Onze Taaltuin. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 2. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1933-1934


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Taalkaart: dorpel

Een der treffendste bewijzen, dat het Frankisch der Salische wet: Oudnederlandsch is, vinden wij in het specifiek Nederlandsche woord dorpel, dat van huis uit in geen enkele andere Oudgermaansche taal voorkomt, maar dat art. 58 der lex Salica in de wending in duropalo = op den dorpel gebruikt. Later verspreidde het zich van Nederland uit naar het zoogenaamde Oudfriesch, Rijnfrankisch en Middelnederduitsch. Dat dit woord een samenstelling is uit oudgerm. duri/duru = deur + het Latijnsche leenwoord pâlus = paal, is vaak betwijfeld, maar wordt door een nauwkeurige vergelijking onzer beide taalkaarten Dorpel en Deur (Deel 1, blz. 192) ineens afdoende bewezen. Trouwens Kiliaens vaak onecht genoemde vorm deurpael, deurpel, komt ineens op 4 ver van elkander gelegen plaatsen voor den dag: 1o. in Schijndel en Ravenstein, 2o. in Werchter en Vilvoorden en 3o. in Geel en Westerloo, 4o. in Epen.

Verder blijkt uit de kaart aanstonds, dat Dorpel een ± 400 opgekomen term is, die den ook hier vroeger overal voorkomenden Algemeen-germaanschen naam swalja: swelle (hgd. Schwelle) heeft moeten verdringen. Want de vorm zulle (cf zuster en zulk) en zijn delabialiseeringen zelle en zille komen nog heden ten dage niet slechts in de peripherie, maar ook in allerlei relicten midden in het land voor. Juist als op de kaart van vinden, blijkt ook hier 1o. West-Vlaanderen met zijn zulle, zelle, zille niet-Frankisch te zijn, 2o. verschijnt zöl en seul te Diepenbeek en Tongeren in het land van Loon en 3o. in Gelderland, Overijsel en Drenthe: zul en zulle. Maar bovendien 4o. vermelden Cornelissen en Vervliet, Schuermans en Hoeuft dit woord nog in staande uitdrukkingen en bijzonder gespecificeerde beteekenissen en vinden wij het op onze kaart in Noord Brabant te Riel, Oudenbosch en Eersel. Wij mogen dus met een paar groote pijlen den gang van het woord dorpel door ons land in den tijd der Salische Franken weergeven.

[p. 53]



illustratie

Als wij nu verder de talrijke vormen van deze weldra verholen samenstelling in de verschillende handschriften der Salische wet vergelijken, dan vinden wij daar 1o. reeds den zweemgraad -pel voor -paal in duropelle, durbilo en duropullo, en 2o. ook reeds de Nederlandsche o in het eerste lid van dorpilo naast de oude u in de andere vormen. De oude u is nog heden ongeschonden bewaard in doerpel te Oudenaerden, maar Nederbrakel heeft reeds doorple, Aardenburg dorpele en Heydinge bij Gent dorpel,

[p. 54]

evenals Zuid-Holland. De Umlaut-looze vorm van Deur vinden wij op onze dialectkaart verder alleen nog in Friesland bewaard, maar de Mnl. vorm dore bewijst, dat die vroeger ook in Holland en Vlaanderen meer voorkwam. De Umlautsvormen deurpel, durpel en dörpel liggen alle in het deur-gebied. Juist als bij deur zich de gedelabialiseerde vormen deer en dier vertoonden, duiken hier in dezelfde streken delper (Dendermonde) derpel (Brecht en Denderleeuw en Berg) en dirpel (Maldeghem) op. Het daarpel van Weert en darpel in de Lijmers herinnert ons onmiddellijk aan den daar-vorm voor deur uit Vaals en Herzogenrath. Bij het Texelsche deer, dat zich vroeger verder naar het Zuiden uitstrekte, sluit het M.E. Hollandsche derpel aan.

Dit derpel moet namelijk langs de kust van Zuid- en Noord Holland zijn voorgekomen, hieruit toch alleen is de omzetting dreppel verklaarbaar, die wij niet slechts in de oude keuren van Delft en Leiden en bij Gerrit Potter, maar ook in de Oudfriesche rechtsbronnen vinden. Analoge omzettingen zijn got. faurhtei, hgd. Furcht: godsvrucht, got. bairhts: -brecht, got. waurhta: wrocht, got. naudithaurfts: nooddruft, got. sparwa: spreeuw. Maar juist als uit derpel: dreppel ontstond, kwam het Groningsche en mnd. druppel uit durpel en ofri * droppel uit dorpel. En even als nu papilio tot pimpel(mees), kaperfoelie tot kamperfoelie, papier tot pampier, wepel en wippel tot wimpel, trappen tot trampen en kauffoor tot komfoor werden, ontwikkelden zich nu door spontane nasaliseering uit dreppel: het Oudfriesche en tegenwoordige Hollandsche drempel, uit druppel het Oost Nederlandsche en Oudfriesche drumpel, en uit droppel het Oud- en Nieuwfriesche drompel. Al de vormen met deze metathesis blijken dus in de noordelijke helft van ons vaderland te liggen, en behalve in Noord-Oost Groningen hebben zij alle een ingevoegden nasaal ontwikkeld.

Maar het Oud-Doringsch gebied heeft nog een andere, namelijk een wederkeerige, omzetting der r met de l. Zoo wordt dan in Zuid-Beveland durpel tot dulper, en in Sas van Gent tot dulleper, derpel werd in Dendermonde tot delper, deerpel werd in Bilsen tot deelper, deurpel werd in Oost-Zuid-Brabant tot deulper, en dörpel werd in de Haspengouw, Merchtem, Hamont en Oost-Noord-Brabant tot döll(e)per. Dat dit geen toevallige verspreking maar een regelmatig verschijnsel is blijkt 1o. uit de breede verspreiding dezer gevallen, maar verder ook uit het groot aantal voorbeelden van deze verandering, die b.v. in Maastricht tot een klankwet zonder uitzondering schijnt geworden te zijn. Naast dölleper uit dörpel vinden wij daar toch: göllegere uit gorgelen, kellever uit kervel, melleger uit mergel, mêlder uit merel, ölleger uit orgel, enz.

[p. 55]

Om de kaart niet onduidelijk te maken is de frequente Svarabhaktivocaal in het Zuiden niet opgegeven; en zijn de grenslijnen van de klinkers der eerste silbe weggelaten.

J.v.G.