|
|
|
| |
| | | |
Het pronomen Jeij in het Liedboekje van Marigen Remen
De geschiedenis van het persoonlijk voornaamwoord jij vormt sedert lang een crux van de neerlandistiek1. De aanspreekvorm jij die in de zeventiende eeuw opduikt, aanvankelijk sporadisch en vooral in kluchtentaal, en die pas veel later in de beschaafde schrijftaal werd aanvaard, zou moeten corresponderen met een mnl. *ji, een vorm die echter, voor zover mij bekend, in mnl. teksten nooit is aangetroffen2. Het onderzoek naar de aanspreekvormen wordt bemoeilijkt door hun betrekkelijke zeldzaamheid in dateerbare en localiseerbare teksten, en vooral door een grafische eigenaardigheid ten gevolge waarvan de spellingen die ons onder ogen komen de klankrealiteit onvolmaakt kunnen weerspiegelen. Het mnl. spelt namelijk de halfvocaal [j] aan het woord-begin gewoonlijk met het teken i, een letter die in verbinding met i of ij spelvormenals ij of iij zou hebben opgeleverd, die mogelijk als ‘grafische monstra’ zijn verworpen. J.W. Muller nam daarom aan dat spellingen als ghi, ghij, ghy, gi, gij, gy bij hollandse schrijvers taalvormen voorstelden die met een [j] begonnen3.
Mullers hypothese lijkt te worden bevestigd door de gegevens van de gentse grammaticus Joas Lambrecht, wiens Néderlandsche Spellijnghe in 1550 is verschenen4, en die bij zijn behandeling van het teken ij opmerkt ‘dat men zommighe lieden vind / die zegghen iy / of iy / voor ghy’5. De uitspraak met halfvocaal die Lambrecht hier vermoedelijk bedoelt, en die hij in zijn experimentele spelling ook grafisch kon weergeven6, werd in de traditionele mnl. spelling niet door een j-teken voorgesteld, althans niet op het niveau van schriftelijk taalgebruik waartoe de overgrote meerderheid van de bewaarde teksten behoort. Op een veel lager niveau echter, waar de traditie haar invloed minder sterk doet gevoelen, kan men spellingen verwachten die de klankrealiteit juister weergeven.
Het Liedboekje van Marigen Remen, dat het derde gedeelte vormt van codex Ltk. 218 uit de collectie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, bevat een zeventiental lyrische stukken en enige rijmspreuken, die voor het grootste deel nooit zijn uitgegeven. Dit lyriekhandschriftje heeft toebehoord - zo blijkt uit een aantekening op F.65 verso - aan Marigen Remen, over wie niets bekend is. De enige ge- | | | | gevens over de ouderdom van het handschrift zijn verkregen door een onderzoek van de watermerken, op grond waarvan het door De Vreese op ± 1540 wordt gesteld1, een datering die door Lieftinck is aanvaard2. Het dialect van de kopiiste - er zijn sterke aanwijzingen dat het bundeltje voor persoonlijk gebruik is aangelegd - wordt in Bouwstoffen 709,4 ‘Hollandsch’ genoemd. Deze localisering, eventueel verruimd tot ‘westelijk (?) noordnederlands’, zou wat betreft de teksten waaruit hieronder wordt geciteerd, wellicht kunnen berusten op vormen als oefsten (hoogste), schiede (geschiedde), jtvie, tvije (twee), jen (een) en mient (meent). De teksten die Marigen Remen in haar bundeltje heeft verzameld zijn ten dele ook uit andere bronnen bekend, doch ten dele alleen in deze redactie overgeleverd. Zij is uiterst slordig en
kennelijk onbedreven in de kunst van het spellen. Op haar geringe geletterdheid wijst bijvoorbeeld een spelling als herr hoedes voor Herodes.
In dit handschriftje op laag niveau vindt men, naast vormen als ghi, ghij en gi, etc., ook enige keren de spelling jeij. Ik laat hieronder drie citaten waarin deze vorm voorkomt in diplomatisch afschrift volgen:
F.63R: Dats volct jeij dese starre nae. Soe wijl jc hier al bij v blijuen Dats voelct ghij [sic] dese etc
F.64V: Dats weelcoem moet jeij wesen (enige regels hoger: Dats welcoem moet ghij wesen ...).
F.78R: Die vin sel jc jw scencken die jeij soe gherne drinct o mensch gaet jn jw seluen of jeij jw seluen wint
De interpretatie van deze vorm is niet eenvoudig. Aan de [j]-klank kan mijns inziens moeilijk worden getwijfeld, maar de vocaal of diftong na de j is zeer merkwaardig. De kopiiste spelt woorden als meij (mei), eijnde (einde), leijt (leed) op dezelfde wijze. Hebben wij hier te doen met een geval van vroege diftongering3? Vooral aan het woordeinde is dit verschijnsel zeker niet ondenkbaar. Slechts op grond van een onderzoek van spelling en taal in het gehele bundeltje kan misschien worden vastgesteld welke klanken Marigen Remen met haar jeij-spelling heeft bedoeld. Vooruitlopend op dit onderzoek, en op een eventuele uitgave van het Liedboekje, leek het mij van belang deze curieuze vorm uit het midden van de zestiende eeuw te signaleren.
w.p. gerritsen
|
1Men zie de litteratuur bij A.van Loey, Schönfeld's Historische Grammatica van het Nederlands, 6de druk, Zutphen [1959], p. 296.
3J.W. Muller, De herkomst van je en jij, Ts. 45, 1926, p. 81-110.
4Joas Lambrecht, Néderlandsche Spellijnghe, uutghesteld by vrághe ende andwoorde duer Joas Lambrecht, lettersteker. Heliotypisch facsimile van het eenig bekende exemplaar berustende in de Bibliotheek der Gentsche Hoogeschool, Gent 1882, Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen, 4de reeks, nr. 3. Men zie hierover: J.W. Muller, Eene zestiendeeuwsche Gentsche spelling- en uitspraakleer, Onze Volkstaal 3, 1890, p. 184-93.
5Lambrecht, o.c., D ij verso - D iij. De ị, ‘o nderteake nd met ea n stipki[ n]’, is de ‘ i consonans’ (o.c., A6 recto). De precieze interpretatie van devormen iy en ị y moet ik aan specialisten op dit terrein overlaten.
6Dat Lambrechts experimentele spelling op Franse voorbeelden berust heeft P. de Keyser aangetoond in zijn studie: De bronnen van Joas Lambrechts ‘Nederlandsche Spellijnghe’, Revue belge de philologie et d'histoire 7, 1928, p. 1345-62.
1Gegevens uit de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta te Leiden.
2G.I. Lieftinck, Codicum in finibus belgarum ante annum 1550 conscriptorum qui in Bibliotheca Universitatis asservaniur, Pars i, Codices 168-360 Societatis cui nomen Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Lugduni Batavorum 1948, Bibliotheca Universitatis Leidensis, Codices Manuscripti v 1, p. 27-30. Op p. 27 geeft Lieftinck de datering ‘ xvi1’, in Bouwstoffen 709,4 stelt hij het Liedboekje op ‘c. 1540’.
3Cf. ook de voorbeelden bij T. van Veen, Utrecht tussen Oost en West, Assen 1964, diss. Utrecht, p. 103.
|
|