Onze Taaltuin. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 1. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1932-1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Vraag en antwoord

Vraag 5.

In krantenartikelen en verslagen ziet men door elkaar gebruikt: waarschuwen vóor... en waarschuwen tégen..., terwijl, om het nog mooier te maken, de éen het volgend voorwerp der waarschuwing mèt, de ander zónder ontkennend ‘niet’ neerschrijft.

Voorbeelden (verslag Tweede Kamer): Mej. A. waarschuwt er voor, niet te veel aandacht te besteden aan enz.’ ‘De heer B. waarschuwt er tegen, niet van Lausanne alle heil te verwachten, maar al te pessimistisch behoeven wij niet te zijn.’ Klaarblijkelijk moet dit ‘niet’ onherroepelijk als onjuist worden beschouwd.

Mijn vraag is: waarvandaan komt dit woord? En hoe is te verklaren, dat men struikelt over zinsbouw na dit woord?

V.

G.E.W.

Antwoord 5.

De oorspronkelijke beteekenis van ‘schuwen’ is, in dit werkwoord, ‘schuw maken’,

[p. 256]

dus iemand afhouden (van iets); ‘waar’ is waarschijnlijk een bnw. met de beteekenis van ‘opmerkzaam’. In het Middelnederl. werd het verbonden met het voorz. van, dat vroeger duidelijker dan tegenwoordig de richting van iets af omschreef. Evenals bij vele andere werkw. is van door meer dan éen voorz. vervangen. Dat hangt o.a. af van het dialect van spreker of schrijver.

De verbinding met een infinitief is van later tijd. In het Mnl. werd het werkw. verbonden met een bijzin met dat. Het werkw. van dien bijzin stond in de aanvoegende wijs, zoodat de zin met dat niet een ‘lijdend-voorwerpszin’ maar een ‘bijzin van doel’ was, thans te kenmerken door opdat. Het is begrijpelijk dat in die bijzinnen niet werd toegevoegd, immers het doel van de waarschuwing is negatief, preventief kan men zeggen. In de echte Zuidholl. volkstaal zal men tot op den huidigen dag zeggen: ‘Ik wáarschóuw je; da-je-n-et níet en dóet.’ Uit de scheiding der zinnen en de accentuatie blijkt, dat de eerste zin volledig is zónder een voorwerp; de tweede zin wordt als concrete inhoud van het eerste gezegde nadrukkelijk toegevoegd. Historisch en ‘logisch’ kan men dien zin met ‘dat’ ook nog als een doelaanwijzenden bijzin beschouwen, en de negatie is terecht toegevoegd. Bij verzwakking van het besef der oorspronkelijke beteekenis van ‘waarschuwen’, doordat beide deelen òf geheel òf in de onderhavige beteekenis verdwenen, kreeg het werkwoord in dit zinsverband de beteekenis van ‘opmerkzaam maken’. (De oude beteekenis bestaat daarnaast echter nog, in absoluut gebruik als: ‘Ik wáarschóuw je!’) Het is duidelijk, dat dan, met verval der pauze, de zin met ‘dat’ voorwerpsfunctie krijgt, en dat de ‘preventie’ ín den zin met ‘dat’ evenzeer door ‘niet’ moet worden uitgedrukt.

Volgt de bijzin op ‘ik waarschuw er voor, er tegen’ dan is de preventie reeds uitgedrukt in den hoofdzin. ‘Logisch’ is dan dus ‘niet’ overbodig. Evenwel, de praktijk van het taalgebruik is niet ‘logisch’, vooral niet bij sterken nadruk of gevoelsontboezeming, die met het ‘waarschuwen’ bijna onvermijdelijk gepaard gaan. Deze behoefte aan ‘dubbele, d.i. nadrukkelijke negatie’ mèt de nawerking in ons ‘taalgevoel’ van de oude constructie, is de verklaring van ‘niet’. Het is waarschijnlijk, dat de ontkennende vorm bij onbewuste uiting algemeen Nederlandsch is.

G.S.O.

Vraag 6.

Het zij ons vergund ons tot U te wenden met het verzoek...te willen mededeelen: of naar Uwe meening het woord LEIDDRAAD (in afwijking van LEIDRAAD) onjuist is. De zaak is dat wij reeds verscheidene jaren uitgeven de ‘Leiddraad voor..., waarbij wij uitgingen van de gedachte dat de gegevens in dit werkje zouden worden beschouwd als een ‘draad om te leiden’; van tijd tot tijd wordt ons echter de opmerking gemaakt, dat het woord, zoo geschreven, niet juist is en behoort te worden vervangen door LEIDRAAD.

N.V.J.H. de B. te A.

Antwoord 6.

Ja, als wij den analogieregel willen volgen - en daar is alles voor! - moeten wij ‘leidraad’, en niet ‘leiddraad’ schrijven; want in dergelijke samenstellingen wordt, ook als een andere medeklinker of klinker als d volgt, de stam-medeklinker-d, niet uitgesproken. Voorbeelden zijn: leiband, geleiblok, leiboom, leioog, leireep, leiriem, leistang, leizeel. Van glijden vormen wij zoo: glijbaan, glijbank, glijboot, glijgewicht en glijstang; van rijden: rijbaan, rijbed, rijbewijs, rijbroek, rijdier - wie zou van rijddier niet schrikken? - rijjool, rijkunst, rijlaars, rijles, rijmeester, rijpaard, rijpad, rijpartijtje, rijrok, rijschaaf, rijschaal, rijschoenen, rijschool, rijspoor, rijtoer, rijtuig, rijwagen, rijwiel, rijzadel, rijzweep enz. Ik geloof niet, dat ik nog verder door behoef te gaan. De voorbeelden liggen overal voor het grijpen.

J.v.G.