den modernen Sprachen ist gewiss gefördert durch das Bedürfnis der Zeitungen an Ueberschriften und Schlagzeilen.’1)
Niet de zínsvormen van deze krantentitels dringen in ‘de taal’ door, wèl bestaat die kans voor de typische wóorden, in het bijzonder de tallooze en omvangrijke composita, samenstellingen en samenkoppelingen, die, gelijk bekend, in principe als ‘korte taalvorm’ bij uitnemendheid moeten worden beschouwd. Een staaltje van samenstelling als ‘Danswaanzinrecord’ kan alleen door een opmaker in zwang komen. Over de typen van samenstelling spreek ik in de tweede, over de typen van korte zinnen in de eerste plaats.
1. De vragende zin. De grammaticale vormen van de vraag ontbreken: het vooropstaande werkwoord, het vooropstaande vragende bijwoord of voornaamwoord. Het vraagteeken als aanduiding van den vragenden zinstoon moet ‘het dóen’. Onzekerheid en twijfel worden door dezen korten zinsvorm ‘medegedeeld’: Een Duitsche Exportpremie? - Geen nieuwe staatsgreep? - Te hevige verkorting leidt tot onduidelijkheid: Herstelgloren? (= Begint het economisch herstel te gloren?) - Beter is splitsing van een omvangrijken zin: Entente Cordiale! Tusschen hoevelen? - De splitsing in subject en vragend gezegde is een ‘verzwaring’ die ironisch effect heeft in: Hitlers hotelrekening. Was die te hoog of lager? -
2. De verzwijging van het vervoegde werkwoord in den normalen korten titel heeft ten gevolge, dat de volledige zinsvorm mèt het werkwoord een bijzonder effect heeft. Het zijn òf sensationeele nieuwtjes, die ‘dramatisch’ worden voorgesteld: Tram overrijdt een kind. - Koeien doen tram ontsporen. - Nood in Twente stijgt. - Òf wel, de opmaker legt de ironie er dik op: ‘Ouder-Amstel bezuinigt’ (door het werkwoord wekt hij de tegenstelling op met Amsterdám). - Willy Sklarek berust in zijn veroordeeling (Eindelijk!). - ‘De Champagne bestaat 250 jaar!’ - ‘Goed landzaat spreekt Nederlandsch’ (Ironisch citaat van wat de Minister zei over een op naturalisatie belust vreemdeling die geen Nederlandsch kon leeren). -
3. Groot is het aantal zinnen met een deelwoord, dat tot ‘verbum finitum’ wordt verheven: Geldleening goedgekeurd. - Crisisgevaar bezworen. - Een weldoener gehuldigd. - Ex-koning Manuel overleden. - Getracht zijn vrouw te wurgen. - Onderhandelingen aanstaande. -
4. De rijkste ontplooiing constateeren wij bij de voorzetselbepaling. Vooral gebruikelijk in de tweeledige constructie van een substantief + voorzetselbepaling. Ook de enkele bepaling echter fungeert als ‘korte