|
|
|
| |
Mannen en vrouwentaal
In onze West-Europeesche cultuurtalen kent alleen het persoonlijk voornaamwoord van den 3den persoon het geslachtonderscheid: hij, zij, het, en onwillekeurig vinden wij dat zóó vanzelfsprekend, dat wij aanvankelijk moeite hebben ons voor te stellen, dat dit elders niet het geval zou zijn. En toch in vele talen is het hiermee heel anders gesteld. Zoo bezit het Hottentotsche Nama een mannelijken en vrouwelijken variant voor de werkwoordsvormen van het enkelvoud, tweevoud en meervoud van alle personen. En als men overweegt, dat in den grond der zaak al onze persoonlijke voornaamwoorden uit aanwijzende voornaamwoorden zijn ontstaan, is dat ten slotte, bij zulke primitieve talen heel goed te begrijpen. (Principes § 241 ss.).
Opvallender is het reeds dat bijv. het Idg. Tochaarsch A-dialect in alle naamvallen twee vormen voor het persoonlijk voornaamwoord van den 1sten pers. enkelvoud bezit: naar gelang er een man of een vrouw
| | | | aan het woord is. En daar het bezittelijke voornaamwoord eenvoudig uit den Genetief van het persoonlijk vnw. bestaat, doet dit dus volop aan dit onderscheid mee. Maar de enclitische pronominaalvormen die met den werkwoordsvorm één woord uitmaken vertoonen dit onderscheid niet.
Maar veel interessanter is het geval met den 2den pers. enkelvoud, die een mannelijken en vrouwelijken vorm heeft in alle Semitische en vele Chamitische talen (wèl in het Egyptisch en de Berbertalen, maar niet in de Kuschitische talen). Bij den 2den persoon toch komen in allerlei talen naast een vertrouwelijken en meer intiemen, ook een beleefdheids- of een eerbiedige aanspreekvorm voor. Zoo is in de meeste Romaansche en Germaansche talen het meervoud van den 2den pers. tot een beleefdheids-, en het enkelvoud tot een vertrouwelijkheidsvorm geworden, met allerlei belangrijke bijzonderheden en afwijkingen in de verschillende talen. Zoo heeft bijv. het klassieke Fransche tu naast zijn gewone vertrouwelijke beteekenis: een uiterst onderdanig en eerbiedig gebruik in het gebed tot God; zie b.v. Racine in Esther en Athalie; zoodat Boileau dit voornaamwoord in een vers aan Lodewijk XIV als een geraffineerde vleierij kon gebruiken. En het interessantste van alles is nu misschien wel, dat deze beleefdheids- en vertrouwelijkheidsvormen ten slotte weer in geslachtsvormen kunnen overgaan. Dit eigenaardige geval is ons door Kloeke voor Drenthe en Twente beschreven (Tijdschr. Leidsche Mij. 1920, 39, blz. 260 ss.), en heb ik onlangs met behulp van den Heer A. Tullemans ook te Weert teruggevonden.
In Drenthe toch luidt de oude beleefdheidsvorm gi thans i-j, ie, ei of aai en de vertrouwelijke vorm doe.
Welnu, in Assen, Dalen, Een, Norg, Oud-Schoonebeek, Roden, Westerbork en Wittem is deze functie nu radicaal verschoven: ij, ie, ei of aai gebruikt men zoo goed als zonder uitzondering tot mannen en jongens; en ‘doe’ uitsluitend tot vrouwen en meisjes. In de groep tusschenliggende plaatsen komen er nog overgangsvormen voor, waaruit wij de drijvende oorzaak dezer beteekenis-ontwikkeling kunnen achterhalen. De beleefdheidsvorm is hier tot een forschheids-, een ruwheids- en grootheids-erkenning geworden, terwijl de vertrouwelijke vorm vooral iets liefs, teeders en kleins beteekent. Dit blijkt b.v. hieruit, dat de inwoners van Borger en Noord-Sleen b.v. ‘een dikke, zware meid’ en ‘een geweldig groot en brutaal vrouwmensch’ met ij of ij; maar de inwoners van Annen en Grollo een lieven welkomen mijnheer of vader en moeder elkander: met ‘doe’ aanspreken. In het Zuidelijk deel van Twente vinden wij in Borne en Hengelo weer het pure ge- | | | | slachtsverschil. Tegen de vrouw immers pleegt men vriendelijk, aardig hartelijk te zijn, dus zegt men ‘doe’; tegenover den man past dergelijke lievigheid niet, dus zegt men ‘ie’. Te Almelo, Enter, Haaksbergen en Enschede zeggen de kinderen van sommige huishoudens tegen hun ouders uit hartelijkheid ‘dou’. Ook in Friezeveen is doe altijd beleefder en vriendelijker dan het lompere ‘ie’. Men ziet duidelijk, hoe de hartelijke vriendelijkheid het hier definitief van het beleefde onderdanigheidsgevoel voor den meerdere gewonnen heeft, maar daardoor een algeheele Umwertung der importierten Werte heeft tot stand gebracht.
Kloeke ziet hierin slechts een min of meer toevallig gebeuren: ‘in een niemandsland tusschen twee strijdende partijen beklemd’; maar mij komt dit ongelooflijk voor. Zijn een groep onbeschaafde dorpen van Twente en Drenthe in staat om onafhankelijk van elkander ineens een héél andere en juist dezelfde cultuurwaarde te scheppen? En daar gaat het hier toch om. De Keltische, klassieke en Oostersche romans vielen in de 12de eeuw hier ook niet uit de lucht; maar stoelden op een oude cultuur met moederrecht, vrouwendienst, voorkomendheid en een hooge eerbied voor het teedere en zwakke. De archaeologie heeft ons allang bewezen, dat de megalithen-kultuur der Drentsche hunnebedden een matriarchale is geweest. Kloeke ziet hierin een nieuwigheid. Maar ik zie hierin juist de reeds eeuwen werkende oorzaak van het onuitroeibare ‘doe’. Deze dialecten liggen toch niet per toeval juist op de grens van het gebied, waar het oude ‘doe’ is ondergegaan. Juist omdàt ‘doe’ voor deze lieden het rijkste woord is van hun heele taal, waar zich hun heele hartelijkheid met zieleweelde in uitspreekt, is geen Nederlandsche of Duitsche beschavings-invloed in staat, hun daarvoor een surrogaat te geven. O zeker, ze hebben al eeuwen lang het door die Nederlanders en Duitschers als eerbiedig beleefdheidswoord bedoelde ‘ie’ overgenomen, maar het natuurnoodwendig altijd in de schaduw gesteld van hun ‘doe’, en het daardoor tot een koel onverschillig zelfs ietwat onaanlokkelijk woord omgestempeld. Zoo meende ik reeds lang, maar vond geen aanleiding er iets in het publiek over te zeggen, eer ik meer feiten had, die mijn meening bevestigden. Als ik immers gelijk had, met de grens van het doe-gebied in oorzakelijk verband te brengen met de eigenaardige doe-beteekenis in Oost-Drenthe en Twente, dan moest dat immers ook in Limburg aan het licht komen; en wel zoo dicht mogelijk bij de grens van het
doe-gebied, liefst in den inspringenden hoek van Weert-Budel en Bree (Zie Kloeke's kaart in De Nieuwe Taalgids XX, 1926 blz. 1.) Welnu, wat ik verwachtte heb ik gevonden te Weert, waar het bovengeschetste ontwikkelingsproces zich juist op
| | | | dezelfde manier heeft afgespeeld. Ook hier raakte de geïmporteerde beleefdheidsvorm gij of gè in conflict met het oude doe (meestal hier vervangen door dich) met het resultaat; dat ten slotte gij of gè bijna alleen in de aanspraak tot mannelijke en dich bijna alleen in de aanspraak tot vrouwelijke personen gebruikt wordt. Een andere berichtgever typeerde het zoo: mannen en jongens spreken elkaar zonder uitzondering met gè, meisjes en vrouwen spreken elkaar altijd met dich aan. Spreekt de eene sekse tot de andere dan kiest men meestal het pronomen van den toegesprokene, zoodat men hier waarlijk van een mannen- en vrouwentaal spreken mag. Een nader onderzoek in de dialectliteratuur bracht ook al spoedig dezelfde overgangsvormen als in Drenthe en Twente aan het licht. Zoo tutoyeeren elkander twee jonge verliefden; zoo spreekt een vader zijn toekomstigen schoonzoon ook met ‘dow en dich’ aan: Dow bist en'n dappre vent, met dich kan me beginne, Jo, ich bin van dich content. H. Linskens: De Rogstèkers: Operette in 3 bedrijven z.j. Einde 2de Bedrijf. Te Grathem vinden wij den Middelnederlandschen toestand evenals te Oldenzaal en Denekamp. Mertens toch zegt dat dich alleen gebruikt wordt in de zeer gemeenzame spreekwijze: en dat niemand het wagen zal: een vreemdeling of een persoon hooger in jaren of in stand met doe of dich toe te spreken.
Maar niet alleen is hiermee de heele doe-grens uit nog heel iets anders als Zuid- of Noord-Nederlandsche expansie verklaard; maar bovendien hebben wij ons verschijnsel nu niet slechts in twee naburige maar bovendien in een derde veel verder afgelegen relictgebied gevonden, zoodat zij elkander steunen als getuigen van een ouderen cultuurkring in het Oosten van ons land, en niet zoo maar aan een nieuwigheid uit louter toeval kunnen worden toegeschreven.
Nijmegen, 10 October 1934.
JAC. VAN GINNEKEN |
|
|