Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden
Ter onderscheiding van nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden wordt altijd gewezen op het bekende vormverschil: na een onderschikkend is scheiding van onderwerp en persoonsvorm altijd mogelijk; na een nevenschikkend niet altijd. Toch bekruipt de linguist hier altijd iets onbehaaglijks: een analfabetisch taalgebruiker zal wel voelen, dat het vormverschil tussen (‘ik) fiets’ en ‘(ik) fietste’ ook het verschil ad hoc is voor het betekenisverschil tussen ‘proces zonder verleden’ en ‘proces met verleden’. Het opgemelde vormverschil echter zal hij zeker niet in contact brengen met het betekenis-verschil tussen nevenschikkend en onderschikkend ‘verband’.
Daarbij komt nog, dat er met dat betekenisverschil ook iets niet in orde is. Het klopt ongeveer nog wel, zolang wij bij nevenschikking door ‘en’ blijven. Vergelijkt men echter ‘Ik blijf thuis, want het regent’ met ‘Ik blijf thuis, omdat het regent.’, dan zal niemand kunnen ontkennen dat de zaken, genoemd na ‘want’, evenzeer onderschikkend, want redengevend, ‘verbonden’ zijn met de zaken genoemd in de ‘hoofdzin’, als dat het geval is met de zaken genoemd na ‘omdat’.
Onze huidige kennis omtrent dit onderwerp is dus zo onbevredigend, dat twijfel aan de juistheid ervan zeker gerechtvaardigd is. Toch wijst het consequent optredende vormverschil op een of ander betekenisverschil. Wij menen nu een meer plausibel betekenisverschil te kunnen aanwijzen; daartoe moeten wij echter eerst een vrij lange rij van taalfeiten bespreken.
Wanneer iemand een zaak, noembaar in ‘de man’, een proces ziet verrichten, noembaar in ‘lopen’, op een plaats, noembaar in ‘op straat’ en hij heeft daar geen oordeel over, dan noemt hij dat zakencomplex met ‘de op straat lopende man’.
Heeft hij echter over dat zakencomplex wel een oordeel, dan beweert hij: ‘De man loopt op straat.’. Ter betekening van een bewering wordt dus de groep ‘onderwerp plus gezegde’ gebruikt. (Zie: Prof. Dr. A.W. de Groot, Struct. Syntaxis, blz. 99 sqq.). Bijzondere gevallen, zoals bestaansbeweringen (type: Er wordt gedanst) en gezegden in passivo, zijn voor ons doel niet van belang en die laten we dus buiten beschouwing.
Het is normaal een standbeeld eerst aan de voorzijde te bezien. Bij een letterlijk ander standpunt kan iemand het echter ook wel eens eerst aan de achterkant bekijken. Zo is het ook met een beoordeeld zakencomplex.
Normaal is de agens centraal, de rest meer perifeer; van die rest is het proces weer meer centraal dan de plaats waar het zich afspeelt, (geval I).
Bij een subjectief (figuurlijk) ander standpunt kan echter een ander element wel eens centraal zijn, b.v. de plaats waar het proces zich afspeelt, (geval II).
In geval I beweert de spreker: ‘De man loopt op straat.’; in geval II: ‘Op straat loopt de man.’. Het subjectieve standpunt wordt dus betekend in de woordorde. Komt dat overeen met de normale zienswijze, dan begint de woordgroep met het onderwerp (bewering met normaal subjectief standpunt); indien niet, dan met enig ander zinsdeel (bewering met bijzonder subjectief standpunt).
De juistheid van het hierboven gestelde blijkt ook uit een door kinderen van de lagere school vrij vaak gemaakte fout. Van de zin: ‘Op het dak zit een vogel.’ noemen ze ‘op het dak’ dikwijls onderwerp. Dat doen ze, doordat hun taalgevoel hun vertelt, dat het onderwerp normaal vooraan staat.
Het centrale deel van een uit subjectief standpunt beoordeeld zakencomplex