Onze Taaltuin. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 2. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1933-1934


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nog een Hollandsche expansie: de ronding van lenen: leunen en soortgelijke

Van Helten sprak hier van o-Umlaut, maar Franck liet dit hoogstens als aanleiding of hulpoorzaak gelden, en weet de ronding vooral aan de omgevende labiale en labio-dentale medeklinkers. Maar ook dit bevredigt niet, als wij er de dentalen niet bijnemen, en werkt dan nog niet dwingend. Een derde bij-oorzaak is dan de ongeaccentueerdheid van het woord. En een vierde is de lagere taalkring, waartoe vaak de voorbeelden behooren. Maar de hoofdoorzaak is de labiale articulatiebasis, die echter alleen dit definitieve resultaat bereikt, als een of meer der bijoorzaken als bondgenoot optreden. Dit blijkt vooral, als wij dit verschijnsel over heel het Neder- en Hoogduitsch gebied overschouwen, en wij telkens weer hier en daar een labiale haard zulke geronde vormen uit zien stralen naar de neutrale terreinen, maar ze voor de laryngale ontrondende kerngebieden telkens halt zien houden. Al de gewoonlijk opgegeven regeltjes van omgevende consonanten, ongeaccentueerdheid,

[p. 114]

o-Umlaut of lagere taalkringen gelden voor die kerngebieden natuurlijk even goed, en toch blijven ze daar zonder resultaat. Bovendien weten wij dat de articulatie-basis juist in de lagere kringen, en vooral in de minder opgemerkte ongeaccentueerde vocalen, en in gunstige vocaal- of consonantomgeving haar lusten het zekerst weet bot te vieren. De articulatie-basis is dus de eigenlijke hoofdoorzaak.

Een globaal overzicht dezer rondingsgevallen geeft L. Sütterlin in zijn Neuhochdeutsche Grammatik mit besonderer Berücksichtigung der Nhd. Mundarten, München 1924 blz. 161 vlgd. En hij wijst onmiddellijk in de juiste richting, als hij zijn behandeling opent met dezen zin: ‘Rundung und Entrundung sind zwei Vorgänge, die einander entgegengesetzt sind. Sie gehören daher auch niemals der gleichen Landschaft an, wenigstens nicht gleichzeitig’. Ware hij van de Landschaft naar de aangeboren articulatiebasis der Landschaftbewohner overgegaan - en dat moet hij toch in den grond der zaak bedoeld hebben - dan had hij den spijker recht op den kop geslagen. Dat ook ten onzent de rondingshaardgebieden van de ontrondingshaarden scherp gescheiden zijn, toont een vergelijking onzer eerste drie en laatste drie kaartjes mèt die van put en vuur uit den vorigen jaargang onmiddellijk.

Doel van deze taalgeographische verhandeling is: dit voor het Nederlandsch taalgebied nu eens wat nauwkeuriger na te gaan, en zoo aan een duidelijk voorbeeld te toonen: hoe in de verspreiding der klankveranderingen het sociologische verkeers- en het biologische tongvalelement elkander nu eens helpen en dan weer bestrijden. Wij bespreken daartoe eerst de resultaten van het tegenwoordig dialect-onderzoek; en zullen daarna aan de hand der historische gegevens trachten te begrijpen, dat ook hier ‘in 't verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’.

Dat de zoogenaamde o-Umlaut een centraal Zuid-Hollandsch verschijnsel is, was al lang bekend en vinden wij in alle handboeken vermeld. Maar dat deze feiten-groep zich buitengewoon goed leent om als voorbeeld te dienen van een ‘Hollandsche expansie’ over ons heele taalgebied, is mij pas duidelijk geworden, toen ik de voornaamste voorbeelden in isoglossen op de kaart had uitgeteekend. Op onze verkleinde afbeeldingen van die kaarten zijn telkens de eu-gebieden zwaargestreept.

I

Ik sprak daarjuist van Centraal Zuid-Hollandsch, en zonder daarmee vooral het kust-Friesch en een streek ten noorden van Leiden, maar ook misschien een deel van het Westland uit; want dit zijn ontrondings-

[p. 115]

gebieden, gelijk uit het put- en het vuur-kaartje blijkt. Op het eerste kaartje heeft de eu-vorm van ‘Deze’, van dezen haard uit, zich nog alleen over een paar Zuid-Hollandsche eilanden, een randje van Brabant, het Westelijkste stukje van Gelderland, de helft van Utrecht, en bijna heel Noord-Holland en de Noordzee eilanden uitgebreid. De stippellijn op deze kaart geeft het gebied van de Friesche en Nederduitsche vormen dizze en disse aan.1) Aan den rand van dit gebied vinden wij ook nog een paar geronde vormen duzze, dusse en dösse op Terschelling en in Twente. Daar echter ook West- en Oostfalen de geronde vormen düsse en dösse kennen, is het onwaarschijnlijk, dat de Twentsche parallellen aan de Hollandsche expansie te wijten zouden zijn. Duzze van Terschelling zal wel een compromisvorm zijn.

Ons welsprekend tweede kaartje toont de eu-vormen van ‘Tegen’ reeds iets verder verbreid. Wel blijven de Zuid-Hollandsche eilanden behalve de streek van Dordrecht immuun, maar in Noord-Brabant is het reeds verder doorgedrongen tot in Dongen, 's-Hertogenbosch en Oosterwijk. Bovendien vertoont zich een eiland uit den 80-jarigen oorlog, rond Bergen op Zoom, met Steenbergen, Breda, Hoeven en Brecht; ook Sambeek heeft de eu. Dan vinden we teugen reeds in Gelderland te Harderwijk en Breedevoort, en verder in Overijsel rond Deventer, aan den IJsel tot Zwolle en dan weer rond Wolvega, te Heerenveen, Leeuwarden en Sneek. Over de juiste grens van 't Landfriesch tsjin, tjin en jin zie Hof blz. 175. In Groningen heeft het Winschoten en omgeving, in Drenthe Nieuw-Schoonebeek reeds bezet. Dan vinden we in Zuid Nederland teugen nog te Vijlen in het land van Waas, en in een aaneengesloten stuk van het Zuid-Westvlaamsch begrensd door Thielt, Iseghem en Gulleghem en in het Oostvlaamsch Oudenaarde. Gluren hier de Schelde-questie en de barrière-steden niet om den hoek? Ook in al de genoemde plaatsen van Oost-Nederland is vrij recente Hollandsche invloed aanneembaar; terwijl een autonoom Nederduitsch tjeugen pas vereenzaamd in Oldenburg opduikt. (Sarauw I blz. 49-68) De hypothese van W. de Vries (Ts. 41 blz. 193) dat teugen zijn eu aan de tegenstelling ‘veur of teugen’ zou te danken hebben, is voor het kerngebied althans onaannemelijk, daar juist in Zuid-Holland buiten Den Haag veur nergens voorkomt. In het Oosten des lands kan deze assimilatieve invloed echter als bij-oorzaak de Hollandsche expansie geholpen hebben. Het tsjun dat naast teugen in Sneek opduikt is weer een compromis-vorm.

[p. 116]



illustratie

[p. 117]



illustratie

Ook het derde kaartje met steunen voor ‘Stenen’ (zuchten) is van beteekenis. Het komt ons op de eerste plaats nog even aanschouwelijk bewijzen, dat op de eerste twee kaartjes Noord-Holland geen kerngebied maar een heusche aanwinst was. De oorzaak dat in dit woord de eu slechts sporadisch naar Noord-Holland doordrong, zal wel hierin gelegen zijn, dat het hier niet stenen maar stennen luidt. Het stennen-stönnen-gebied hebben wij op het kaartje weer met een stippellijn aangegeven. Maar op de tweede plaats is dit kaartje belangrijk om de sterke expansie naar het Oosten. Hier in het Oosten ontmoette de Hollandsche expansie namelijk een bondgenoot in het hgd. stöhnen, dat op een Nederduitschen geronden vorm stönen berust. De samenwerking dezer twee elkander in Gelderland en Overijsel ontmoetende stroomingen overwon zelfs de stennen-vormen, die ook hier eenmaal moeten hebben bestaan, want van de IJselstreek af vinden wij hier niet steunen maar stönnen. Dat Breda steunen heeft, kan ons niet meer verwonderen, en het Oost-Brabantsche en Noord-Limburgsche steunen wordt ons duidelijk, als wij ons herinneren, dat de streek van Ravenstein, Kuik, Gennep en Venray tot in 1793 in Duitsch bezit waren en in het Hoogduitsch bestuurd werden.1) Het Roermondsche eilandje is als vierde kwartier van Gelder te begrijpen. Dat steunen (zuchten) niet uit het mnl. sterke ww. stenen zou ontstaan zijn, maar daarmee in Ablautsverhouding zou staan, is, gegeven deze geographische uitbreiding, niet langer te verdedigen. Het gemak, waarmee men vroeger alle onbegrepen afwijkingen naar praehistorische Indogermaansche Ablautsverschillen meende te

[p. 118]

kunnen verwijzen: is de interpretatie der Nederlandsche dialectvormen slechts zelden ten goede gekomen en heeft in de groote lijn een onoverzienbare verwarring gesticht.

Op het vierde kaartje zien wij, dat de eu-vorm van ‘Zeven’ nu ineens een veel wijder gebied heeft bezet. Bij de Saksische articulatiebasis, die wij uit de vorige kaartjes reeds als een gunstigen voederbodem voor deze rondingen hebben leeren kennen, is zeuven overal welkom ingehaald, en dit te meer, wijl ook van de overzijde der grens de neiging tot ronding hierheen kwam, daar söven in het Middelnederduitsch van Halle b.v. reeds in de 13de eeuw en later ook in het Westen voorkwam (Lasch, § 175, Sarauw I blz. 304). Ook de labiale Brabantsche en Betuwsche mondstand nam zeuven gretig van Holland over, tot aan Horst, Budel, Overpelt, Moll, Geel, Herenthals en Doel aan den Scheldeoever met IJsendijke in het onder Brabantschen invloed staande Zeeuwsch-Vlaanderen. In Brabant volgen dan nog de eu-eilandjes Zonnebeke, Willebroek, Waver, Noorderwijk en Aerschot. Ook het Noord-Limburgsch en het Zuidelijkste Limburgsch tegen de taalgrens namen voetstoots den eu-vorm op; maar de laryngale articulatiebasis van het mouilleerings- en gutturaliseeringsgebied tusschen Venlo en Kerkrade weigert zeuven te aanvaarden, en volhardt in die weigering tot op den huidigen dag.

Het vijfde kaartje van speulen voor ‘Spelen’ vertoont op Zuid-Limburg na, dat voor dit niet zoo frequente woord (Kaeding 4800) geen aanraking genoeg met Holland had: ongeveer dezelfde eu-uitbreiding als zeuven. De Zuidelijke grensplaatsen zijn hier Hulst, Stabroeck, Brecht, Geel, Moll, Overpelt, Maaseyk, Neeritter en Venlo. Alleen staat het hier voor het Saksisch gedeelte vast, dat de rondingstendenz heelemaal uit Holland kwam, en niet door een tegemoetkomende strooming van de overzijde werd geholpen, want de ook hier voorkomende Mnd. Westelijke grensvormen met eu, worden juist zelf aan Frankisch Hollandschen invloed geweten (Lasch en Sarauw ibidem) daar ze elders niet in Nederduitschland voorkomen. Van de Wadden-eilanden ben ik niet zeker, vooral niet van Vlieland en Schiermonnikoog.

Met het zesde kaartje ‘Veel’: veul is het aan de Saksische zijde weer juist hetzelfde geval. Ook hier gaat de Hollandsche rondingsinvloed vrij ver over de Duitsche grens tot in Munsterland. Maar ook in het Frankisch gedeelte worden nu, door dit zeer frequente woord (Kaeding 27000), niet alleen het laryngale mouilleerings- en gutturaliseeringsgebied overrompeld, maar bovendien gaan de Hollandsche rondingsvormen via Kleef en Emmerik een heel eind het Rijnland in (Hanen-

[p. 119]

berg § 42, Frings § 30). Ten overvloede wordt nu nog bijna heel Zuid-Brabant en het Zuidelijke deel van Belgisch Limburg, via Maastricht door veul ingenomen. Maar het Noordelijke deel, het bekende laryngale ontrondingsgebied, dat juist omgekeerd van deur: deer en dier, van neus: nees, van greun: green, van veur: veer en van vuur: vier, van bruur: brier, van pöt: pet maakte, weigert halstarrig: onder wat voor invloed van buiten het dan ook zij van veel: veul te maken. Maar niet alleen dit Oostelijk delabialisatie-gebied maar ook het Westelijke in het Schelde en Dendergebied weigert alle ronding in den klinker van veel. Juist toch waar dit laatste gebied begint, houdt ineens de veul-expansie op. Alleen het middelste delabialisatiegebied, de stad Leuven heeft in den laatsten tijd veul naast veel binnengelaten.

Op al de zes totnutoe behandelde kaartjes heeft zich de sterk laryngale en ontrondende Zeeuwsche articulatiebasis (Verschuur § 1) van alle lippenronding als een ‘vreemde smet’ vrij weten te houden. Telkens opnieuw bleef de Hollandsche invloed in een der eerste Zuid-Hollandsche eilanden steken, en geen enkele eu uit ee kwam de oude laryngale vesting van Goeree voorbij.

Nu zien wij echter op ons zevende kaartje met ‘Leunen’ uit lenen iets anders gebeuren. Om een reden, die wij pas hieronder kunnen toelichten, zwichtte voor dit voorbeeld van Hollandsche expansie de Zeeuwsche eigenheid, en gaf het zelfs via Zeeuwsch-Vlaanderen aan de Noordelijke helft van West-Vlaanderen door. Maar het Zuiden verzet zich vooreerst, wijl dit gedeelte een meer uitgesproken laryngale articulatiebasis bezit; maar wijl, ook op dit gebied bij zoo'n infrequent woord (Kaeding 314) door de lengte van den weg over ongunstig terrein de kracht van den verkeersinvloed op den duur uitgeput raakt.

Maar ook in Oostvlaanderen komt leunen weer verder dan veul; en daardoor teekent zich hier het Westelijke delabialisatiegebied op dit kaartje ook naar het Zuiden en het Westen weer in scherpe lijnen af. Ook naar het Oosten verbreidt zich leunen blijkbaar zonder eenigen tegenstand. Ook lennen dat hier in Twente gegolden moet hebben, veranderde gelijk stennen in lönnen.

Op ons laatste kaartje van heur wijkt ook voor dit vaak enclitische allerfrequentst pronomen het Zuidelijk deel van West-Vlaanderen. (Kaeding 70000). Blijvend verzetten zich echter ook hier ten slotte onze drie bekende bijna onoverwinnelijke laryngale haard-gebieden: het gebied van Bree en Hasselt tot Moelingen en Oorsbeek, het gebied van Leuven en omgeving en het Schelde Dender-gebied, dat hier naar Oudenaarde nog een uitlooper heeft, evenals Twente hier een klein

[p. 120]

ongerond gebied vertoont, die pas hieronder kunnen worden verklaard.1)

Van ‘Reus’: rees had ik ook nog een kaartje kunnen geven, maar het lijkt sprekend op de kaart van heur. Alleen heeft ook Friesland hier de eu, en Vlieland raas en Oudenaarde evenals Twente reuze.

Zoo geeft dus de huidige verspreiding der geronde eu-vormen op zich zelf reeds het afdoende bewijs van een Hollandsche expansie, die zich geleidelijk maar met sterke voorkeur over de verschillende streken van het Nederlandsch taalgebied heeft uitgebreid. Maar wij moeten nu, met behulp der overgeleverde vormen uit vroeger eeuwen, deze uitbreiding chronologisch zoo nauwkeurig mogelijk trachten vast te leggen, en in verband daarmee de sociologische taalkringen pogen op te sporen, die deze rondingen uit het kerngebied naar alle kanten hebben uitgedragen. Daartoe zullen wij echter, als wij den loop der eeuwen willen volgen, grootendeels de omgekeerde volgorde van ons geographisch overzicht moeten kiezen; want het blijkt al spoedig, dat hier de laatstgenoemde: in de chronologische werkelijkheid de eerste zijn geweest.

II

‘Reus’. In den oudsten Hollandsch Middelnederlandschen tekst van Melis Stoke vinden wij reeds den geronden vorm: ruse. Maar in de Utrechtsche Buurkerkrekeningen vinden wij nog rese. In Vlaanderen is in het oudste Mnl. rese nog de gewone vorm, maar bij Maerlant vinden wij al hier en daar rose b.v. in het miniaturenhschr. C. van den Rijmbijbel, en in den Spiegel Historiael. In den Ferguut 2 maal rose maar 12 maal rese. Dan vinden wij de geronde vormen in de epiek der 14de eeuw: den Malegijs, Flandrijs en Seghelijn. Maar in de Gentsche Rekeningen komt ruese pas in 1379 voor den dag. Jan van Heelu en de Brabantsche Yeesten hebben nog rese. De Excellente Kronike brengt hier pas den eersten geronden vorm, maar Sexagius van Mechelen schrijft in 1580 nog rese. Ook in het Oosten vinden wij bij Pater Brugman nog rese, evenals in den Teuthonista. Trouwens in heel het Mnd. is een geronde vorm van dit woord onbekend. Ook de Limb.-Sermoenen hebben nog rese. Kiliaen heeft nog rese en reuse naast elkaar, maar Plantijn heeft alleen: reuse oft rose. De reusen en dwergen waren het speciale eigendom der speelmannen en minstreelen, zouden wij hier dus niet met een vakterm van dat gilde te doen hebben, die b.v. niemand minder

[p. 121]

dan Jacob van Maerlant van het Hollandsche hof te Voorne mee naar Damme bracht, en die toen door de epiek der 14de eeuw vooral in de hoogere leekekringen gemeengoed werd? In de lagere kringen wint hij dan veld door de romantische reus-vertooningen bij kermissen en keurjuweelen, het langst weerstaat de taal der geestelijken; maar op het eind der Middeleeuwen heeft de geronde vorm het overal gewonnen, behalve in de drie onverbiddelijke delabialisatie-kringen. Zoo wordt het ten minste duidelijk, hoe de later zoo moeilijk te breken barrière van Zeeland hier het eerst en spelender wijze schijnt te worden verbroken. Maar bij de latere volksuitbreiding herkregen althans de drie ultra-laryngale kringen hun invloed en wezen de geronde vormen af.

Als tweede in de rij volgt dan ‘Heur’ of eur, dat bij Maerlant zelf nog niet voorkomt: ‘in der älteren flämischen Sprache ist das Bestehen dieser Formen zweifelhaft’, zegt Franck. Alleen in het door Willem de Vreese (Grondstoffen) als ‘Hollandsch-Utrechtsch’ gekarakterizeerde handschrift der strophische Gedichten duiken deze vormen voor het eerst op. Maar dan zien wij ze ook overal verder voortdringen. Edda Tille wijst ons in Nijhoff's Oorkonden voor Gelderland reeds een ‘hor’ en ‘oer’ aan in 1313. Zoelen en Avezaat vertoonen het in 1357. De Veluwe in 1396. Helmond in Brabant heeft het in 1356, St. Truyen in Zuid-Limburg reeds in 1354. Het Statutenboek van Maastricht heeft het in 1380. Ook de Limburgsche Sermoenen hebben reeds een paar maal: hore. In de Stadsrechten en Rekeningen van Vlaanderen verschijnt het te Oudenaarde in 1389, maar verbreidt zich pas in 1440 naar Thielt, 1442 naar Veurne, 1450 naar Hazebroeck, 1461 naar Yperen, 1463 naar Dendermonde, 1465 naar St. Winox Bergen, 1470 naar Oudenburg. Ik hecht geen waarde aan elk dezer jaartallen afzonderlijk, maar wel aan het heele beeld der verspreiding, dat Joz. Jacobs ons hiermee ontworpen heeft. De Hollanders Dirk en Gerrit Potter en Hildegaersberg hebben natuurlijk hoir en hoer naast hair, ook Dodonaeus en Plantijn. In het Oost-Nederlandsch heeft het de heele Moderne devotie. Dan komt Marnix met huer, en Coornhert, en Bredero, en Const. Huygens in zijn Delflandsch en zijn zusters in hare correspondentie, maar ook volop in de familiairder stukken van Vondel. Sindsdien is het Algemeen-Nederlandsch; maar hare: haar blijft - waarschijnlijk door den Statenbijbel - steeds de officieele en deftiger vorm. Want als onbetoonde vorm in den mond van ons Middeleeuwsch volk heeft heur zich baan gebroken over Zeeland en de Midden-Limburgsche barrière van het mouilleerings- en gutturaliseerings-gebied, en het kwam weer alleen tot staan in de drie koppiglaryngale kringen van Zuid-Nederland, waar thans nog eer en eel de

[p. 122]

plaats van (h)eur vervullen. Dat hier een geweldige volkskracht achter zat, en wij hier dus met iets heel anders als bij reus te doen hebben, beseft een ieder, die weet hoe vaak dit pronomen in het Mnl. voorkomt. Kaedings Häufigkeits wörterbuch (Berlin 1898) is natuurlijk voor onze Middeleeuwen geen nauwkeurige maatstaf; maar het geeft toch ook ons te denken, dat terwijl het woord Riese op de 20 millioen silben of 11 millioen woorden nauwkeurig geteld: slechts 37 maal voorkomt; de pronominaalvormen van den stam ihr: 70000 maal voorkomen; dat is dus ruw gerekend 2000 maal zooveel. Op de kaart ziet men niets van dit verschil, maar des te scherper moeten wij erop letten.

Het nu volgende woord ‘Veul’ is toch ook een frequent woord, al kan het aan ‘Heur’ niet halen. Volgens Kaeding komt ‘viel’ op hetzelfde totaal: 27000 maal voor. De van Holland op Zeeland aanstuwende kracht van veul is dus maar ruim een derde van die, waarmee heur in de Zeeuwsche ooren drong. Bovendien werkte heur juist sterk suggestief, omdat het zoo vaak pro- of enclitisch voorkomt; en de articulatiebasis zich altijd het duidelijkst in de ongeaccentueerde silben laat kennen. Deze twee redenen samen verklaren ons nu, waarom heur de Zeeuwsche barrière kon doorbreken, maar veul er tot op den dag van heden niet heeft kunnen binnendringen. Heel Zeeland zegt nog veel of vee, op Hulst na. Toch komt de ronding in het Mnl. al vroeg genoeg voor, maar het zijn aanvankelijk allemaal Hollandsche teksten die het hebben. Franck noemt dan ook ‘voel: Holländisch’. Verdam noteert het verder als ‘Oostmiddelnederlandsch’. Edda Tille wijst in Gelderland het eerste ‘vole’ reeds aan in 1308, dat is dus nog vroeger dan hor en oer. Maar op de Veluwe komen ze ongeveer gelijktijdig aan, in 1396. En dan volgt de Moderne Devotie met bijna altijd voel. Verder vinden wij het in de rechtstaal van den Drentschen Etstoel. Maar het is ook al heel vroeg in Brabant bekend, blijkens den Rinclus; in Limburg komt het misschien via het 4de Geldersche kwartier van Roermond in den tekst der Servatius-legende uit 1450 het eerst voor den dag. Het St. Truyensche hschr. van het Leven van Jesus uit het begin der 14de eeuw heeft nog vele; maar het Maaseiksche uit 1473 heeft reeds trouw: den geronden vorm. Zou de Limburgsche isoglosse toen dus geloopen hebben als die van Speulen nu? Opmerkelijk is het, dat Hildegaersberch zelf en Gerrit Potter van der Loo de geronde vormen vermijden: blijkbaar als te vulgair; en de 193 maal voel tegen 5 maal vele van het Hildegaersberch-hschr. B uit Oss 1469 berusten waarschijnlijk op een mindere fijngevoeligheid in dit opzicht. Op het gewilde plat van Bredero en Huygens' Delflandsch behoeven wij wel niet meer te wijzen. Alleen is het nuttig

[p. 123]

eraan te herinneren, dat Huygens' zusters altijd ‘veel’ schrijven. Wij mogen dus aannemen dat de isoglosse van veul in de volkstaal op het einde der Middeleeuwen in Noord-Nederland reeds ongeveer liep gelijk thans; en daarna, juist wegens het onbeschaafde cachet geen verdere vorderingen meer gemaakt heeft. Misschien mogen wij zelfs vermoeden, dat de vulgaire toon van ‘veul’ in onze gouden eeuw nog versterkt is door het feit, dat de vele West- en Oostvlamingen, die hier in de 17de eeuw den toon aangaven, tegen het Vla. reus en heur, geen bezwaar hadden, maar wel tegen veul, dat zij van huis uit als plat-Brabantsch aanvoelden. En zoo doen zij het in Zuid-Nederland tot heden toe.

‘Speulen’ moet al een paar eeuwen jonger zijn dan Veul, want in de 13de of 14de eeuw kan ik het nergens vinden. In de 15de vinden wij het echter weder het eerst in Hollandsche teksten, de Oude Nederlandsche spreuken van Meyer, De Jacobikerk Bijdragen anno 1438 en de Leidsche rechtsbronnen 1444. Franck spreekt dan ook van ‘holl. spölen für spelen’. Dan volgen het Recht van het Nedersticht en het Keurboek van Haarlem. In Gelderland komt de geronde vorm nog niet in Nijhoff's Oorkonden voor, maar wel in het latere Recht van Elburg en Harderwijk en in de Reken. v. Hattem, waar dan Diepenveen en de Moderne Devotie weer bij aansluiten. In Oss komt ook speulen voor in 1469. In Limburg vind ik het te Maaseik in 1473 in dezelfde handschriften als ‘voel’. Men herinnert zich, dat de isoglosse van spoelen nog heden juist ten Zuiden van Maaseik loopt. Maar ook hier doet zich blijkbaar in Holland spoedig weer het vulgaire karakter gevoelen. Gerrit Potter v.d. Loo en Hildegaersberg zelf gebruiken trouw: spelen. Evenals de Bredanaar Smeken in het spel van Nieuwervaert. Huygens' Delflandsch en Bredero zoeken natuurlijk juist het platte ‘speulen’. Dat speulen echter ook reeds tijdens de ME. in Drenthe en Groningen eenerzijds en in heel Noord-Brabant anderzijds bekend was, durf ik niet met zekerheid beweren. Best mogelijk, dat de 80-jarige oorlog ook pas deze twee Noordelijkste provinciën en een stuk van Nederduitschland (Doornkaat Koolman: spölen) voor den geronden vorm veroverd heeft; en voor Brabant lijkt het mij heel zeker dat wij hier met den invloed van den 80-jarigen oorlog te doen hebben, toen de Hollandsche legers herhaaldelijk deze provincie hebben bezet en doorkruist. En wij gelooven dit te meer, daar de Zuidgrens van speulen in Brabant waarschijnlijk tot ± 1800 met de Noord-Nederlandsche landgrens samenviel, en pas tijdens de 19de eeuw een klein gedeelte van Zuid-Nederland schijnt te zijn binnengedrongen. De isoglosse van ‘Zeuven’ valt bijna heelemaal met die van speulen samen, en ik geloof dan ook, dat de geschiedenissen dezer beide vormen

[p. 124]

vrijwel parallel loopen. Ook zeuven komt het eerst in Hollandsche maar betrekkelijk late Mnl. teksten voor: de Spreuken van Meyer en het Brusselsche hschr. van Sint Geertruiden Minne. En van Holland uit verspreidt het zich eerst naar het Noorden blijkens de Westfriesche Stadsrechten, dan naar het Oosten gelijk Nijhoff's Oorkonden bewijzen. Het lijstje bij Edda Tille op blz. 47 toont, dat daar in 1327 suven verschijnt, in 1344 soven en in 1361 soeven. Dan volgt het stadsrecht van Kampen enz. Dat Bredero nog seve heeft, maar Huygens' Delflandsch seuven, bewijst weer, dat ook hier Waterland niet tot het kerngebied behoort. Ook in Groningen en Emden (Doornkaat Koolman: söven) hebben de uit het Westen en het Oosten gekomen geronde vormen elkander pas in den 80-jarigen oorlog ontmoet. Dat Brabant en Limburg in de M.E. nog grootendeels seven hadden, is duidelijk. Ook Kiliaen kent alleen nog seven. Plantijn geeft na seven: soven. Juist als bij speulen, zal dus hier de Hollandsche expansie in het Zuiden in den 80-jarigen oorlog en den tijd der Generaliteitslanden moeten doorgewerkt hebben, terwijl de verdere uitbreiding in Zuid-Nederland pas uit de 19de eeuw schijnt te dagteekenen. Dat hierbij weer het vulgariteits-cachet verhinderd heeft, dat zeuven tot in 1900 in de beschaafde kringen van Nederland veld won, behoeven wij niet meer te herhalen. Alleen dient er wel nog even op gewezen, dat het ontzaglijk toegenomen telephoonverkeer een scherper onderscheid tusschen zeven en negen wenschelijk maakte; en dat daarvoor zeuven zich nu reeds heeft vastgenesteld. Deze nieuwe bruikbaarheid zal waarschijnlijk op den duur aan zeuven nog een late overwinning over het eeuwenlang zooveel machtiger zeven bereiden.

Maar dat dit ook van den beginne af aan mogelijk was geweest, toont ons de geschiedenis van het opzettelijk overgeslagen ‘Leunen’. Deze voorspoedige eu-vorm is waarschijnlijk niet ouder dan 1400. ‘Loenen’ komt toch in het Mnl. alleen voor in vier late vijftiend-eeuwsche handschriften, uit Holland. Dan komt het voor bij Houwaert, Marnix, Cats en de Brune, Revius, Oudaen, Vondel's Leeuwendalers, van Riebeek en Valentijn en verder in het Utrechtsche Placaetboek van 1697. Winschoten geeft beide vormen met de nadere toelichting: ‘hij leende, of leunde (op zijn Amsterdams)’. De Statenbijbel heeft leunen slechts in drie Boeken. Al de overige hebben lenen, dat we niet alleen uitsluitend bij De Castelein, Everaert, De Dene, van der Noot, van Mander, Coornhert, Kiliaen, Bredero, Hooft, J. de Decker en Gerard Brandt vinden, maar dat ook bij bijna al de voor leunen genoemde schrijvers nog vaker dan de eu-vorm voorkomt. En toch heeft dit gelukskind zich waarschijnlijk tijdens de 18de eeuw vliegensvlug over bijna heel ons taalgebied verspreid, zoodat

[p. 125]

ineens ‘lenen’ tot op enkele dialectkringen uitsterft, en alleen leunen krachtig verder leeft en zelfs tot in het Nederduitsch buiten onze grenzen voortdringt (Doornkaat Koolman: lönen). Wat mag hiervan naast de labiale articulatiebasis de bijkomstige reden zijn, daar wij hier noch met een pro- of enclitisch woord, noch met een bijzonder gunstige consonant-combinatie, noch ten slotte met een reeds eeuwen verdwenen o in de tweede silbe, noch met een lageren taalkring mogen rekenen? Waarschijnlijk was er hiervoor een dubbele echt 18de-eeuwsche bij-oorzaak: 1e. was ‘lenen’ over het grootste deel van ons taalgebied als hinderlijk homoniem met ‘leenen’ samen gevallen, en dus zoodra er een plaatsvervanger was, ten doode opgeschreven; 2e. werd leunen als rijmwoord door het synonieme steunen krachtig geholpen en gestut. Aan dit buitengewone toevalstreffen moet leunen dan ook zijn verwonderlijke stootkracht tegen bijna alle barrières en zijn snelle uitbreiding over ons heele taalgebied te danken hebben.

Voor ‘Steunen’ = zuchten inplaats van stenen, moet er volgens Verdam, die echter geen enkele bewijsplaats aanhaalt, nog hier of daar een laat mnl. gegeven zijn. Ik weet echter geen oudere plaats dan Vondel's Leeuwendalers. Buiten Gelderland, waar de Hollandsche en Hoogduitsche invloeden (stöhnen) elkander ontmoetten, en bovendien nog het Oostnederl. kronen: kreunen als synoniem rijmwoord meehielp, heeft het nergens veel bijval gevonden. Niet echter, wijl het minder beschaafd zou geklonken hebben, want daarvan is hier niets te bespeuren. Maar om een analoge reden als zoo juist ter verzwakking van lenen is bijgebracht: immers door ronding van stenen, werd dit ww. in het Zuiden een storend homoniem van steunen (in den zin van leunen) en daardoor was het in veel gevallen onbruikbaar, en kwam het niet verder.

Voor onze twee laatste gevallen: ‘Deuze’ en ‘Teugen’ ken ik geen oudere bewijsplaatsen dan het plat-Hollandsch der 17de eeuw. Bij van Halteren komt deuze nog niet voor. Bredero en Willem Dircksz Hooft gebruiken het in hun kluchten. Ook Vondel (III 84) en Huygens in 't Delflandsch Vrouwenlof. Teugen is b.v. bij Bredero, Huygens (ibidem), P.C. Hooft en Bormeesters Nieuwsgierig Aegje te vinden. Als ik mij niet vergis, zijn beide vormen in Hollandsche boeren- en polderkringen opgekomen. Beide dragen het stigma der onbeschaafdheid, en kwamen zoo niet veel verder dan Noord-Holland. Dat de verspreiding van deuze bij die van teugen achterstaat, is zeker toe te schrijven aan het feit, dat dit voornaamwoord in onze dagelijksche omgangstaal veel minder vaak voorkomt dan het voorzetsel tegen, ja zelfs op vele plaatsen reeds geheel en al uit het Nederlandsch volksgebruik is verdwenen. Voor het

[p. 126]

Duitsche ‘gegen’ geeft Kaeding een frequentie op van 25000 op de 11 millioen woorden. Ons Nederlandsch tegen staat dus hierin ongeveer op denzelfden trap als veel (viel = 27000).

 

Men zal zich misschien verwonderen, dat wij hierbij niet nog andere analoge rondingsgevallen hebben besproken. Zeker hadden wij hierbij ook het Mnl. belen = boelen (blaffen) en Mnl. telen: teulen, verder bezem: beuzem, kevel: keuvelen en besmeren: besmeuren kunnen behandelen: want deze behooren alle tot dezelfde groep, maar wij bezitten hierover geen voldoende taalgeographische gegevens. Alleen weet ik zeker, dat beuzem chronologisch even jong en nog minder ver verspreid is dan deuze en teugen, terwijl teulen op speulen lijkt en het deftige besmeuren en keuvelen met leunen gelijkenis vertoonen. Met opzet niet behandeld is gone en gunne voor gene, en gunder voor ginder, weke: woke: woeke, wege: woge, weuge, die juist bij voorkeur in Westvlaanderen voorkomen en dus geen Hollandsch labiaal maar een laryngaal verschijnsel zijn, al heeft het zich gedeeltelijk ook later over Holland verspreid. Eveneens zijn met opzet geweerd de wel verwante rondingsvoorbeelden spul voor spel, zulver voor zilver, schulp voor schelp en de vele andere analoge gevallen, waar niet de ee in open lettergreep het uitgangspunt was. Deze zullen later nog wel eens gezamenlijk behandeld worden.

 

Rest ons dus nog slechts: de conclusie te trekken.

Het centrum van Zuid-Holland was dus minstens van 1200 tot 1700 voor de gerekte ee in open lettergrepen een labiale haard, die de geronde vormen naar alle kanten heeft uitgestraald. Niet alle omgevende streken namen deze rondingen echter even gewillig over. De peripherie van Zuid-Holland was vrij onwillig. Noord-Holland en Utrecht bleken het makkelijkst te winnen. Dan Gelderland met Overijsel, Drenthe en Groningen in zijn gevolg, zonder dat hier gewoonlijk een halte of een hiaat bemerkbaar is, wat een bewijs is dat hier de inheemsche articulatiebasis meer mee dan tegen werkte. Want dat steunen niet verder naar Groningen doordrong kan bij dit relatief zeldzame woord o.a. ook nog aan uitgeputte stuwkracht over zoo lange weg worden geweten. En de heer-vorm voor heur in Twente bewijst hetzelfde, als wij hier niet in laryngale omgeving komen, wat ik voorloopig in het midden laat.

Naar het Zuiden nemen ook Noord-Brabant en 't Noorden van Nederlandsch Limburg de rondingen gemakkelijk over, met dit opvallend verschil, dat wat in Holland tot de lagere kringen beperkt blijft, hier ook spoedig in de hoogere kringen en dus ook in de Mnl. schrijftaal

[p. 127]

doordringt. Midden-Limburg echter verzaakt althans voor speulen en zeuven. En dat is begrijpelijk, want dit is de streek waar de dentalen door mouilleering of gutturaliseering naar achter in den mond verhuisden, hier heerschte dus een laryngale articulatiebasis. En dat die hier werkelijk schuld heeft aan dit niet overnemen der Hollandsch-Geldersche ronding, hoewel toch Roermond als Geldersch kwartier zeker den aandrang duidelijk genoeg gevoeld heeft, bewijst het weer wel overnemen der eu van zeuven door het Zuidelijkst deel van Limburg: de streek van Eupen en Montzen, waar blijkens Welters' nieuwste boek § 249 een labiale articulatiebasis regeert. Alleen voor de allerfrequentste woorden moet ook Midden Limburg zwichten. Maar ook in Zuid-Brabant stootte de uit het Noorden komende rondings-tendenz op de drie ultra-laryngale gebieden: in het Oude Land van Loon, en de stad Leuven met omgeving en de Dender- en Scheldestreek, die juist door een consequente delabialisatie van deur tot deer, van neus tot nees, van greun tot green, van veur (vuur) tot veer, hun actieve laryngale articulatiebasis betuigen, en zich dus heel begrijpelijk ook tegen deze rondingen verzetten, en dat wel met zulk een kracht, dat geen enkele ronding, zelfs niet, die van zulke frequente woorden als heur en veul, dezen tegenstand geheel kon overwinnen. Alleen veul drong even het kleinste gebied van Leuven binnen. Ook hier voltooit zich het bewijs weer door het wèl doordringen der eu-vormen ten Zuiden van deze eilanden, die zoo van alle kanten door de geronde vormen worden omvloeid en ingesloten.

Maar het sprekendste voorbeeld is Zeeland, met zijn vooral uit de glottis-sluitingen zoo sterk sprekende laryngale articulatiebasis, die ook put tot pit, rug tot rig, stuk tot stik en -nusse tot -nisse delabialiseerde, wijl dit onmiddellijk aan Holland grenst, en toch de meeste labiale indringers onverbiddelijk weet af te wijzen. Alleen het zoo frequente voornaamwoord ‘heur’ der volkstaal, het geliefde speelmanswoord ‘reus’, en het gelukskind der logische schrijftaal ‘leunen’ hebben den Zeeuwschen tongval weten te verschalken. Maar ook Zuidwest-Vlaanderen is laryngaal, en zoodoende loopt de verdere uitbreiding van het overigens zoo machtige leunen, hier ten slotte midden in dit dialect vast.

Men ziet hieruit: de biologische oriënteering der taalwetenschap meent niet alles alleen te kunnen verklaren, maar laat al de logische, psychologische, cultureele en sociologische factoren geheel en al tot hun recht komen. Zij, maar zij ook alleen verklaart echter hoe het komt, dat 1e een labiale uitstralingshaard eeuwen-door zulke rondingen kan verspreiden en dat 2e een laryngaal gebied niet slechts de geronde

[p. 128]

klinkers ontrondt, maar ook de van buiten indringende rondingen weet af te wijzen, omdat de aangeboren mondstand tot het wezen dier dialectsprekers behoort. Naturam expellas furca, tamen usque recurret.

Nijmegen, 1 Juli 1933.

JAC. VAN GINNEKEN