Onze Taaltuin. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 2. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1933-1934


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 97]

[Nummer 4]

De figuur van Willem I in Vondels lyriek

EEN belangstellende vraag om nadere uiteenzetting van wat ik op blz. 90/2 aanduidde als barokke lyrische vormen, is gereede aanleiding tot een korte karakteristiek van Vondels verzen, gewijd aan de nagedachtenis van Wilhelmus van Nassauen. Ik onderstel, daarbij niet slechts te herhalen, wat anderen terloops hebben opgemerkt. Ook bied ik mijn verontschuldiging aan, zoo er in den stortvloed van herdenkingslitteratuur in dit jaar, een bespreking van de combinatie ‘Vondel en Willem I’ niet tot mijn kennis is gekomen.1)

Vondels gevoelens jegens de vorsten van Oranje zijn kort besproken door Kalff in ‘Studiën over Nederl. dichters der 17de eeuw’ blz. 60/2, bij de teekening van ‘Vondel als burger’. Het is gewenscht, iets uitvoeriger dan Kalff te spreken over den merkwaardigen kijk van Vondel op de figuur van vader ‘Wel-hem’. Reeds uit de citaten van Kalff blijkt, dat Vondel persoonlijk weliswaar in hem eerde den kampioen voor ‘de vrijheid en haar recht’, maar in zijn lyrische ‘visie’ onverflauwd werd gekweld door het beeld van den Vader ‘die voor de Vryheyd viel in Hollands hart, door móorders háet’. De figuur van den grooten held verschijnt voor den geest van onzen grootsten lyricus steeds in het visioen van den móord, den martelaarsdood. De trilling van Vondels hartstochtelijke liefde-en-haat is in de talrijke vormen van deze dichterlijke obsessie hoor- en voelbaar. Om dit te toonen, is het gewenscht het citaat van Kalff2) uit te breiden:

[p. 98]
 
Segh, hoe d' in bloed gedoopte siel
 
Des helds, die voor de vryheyd viel
 
In Hollands hart, door moorders haet,
 
Bekoort1) door goud en glimp van Staet,
 
Hier aen mijn' slincke sij' gevoeght,
 
Door mergh van rede my vernoeght.

Pas in het verband der eerste vier versregels voelen wij in volle kracht de aandoening, de aangedaanheid, van den dichter. De toch reeds korte verzen zijn gebroken door het enjambement van 1 op 2, 2 op 3, en de verzwarende toevoeging van een pauze, van ‘door móorders háet’. Deze brekingen der verzen verwekken een hevige afwisseling in kracht der heffingen, een steeds weer uitbarstend rhythme. Syntáctische spanning ontstaat, behalve door de genoemde toevoeging in 3b, door de daarmee verbonden attributieve bepaling bij het verwijderde en zelf ondergeschikte ‘moorders’, en vooral door de onderbreking van het verband van het subject in 2 en het gezegde in 6. Het meest ‘affectief’ is de klánkvorm: vocaalrijm van ‘hoe’ en ‘bloed’, van ‘moorders’ en ‘bekoort’, van ‘glimp’ en ‘slinck’; allittereerende overgang van ‘held’ naar ‘Hollands hart’ en ‘haet’, van ‘voor de vrijheyd viel’, van ‘goud’ en ‘glimp’. De allitteratie verzwaart den nadruk der grimmige woordspeling in ‘Hollands hart’, die denken doet aan den regel uit Geusevesper: ‘Hadt by Hollandt dan ghedraghen Onder 't hart’, gelijk ook door de bovengenoemde brekingen en enjambementen de vers- en zinsgeleding van het geciteerde fragment zeer verwant is aan den vorm van telkens een lang en een kort vers in dat hartstochtelijk hekeldicht. Ten slotte: de gruwelijke evocatie van beeld-en-klank in ‘d'in bloed gedoopte siel’ is wel het meest ‘barokke’ element in de geciteerde verzen.

Sterker nog is het effect van dit moordvisioen, wanneer Vondel tegen dien bloedigen achtergrond de figuur van Frederik Hendrik doet oprijzen. Vrede-rijck was in Vondels voorstelling de jonge held, de jongste van Welhems zonen, dien hij in de variatie op het Wilhelmus, het Princelied, laat zeggen:

 
‘'s Lants rechten en vrijheden
 
Ik helpen zal in zwang;
 
In geen vereende steden
 
Geweten's felle dwang
 
Of tyrannije lijen’.

Hij was, ‘de Wachter, en Schutsheer van den Tuin’, de waarborger van den vrede, in dithyrambischen vorm bezongen in vs. 245-260 van

[p. 99]

de ‘Begroetenis aen Vorst Frederick’. Als zoodanig was hij echter de zoon van zijn vader, wiens bloed het zaad was van Frederiks geloof in het recht der vrijheid; getuige de Zegezang ter eere van Frederick Henrick:

 
De vrijheyd als een' Sonne schijn'
 
Op allerhande slagh van menschen,
 
Die om 't gemeene beste wenschen.
 
Men maeck van 't Christelijck geloof
 
Geen plondering en sielenroof:
 
Men onderdruck geen vroom gewisse,
 
Met boeten en gevangenisse:
 
Maer laet God rechter van 't gemoed
 
Uw Vader storte hierom Sijn bloed.

Deze vermanende slotregel wordt verzacht in de dan volgende verzen over den held, verheerlijkt na zijn onderstelden dood:

 
My dunckt ick sie alree van verr
 
Syn aenschijn schittren als een star,
 
Wien Holland wieroockt met gebeden:
 
Omdat by 't hoofd van 's vyands steden
 
Opofferde1) als een heyligh pand,
 
Sijn vaders graf, sijn vaderland’.

Ook de lévende Frederik was in de visie van den lyricus Vondel een lichtende figuur, een ‘Siegfried’. Hij verschijnt in Vondels verhevenste zangen als de ontembare held; die spreekt uit juichende verzen van het Princelied als deze:

 
‘Noch wil ick 't vendel zweyen
 
Van Hollands fieren Leeuw’.

Hij is de vorst als ‘voorste’ in den slag, de moedige ruiter, hoog op zijn ‘schuymbekkend ros’; het leidende, mee-sleepende hoofd van Staten en soldaten, in lyrische symboliek het oranje-, of het groen-, of het wit-gepluimde hoofd. Een opmerkelijke analyse van Frederiks ‘figuur’, van dit aenschijn, dit gelaet, dat harten doet ontdoyen, waer 't vyand krijght in 't oogh daer moet het heyr verstroyen...; van dat ysren hoofd van 't hoofd, dat over soo veel hoofden Gesagh heeft, daer vaeck 't roode en blaeuwe vier uyt sprong...; des Veldheers hellemet en swaeyende pluymagie, die als de ruytery kan vaen nocht stander sien, In 't heetste van den strijd, haer tot kornette dien' (d.i. haar vaandel-

[p. 100]

drager zij); dit alles is gegeven in de reeks van epigrammen ‘Op de beeltenis van Vorst Fredrick Henrick’, die nauw samenhangt met de reeds genoemde ‘Begroetenis’, gedrukt in 1626:

20
Op uwe trommel treed de wackere soldaet
 
Veel moediger. Het paerd dat schuymbeckt, en met brieschen,
 
Het Spaensch genet uyttart; en om des vyands drieschen
 
En dreygen lacht de bloem van uwe ruytery:
 
Die draeft op uw' trompet stofweckende; daer ghy,
25
So blanck in 't harrenas, beswaeyt met groene pluymen
 
Aenbrallen komt als Mars, voor wien de Goden ruymen.

En hierop nu volgt onmiddellijk het visioen van den ‘droeven vadermoort’, als achtergrond van de lichtende figuur:

 
Dit is niet nieus, ghy hebt dit Schaeckspel meer geplogen,
30
En vroegh uyt moeders borst den Spaenschen haet gesogen,
 
Van zedert Wilhem lagh, o droeve vadermoord!
 
Besprenckelt van veel bloeds, in 't laeuwe bloed gesmoort;
 
Bevocht van traenen, die betuyghden 't bitter scheyen.
 
't Hof was met droeven galm gepropt, en onder 't schreyen,
35
En 't jammren werd verdooft uw' kinderlijcke stem.
 
Ghy trockt geen' voedbre melck, maer hartseer uyt de mem:
 
Recht of het lot uw' borst wou tegens ramp opqueecken;
 
Op dat ghy moght bestaen, om onses tijds gebreken
 
Te heelen...

Hier is de eenheid van zoon-en-vader gegeven in een vorm, sterk gespannen door gevoel en beeld, zin en woord, rhythme en klank. De beelden zijn barok door de overmaat in hun verscheidenheid, en hun ruig realisme vooral in het tweede fragment: tot tweemaal toe het beeld van de moederborst, waaruit de jonge held den Spaanschen haet, de schutsheer echter het hartzeer heeft gezogen, dat hem drijft ‘om onzes tyds gebreken te heelen’, nog fraaier omschreven in vers 3: ‘te stroocken dees' teedre eeuw’. Formeele kenmerken van hooge spanning in het eerste deel zijn o.a. de sterke staaltjes van enjambement tusschen alle vers-paren op éen na, met vooral in 24/5 dien imposanten nadruk op het verheerlijkte subject ‘gij’. Syntactisch spannend zijn de participiale constructies, in vs. 25 (in 't harrenas) ‘beswaeyt met groene pluymen’ om de plastiek van dit werkwoord in het perfectief aspect; in vs. 24 ‘uw ruiterij Die draeft op uw' trompet stofweckende’, om de fraaie schildering van dit sierend woord, klassiek van vorming, praegnant door zijn

[p. 101]

geïsoleerde plaats aan het zinseinde, zoowel als door de dubbele rhytmische heffing onmiddellijk voor de reeds genoemde heffing van ‘gif’:

illustratie

Het tweede deel, dat het visioen van den droeven vadermoord op doet doemen, bevat geen zoo sterk gespannen rhythmen. Hiér zijn de verzen gelijk ‘het hof met droeven galm gepropt’; men hoort dien droeven galm in de overheerschende klanken oe, oo, ò, nu en dan afgewisseld door de klagende aa, aauw en ey. De statige gang der verzen wordt alleen onderbroken door de in toonstijging opklinkende coördinatie van ‘tschreyen//En 't jammren’, en door de antithetische deeling in tweeën van vers 36, waar het ‘hártséer’ uit opstijgt. Opmerkelijk affectieve werking door klinkerherhaling is die van vers 30: vroeg - moeders, Spaenschen - haet, overgaand in vers 31: droeve - vader(moord), en uitloopend in de barokke plastiek der woordherhaling in het ‘top-vers’ 32, te vergelijken met ‘d'in bloed gedoopte siel’, hierboven geciteerd.

De associatie van de figuur van ‘Prins Welhem, eer te Delf door moordenaers pistolen Geschoten’ (Geboortklock 845/6) en de figuur van Frederik Hendrik vinden we nogmaals, in meer episch-dramatischen vorm, in den aanhef van het kleine epos op de ‘Verovering van Grol’ van 1627. Frederik is ook hier weer de leider, de fiere ruiter, de lichtende leydstar:

 
En ghy, o Frederick! die fier en trots te paerde
 
Voor Hollands vrydom vecht, en yvert met den swaerde
15
En 't volck, dat hier geschoolt krielt als een byenswarm,
 
Verdadight door Gods kracht, en uwen ys'ren arm;
 
Indienghe t'een'ger tijd, van 's lands bekommeringen
 
En sorregen ontlast, mijn ruw gedicht hoort singen:
 
Soo oordeel heusch van hem, die door uw' deughd gewinckt,
20
Geen' leydstar kent, als 't licht dat op uw' helmtop blinckt.

Onmiskenbaar is in het laatste vers de hooge toon der heldere vocalen en de door een reeks van explosieven kort-gespannen rhythmiek.

Frederik Hendrik nu wordt gewekt tot groote daden door het visioen van zijns vaders geest:

45
'Twas duyster, en het hof na 'et woelen overrompelt
 
Van vaeck, gerust lagh in vergetelheyd gedompelt;
 
En vee en vogel sweegh in 't midden van den nacht;
 
Door eenen diepen slaep betoovert en verkracht:
 
Wanneer Prins Henrick docht, dat voor syn' bedsté nader
50
En nader quam de geest van wylen sijnen Vader
[p. 102]
 
Met slependen gewade en tabberd van satyn:
 
Van wesen en gebaer, juyst in dien selven schijn
 
Men van hem tuyght, dat hy na 'et jongste middageten
 
Van synen disch opstond, en, sonder yets te weten
55
Van laegen of bedrogh, trad buyten syne sael.

Dit motief der geestverschijning is natuurlijk evenzeer Vergiliaansch als de volgende oproep tot den zoon:

 
Soon, sprack hy, waerde soon, verschrick niet voor mijn' tael.
 
Ick ben uw vader self: 'k ben Welhem, wiens gebeente
 
En asch noch waeckt om u, en over dees' gemeente:
 
Schoon ofwe u sijn ontruckt door een' onrype dood;
60
Doen 't wondenbloed besprengde, in voesters lieven schoot,
 
Uw teere onnooselheyd, hierinne noch geluckigh,
 
Dat haer begrijp 't verlies niet kon bekennen druckigh
 
Wat leghtghe logh en traegh, verslenst, en slap van moed,
 
En druckt de pluymen, soon? die passen op den hoed.
65
Of seyde u oyt mijn' faem, of leerde u myn' histori:
 
Dat ick dús heb geleyd de grondvest onser glori?

Hier dénkt Vondel weer aan den grondlegger onzer vrijheid, maar hij zíet den grooten Wilhem als ‘d'in bloed gesmoorde siel’. En wéer ziet hij in Frederik Hendrik het kind dat door de fataliteit van den moord tot den strijd was voorbeschikt. Wat den vorm dezer verzen betreft: het minder-lyrische karakter verklaart zoowel de gekunstelde syntaxis als van een Rederijker in vers 62, als het ‘euphuïsme’ in de woordspeling op ‘pluymen’ in vers 64. In vers 49-52 voelen we het barokke van de gruwzaam-dramatische voorstelling der ‘verschijning’, de spannend-langzame nadering:... dat nader//En nader quam de geest van sijnen Vader//Met slependen gewade...: rhythmisch effect door de enjambeerende coördinatie van het herhaalde woord ‘nader’, klankherhaling door ‘nader - vader - gewade’ tot in het volgende vers, in dien opmerkelijk statigen datief ‘met slépendén gewáde. Met deze klankherhaling gaat gepaard de bekende verklanking van den ‘tred’ in dentale explosieven1). En terwijl het in den Geboortklock nuchter heet: ‘Prins Wilhem, eer te Delf door moordenaers pistolen//Geschoten, liet de wraeck de vierschaer Gods bevolen’, wordt hier de scheidende geest aldus voorgesteld:

 
Soo spreeckt hy, en ruckt óp vergramt syn' bloote borst,
 
En toont het gaepen van een' eeuwig bloende wonde,
 
En dwijnt voor 't sluymeroogh in 't duyster, voor de sponde.
[p. 103]

Hierin, en in heel dit visioen, herkennen wij, dunkt mij, nogmaals den hekeldichter, die vooraan zijn grootste hekeldicht van Palamedes dien anderen ‘vader’, Oldenbarneveld, wiens dood hem een nog heviger obsessie was, schildert in een sonnet dat een nachtmerrie uitbeeldt. Het is niet noodig, de verwantschap van de barokke plastiek in deze twee beschrijvingen aan te toonen. Het is echter van belang, voor het inzicht in de lyriek van Vondel, op deze gelijkenis te wijzen, omdat dit inzicht alleen kan voortkomen uit de onderscheiding der ‘motieven’ en vooral de ‘figuren’ van dezen lyricus die zijn eigen ‘ik’ zelden toont. En gelijk wij Vondels liefde voor de vrijheid voelen door het beeld van den vader verbonden aan dat van den zoon, beseffen wij zijn ‘hartseer’ door de figuren van de twée vaders van den staat. Zoo zouden we ook het beeld van Frederik Hendrik niet volledig zien, zonder den tegenhanger Maurits, in Vondels oogen ‘Koelmoedig overweger’, en vooral niet zonder de figuratie van Frederik Hendriks zoon als een der ‘Monsters deser eeuw’, in 1650. De aanval van Willem II op Amsterdam wekte in dubbel opzicht Vondels verontwaardiging en afschuw. Immers door dit ‘verraet’ werd Amsterdam getroffen, dat is de in Vondels groote lyriek alles overstralende ‘figuur’ van welvaart en wereldheerschappij, dat is in het kleine gedicht met den zooeven geciteerden titel ‘'s Lants nootvriendin’ en ook ‘het hart des lants’, dat is ten slotte de eerezetel van ‘Onze Vrede-vaders, Vaders des Vaderlandts, de Heeren Burgemeesters’ van wie hij in 1647 getuigde:

 
Uw wijsheit holp d' Oranje Snoeren vlechten
 
En banden, daer 't Gewelt aen leit getemt,
 
De barse Krijgh, zoo lang van rust vervremt,
 
En op wiens hart geen vredewensch kon hechten.

In den eersten regel wordt het streven van Welhem en Vrederijck het streven ook van Amsterdam. Het Verraet van Willem II is verraad aan de idealen van zijn onmiddellijke voorvaderen. Het trof Vondel te dieper, omdat onmiddellijk na den vrede de ‘Hydra’ den kop opstak, eerst in Engeland in 1649, door den ‘Vader-moort’:

 
Vermomde Lucifer had door zijn Parlement
 
Den Heer het Swaert ontruckt, de Kerk en 't Hof geschent.

En na dezen ‘Lucifer’ die den Heer het Swaert ontruckt, door de tragische verschijning van den te hoog strevenden jeugdigen ‘Phaëton’: ‘Dus storte Oranje, als Faëton, Die 's vaders spoor niet volgen kon’.1) Zoo komen we thans aan ‘De Monsters onzer Eeuwe’:

[p. 104]
1
Men hoeft om Monsters niet te reizen
 
Naer Afrika:
 
Europe broetze in haer palaizen
 
Vol ongena...
9
Der Engelandren tongen lecken
 
Hun Vaders strot
 
En toonen 's Konings hooft in 't becken
 
Om snoot genot...
17
Oranje, in 't harnas opgezeten,
 
Ruckt Hollant in,
 
Op Amsterdam te helsch gebeten,
20
's Lants nootvriendin.
 
Hij wenscht zijn dol rappier te stooten
 
Door 't hart des lants.
 
Hoe heeft de Deught haer verf verschoten!
 
Waer is haer glans?
25
Verbeet ooit wolf een lam verwoeder!
 
Waer baert de tijt
 
Een zoon, zoo boos, die zijne moeder
 
De borst afsnijt!

Nog meer dan bij het fragment door ons in den aanhef besproken, treft hier de overeenkomst in vorm met Geusevesper. Vrijwel het eenige verschil is gelegen in de maat: in Geusevesper de trochaeïsche, hier de jambische. Het schema van 4 en 2 heffingen in afwisselend lange en korte regels, die telkens getweeën een syntactische eenheid vormen, leidt in beide hartuitstortingen tot de spannende pauze der versgrens vóor het nadrukkelijke, hevig affectieve slot in de korte versvormen. Voor de gelijkheid zoowel van dit tot het uiterste gespannen accent en gebroken rhythme, als van de barokke beeldspraak, vergelijke men bijv. vs. 11/12 met Geusevespers ‘Wt gestroyt, om scharp te wetten 's Volleks haet’, en vs. 27/8 met: ‘Vreest den worm die desen rechter 't Hart afbijt’. In beide gedichten vindt het affect ook een uitweg in den herhaalden, varieerenden rhetorischen vraagvorm, hier in vs. 23 tot en met 28 uitdijend tot het volslagen barokke complex van den teugelloozen uitroep en de pointe door antithetische beelden, met een climax tot in het laatste vers. In de slotverzen treft ons de reeds eerder genoemde klanksymboliek van ò, oo en oe, evenals de bindende allitteratie van ‘beet’, ‘baert’, ‘boos’, ‘bórst’. En zoo wordt ook het bedreigde ‘hárt’ des lants aangekondigd door ‘harnas’, ‘Hollant’, ‘hélsch’.

G.S. OVERDIEP