dat onder taalvormen alléen flexie-vormen moeten worden verstaan. Dat wij dus een categorie van functies alleen mogen aannemen, wanneer er een categorie van buigingsvormen bestaat. Ondanks het ontbreken of het verval der flexie blijf ik echter van meening, dat er in het Nederlandsch functioneele categorieën als die der casus en der aspecten in velerlei vormen der taal tot uitdrukking komen, evengoed als men toch algemeen van ‘modaliteiten’ in het Nederlandsch spreekt, uitgedrukt in allerlei ‘vormen’ buiten en behalve de resten der ‘modi’. Het zou er treurig uitzien voor de beschrijving der Nederlandsche taal, wanneer wij alleen naar flexie-vormen mochten kijken. In de tweede plaats schrikken sommigen ervoor terug, categorieën van een al te groot aantal functie-schakeeringen op te stellen en te benoemen. Wie aan een dergelijk gevoel van onmacht toegeeft, ziet inderdaad af van productief werken aan het groote doel der taalwetenschap: de eindeloos wisselende relaties van vorm en functie te kennen.
Van deze overtuiging uitgaande, ben ik in het onlangs uitgegeven tweede stuk der Zeventiende-eeuwsche Syntaxis gekomen tot de oplossing van eenige moeilijkheden inzake ‘vormen en functies’ van zinnen, belangrijk genoeg om er meer in het algemeen over te spreken.
We onderscheiden ‘hoofdzinnen naar den vorm’ en ‘bijzinnen naar den vorm’, waarbij de ‘grammaticale vormen’ zijn bedoeld: de woordschikking van scheidbaar of onscheidbaar S.Vf. Zinnen met onscheidbaar complex van subject en persoonsvorm zijn ‘hoofdzin naar den vorm’, de anderen zijn ‘bijzin naar den vorm’. De bijzinnen i.c. vallen in twee groepen: ingeleid door een voegwoord en ingeleid door een pronomen.
Daarna komen in aanmerking de zinnen die primair niet door de grammaticale vormen der woordschikking en inleidende woorden, maar door den niet-mededeelenden vorm van de synthese van accent, toon en tempo, den syntactisch-phonetischen vorm, en in tweede instantie door andere grammaticale vormen dan de genoemde worden gekenmerkt. Hierbij valt op te merken, dat bij de zinnen gekenmerkt door de scheidbaarheid van S. en Vf. de aanwezigheid van het Vf. onmisbaar kenmiddel is; zinnen zonder Vf. worden dus terzijde gelaten. Daarentegen is de al- of niet aanwezigheid van het Vf. géen criterium van belang bij de zinnen die primair door den niet-grammaticalen vorm zijn gekenmerkt: zinnen zonder Vf. worden hier dus niet afgezonderd.1)
De zinnen primair gekenmerkt door den synt.-phonetischen vorm, kunnen ook worden verdeeld in hoofd- en bijzinnen.