich bewust van een pijnlijk tekort. - André Prins schrijft over Kanunnik dr. Floris Prims.

Mei. Gilbert Degroote toont aan dat het blonde vrouwentype vanaf de klassieke oudheid, de voorkeur heeft genoten boven het donkere. De inwerking van de Pléiade heeft bij ons de reeds bestaande tendens om het blond te fêteren, versterkt of andersom, de Pléiade kon des te gereder zijn invloed laten gelden wegens deze gemeenschappelijke waardering t.a.v. een bepaald vrouwenschoon. - In de rubriek Nederlandse Letteren toont Lambert Tegenbosch zich teleurgesteld door Jan Engelman's Tweemaal Apollo wegens de vele machteloze uitvallen tegen de eigen tijd. S. Vestdijk en Gerard den Brabander vergelijkend naar aanleiding van hun verzenbundels Een op zeven en Onraad komt Tegenbosch tot de slotsom dat het Vestdijk aan dichterschap ontbreekt en Den Brabander aan persoonlijkheid.

Nieuw Vlaams Tijdschrift. Nr. 1.

In de rubriek Kronieken geeft Eric Standaert een Psychografie van Franz Kafka, die hij uitbeeldt als een zenuwlijder, door voortdurende zelfontleding zich pijnlijk bewust van het gekwelde, opgesloten ‘ik’. Negatieve, sombere zielstoestanden, gevoelens van nietigheid en nutteloosheid, van besluiteloosheid en eenzaamheid kenmerken hem. Evenwel - zij het tevergeefs - streefde hij er met alle kracht naar met zichzelf en met het leven in het reine te komen. - Van Rik Lanckrock is een opstel over Johan Daisne, die aan de hand van zijn werk uitvoerig beschreven wordt als de auteur van het magisch realisme. Toch is zijn vrij fantastisch werk geen vlucht uit het leven, mens en kunstenaar zijn in Daisne volledig ver-

[p. 240]

groeid. L. acht hem het prototype van de Vlaming die er in slaagde Europeër en wereldburger te worden. In zijn later werk valt een verschuiving in realistische richting waar te nemen. - Doet men er goed aan het privé-leven van een overleden auteur aan de openbaarheid prijs te geven? In de rubriek Zoek de mens roert Marnix Gijsen het meningsverschil over deze vraag aan in verband met een boek over de aan acuut alcoholisme overleden Engelse dichter Dylan Thomas.

Tijdschrift voor Levende Talen. XXII, Afl. 1.

Fr. Closset geeft een beschouwing over het werk van de zestigjarige romanschrijver Maurice Roelants, en korte besprekingen van F. Bordewijk, Bloesemtak en Marnix Gijsen, De oudste zoon.

Afl. 2. J. Leenen bespreekt onder ‘Nederlandse taalkunde’ achtereenvolgens: C.B. van Haeringen, Netherlandic Language Research; J.A. Meijers en J.C. Luitingh, Onze voornamen; G. Royen, Latijn en Grieks dat wij allen spreken; C.F.P. Stutterheim, Taalbeschouwing en taalbeheersing; J. Moors, De Oorkondentaal in Belgisch-Limburg van circa 1350 tot 1400. - Fr. Closset geeft onder ‘Nederlandse letteren’ een zeer waarderend overzicht over het oeuvre van Herman Teirlinck, en schetst korter de figuur van Hubert Lampo.

Afl. 3. Fr. Closset behandelt het oeuvre van Marnix Gijsen, tot en met het jongste werk Er gebeurt nooit iets.

Streven. April.

Filip de Pillecyn wordt ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag gehuldigd door F. de Graeve s.j., die de kunstenaar in taalvirtuositeit vergelijkt bij Arthur van Schendel.

Mei. Als psychiater betoogt K. van Acker in de Letterkundige Kroniek dat de ziekte van Prosper van Langendonck een manische psychose is geweest, in wezen onafhankelijk van innerlijke conflicten en omstandigheden.

Etudes Germaniques. XI, No. 2.

In de Chroniques des Livres bespreekt F. Mossé de volgende nederlandse publikaties: C.B. van Haeringen, Netherlandic Language Research; de Esmoreit van Roemans en Gaspar en de Mariken van Nieumeghen van Kruyskamp in de reeks Klassieke Galerij; onder ‘Ré-éditions et réimpressions’ de 2e druk van Van Loey, Middelnederl. Spraakkunst I en de 5e druk van Schönfeld, Historische Grammatica, bewerkt door Van Loey; onder ‘Traductions modernes d'ouvrages anciens’ de tweede druk van Fr. Closset, Joyaux de la littérature flamande du moyen âge.