Onze Taaltuin. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 1. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1932-1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Naar aanleiding van Ndl. mok, mokken

In verschillende ndl. dialecten komt een substantief ‘mok’ voor, waarvan de beteekenissen zoozeer uiteenloopen, dat het Wdb. der Ned. Taal (X, 1010-1011) er een behandeling van geeft in vijf artikels, terwijl Vercoullie zès woorden mok onderscheidt, waarvan hij, voorzoover niet de oorsprong, volgens hem, onbekend is, verschillende etymologieën meedeelt; Franck-v. Wijk bespreekt alleen het verbum. Nu is het, gezien de groote verscheidenheid in gebruik (ik vermijd de term beteekenis-ontwikkeling) en in aanmerking genomen de averechtsche manier, waarop de etymol. woordenboeken bewerkt worden, niet zoo verwonderlijk, dat men aan geen etymologische identiteit blijkbaar gedacht heeft. Aan te toonen dat dit hier - grootendeels tenminste stellig - wel het geval is, is de voornaamste bedoeling van deze korte uiteenzetting. -

Er manifesteert zich hier n.l. een beteekenis-systeem, zooals dat reeds jaren geleden door Sperber1) is ontworpen. Het is hem indertijd gelukt een opmerkelijke regelmaat in de aanduidings-verandering van woorden uit de sexueele spheer in de volkstaal te signaleeren en dat op grond van zulk een rijk en welsprekend materiaal uit vooral Duitsche dialecten (door Spitzer2) nog aangevuld uit het romaansch en slavisch), dat zijn resultaten in dezen als zeker geaccepteerd moeten worden. De beteekenissen, die zich volgens Sperber groepeeren om de aanduidingen van ‘vulva’ en ‘coire’ zijn de volgende (men vergelijke de overzichtelijke graphische voorstelling bij Sperber): om het eerste begrip rangschikken zich de beteekenissen: I Weib, weibliches tier, II Zotte, zottiges Kleidungsstück, Vermummter, III andere Körperteile: Mund, Mutterleib, Podex, IV Gebäck, V Sack (Korb, Gefäss). Om het tweede begrip rangschikken zich de beteekenissen: I misshandeln, schlagen, werfen, fallen, ärgern, foppen, betrügen, II sich aus dem Staube machen, laufen, gehen, III (schlecht) arbeiten, (schlecht) schneiden, sich unsicher bewegen, schlecht sprechen, stottern, IV sich vermehren, wachsen, von statten gehen.

[p. 182]

‘Weist ein Stamm dieses Bedeutungssystem ganz oder zu einem beträchtlichem Teil auf, so sind sexuelle Bedeutungen als Ausgangspunkte oder wenigstens als wichtige Knotenpunkte zu betrachten’, meent Sperber p. 448. Nu is dit ‘oder’ hier alleszins op zijn plaats, zooals ook blijkt uit de conclusie's waartoe prof. Stoett ten onzent bij een dgl. onderzoek gekomen is.1) Toch heeft Sperber niet geaarzeld deze restrictie verder te laten varen om een theorie over de oorsprong van de taal op te bouwen, die al even fictief is als al het andere dat daarover gefabeld is.

Men vergelijke nu de beteekenissen van het woord mok:

Mocke = vulva (Fischer, Schwab. Wtb.)

ndl. mok = vrouw, oorspr. scheldwoord (zie Ned. wdb., waarnaar ik telkens stilzwijgend verwijs). Een dgl. aanduiding is in de volkstaal niet ongewoon a); daar ik er echter niet aan beginnen wil en kan om vbb. van Sperber te citeeren, wijs ik er alleen op, dat ook elders en vooral in primitiever stadium deze aanduidingen bekend zijn, zooals het ook wel vermoed wordt voor skr. kálatram.2)

mok = zeug.

mok(ke) = katoenen vrouwmuts (De Bo, Wvla. Idiot.).

mok = makaronvormig koekje. Benamingen voor gebak- en broodvormen hooren hier vaak thuis, getuige de vbb. bij Sperber en de litt. daar genoemd. Daarom lijkt mij de aarzeling van Fr.-v. Wijk om bij ‘kadetje’ van de bet. ‘podex’ (in het fra.) uit te gaan, overbodig.3) Vgl. slavisch zémlja (hgd. Semmel) in de zin van ‘vulva’. Fra. cadette = vloersteen doet denken aan het gebruik van pavimentoriola bij Cicero, zie Goldberger t.a.p. En vgl. nog de bet. van ndl. mik, fluit.

mok = waterkan, beker.

mok = zeemeeuw. Voorzoover mijn geheugen en notities betrouwbaar zijn komt deze bet. bij Sperber niet voor. Dat het echter met de andere woorden identisch kàn zijn getuige hgd. Möwchen4) = meretrix.

mok = paardenziekte. Hierover weet ik niets mee te deelen.

[p. 183]

Van het verbum zijn mij alleen bekend de bet. prevelen (schlecht sprechen), kauwen en wankelen1) (sich unsicher bewegen), al zou dit wellicht aan te vullen zijn uit het overige germaansch, en al zou ik hier een verbum als moffelen kunnen aanhalen, hetgeen ik echter nalaat, omdat de taalhistorische en psychologische betrekkingen tusschen dgl. wisselende bases nog altijd duister zijn. Daarom verwijs ik naar Ned. Wdb. op moffel(en) (de bet. ‘lakken’ van moffel = oven ontbreekt daar) en mop(pen) - mopperen.

Een ook maar eenigszins naar volledigheid strevende behandeling ligt geheel buiten mijn bestek, al meen ik, dat ook uit deze enkele opmerkingen blijkt van hoeveel belang dit alles is voor de etymologische practijk, afgezien nog van de conclusies, die hieruit te trekken zijn omtrent woordgebruik en symboliek in dialect en vaktaal. Goldberger t.a.p. spreekt zelfs grossartig over de intensiteit van een ‘neue, fast den ganzen italischen Wortschatz umschichtende Denkweise als Ausdruck volkseigenen Temperaments’. Daarom wil ik toch terloops wijzen op een woord als ndl. leuteren met de zin van: bedriegen, heen en weer bewegen2), weifelen, peuteren (vgl. veugelen) en kletsen (vgl. dit woord zelf en klits = teef, klets = mok = oorvijg en vrouwenmuts); op woorden als mnl. coten = kwellen naast omnl. coteren = babbelenomnl. crieme = zeug, en criemen = babbelen; en verder noem ik sloofsloven, dreutelen, haspen-haspelen, hoetelen, rijden, daggelen, brodde(n), britse(n), mommen-mompelen en kaaien.

Dit materiaal zou verder gemakkelijk naar alle kanten uit te breiden zijn, evengoed als het mogelijk is dat tusschen de door mij genoemde een enkel woord geslopen is dat hier van huis uit niet hoort. Lonneker

H.L. BEZOEN