Onze Taaltuin. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 3. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1934-1935


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 297]

[Nummer 10]

Standaard-Nederlandsch

IN stede van Algemeen Beschaafd, wordt wel eens het Standaard-Nederlandsch als een ‘norm’ waarnaar men zich regelt, of moet regelen, geproclameerd. In het bijzonder schijnt deze term gebruikelijk te zijn voor den gesproken taalvorm, en wel voor de phonetische verschijnselen. Misschien is deze beperking, althans in de ‘gevoels’ waarde van den term, een gevolg van het feit, dat in het Leerboek der Phonetiek van Zwaardemaker en Eykman als ondertitel staat vermeld: ‘inzonderheid met betrekking tot het Standaard-Nederlandsch’. De schrijvers hebben geen andere verantwoording van dezen naam gegeven, dan dat zij er zoo iets als Alg. Beschaafde spreektaal mee bedoelen. Immers in de Inleiding, blz. 1, lezen wij over de plaats van ‘het Standaard-Nederlandsch, d.w.z. het dialect der beschaafde kringen in “de lage landen aan zee” te midden der indogermaansche talen’. Hier is ‘dialect’ blijkbaar als ‘taal’ bedoeld, ook al verklaren zij, op blz. 2, dat ‘ook het Standaard-Nederl. een dialect is, al geeft het den tongval weer van, zeggen wij, een millioen personen. Men zou echter verkeerd doen te meenen, dat een dialect iets vaststaands is. Integendeel het ondergaat voortdurend verandering van vader op zoon, van jeugd tot ouderdom, van dorp tot dorp. Ook het Standaard-Nederl. gehoorzaamt aan die wet van veranderlijkheid’.

Er zit in deze redeneering veel dat van weifeling getuigt. De schrijvers bedoelen nl., dat het begrip ‘dialect’ of ‘tongval’ moeilijk te rijmen is met een zoo groot aantal menschen: een millioen. Zij vergeten, dat hier niet het aantal beslist, maar de vraag of, zooals zij iets hooger hadden gezegd, dat millioen van menschen ‘een bijzondere

[p. 298]

klasse of groep’ vormen. Nu kan de bijzonderheid en de ‘eenheid’ van deze duizend duizenden Nederlanders alleen gelegen zijn in de op blz. 1 genoemde ‘beschaafde kringen’, want het St. N. zou dáarvan het ‘dialect’ zijn. Het is duidelijk, dat men ‘wetenschappelijk’, in dit geval ‘taalwetenschappelijk’, de locale, sociale of cultureele grenzen van die dusgenaamde ‘beschaafde kringen’ zelfs niet bij benadering kan bepalen. En wanneer dan verder volgt ‘Men zou echter...’ etc., dan gaan de schrijvers ‘ongemerkt’ en geleidelijk over naar ‘een dialect’ dat wèl aan duidelijke grenzen, locale grenzen, gebonden is, of wel: dat de ‘tongval’ is van een ‘bijzondere klasse of groep’, een in sociaal opzicht begrensde ‘tongval’ dus. Neen, het S.N. is niet zulk een ‘dialect’; de ‘verkeerstaal’ van de ‘beschaafde kringen’ is een ‘compromis-taal’. De mogelijke veranderingen in het S.N. zullen het gevolg zijn van veranderingen in de nórmen die ‘men’ stelt aan het begrip ‘beschaafd’ en ‘beschaafde kringen’. Ik vermoed dat bijv. phonetici van veertig jaren her op geen stukken na een aantal van éen millioen, of beter: 1/7 van het aantal Nederlanders in Europa, tot de ‘beschaafde kringen’ zou hebben gerekend.

De schrijvers stellen zich voor, op den duur door hun boek het ideaal te benaderen ‘dat wijlen J.H. Gallee ons voor oogen stelde: het ontwerpen van een objectieve dialectbeschrijving, die een grondslag legt tot een waarlijk objectieve taalatlas van ons land en de omringende landen. Hoewel wij het standaard-nederl. tot uitgangspunt namen, trokken wij dus (!) zooveel mogelijk de dialecten en de verwante talen (!) in den gezichtskring (!). Zeer dankbaar zijn wij in dit verband aan Prof. L. Grootaers te Leuven, die ons ten opzichte der Vlaamsche dialecten, en aan Prof. J.J. Smith te Kaapstad, die ons voor het “Africaans” aanwijzingen gaf’. Het springt in het oog dat de schrijvers hier een averechtsche voorstelling hebben van een ‘objectieve’ dialectbeschrijving. Immers zij willen die mogelijk maken door middel van hun Standaardphonetiek. Voor die standaard-phonetiek trekken zij echter diezelfde dialecten ‘in den gezichtskring’, d.w.z. zij vergelijken ze alvast, mèt het nog vast te stellen ‘St. Ned.’ Voor de ‘objectieve’ dialectbeschrijving is er niets doodelijkers, dan de vergelijking met een, of, wat nog erger is, de baseering óp een taalvorm die geen realiteit is, maar wel realiteit pretendeert te zijn. De klankvormen, die in dit Leerboek worden gesteld als ‘standaard’, zijn nl. niet de feitelijke uitspraakvormen van ‘zeggen wij een millioen Nederlanders’. Het zijn de onderstelde gemiddelden van die uitspraakvormen, en ze zijn ‘getoetst’ aan de uitspraak van slechts een zeer beperkt aantal proefpersonen, wier uitspraak,

[p. 299]

willekeurig en subjectief, als ‘norm’, dat is als ‘standaard’ is aangenomen.

Er zijn geen twee Nederlanders die, sprekende in ‘beschaafden kring’, gelijk spreken. Toch trachten wij allen ‘beschaafd’, dat is: in wijden kring, dat is feitelijk in heel Nederland, verstaanbaar en zonder ‘aanstoot te geven’ te spreken. Om dat te bereiken, richten wij onze uitspraak, evenals onze woordenkeus en onzen zinsbouw, naar den geschreven taalvorm. Dát is de ‘stándaard’ van de ‘beschaafde spreektaal’, van de ‘algemeene gesproken taal’. En van het ‘schrift’ zijn de heeren Zwaardemaker en Eykman bij de bepaling van hun standaarden, ondanks hun schemerende principes, voortdurend ‘uitgegaan’. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke ‘phonetiek’ nooit de grondslag kan worden van een ‘objectieve beschrijving’ der dialecten. Tenzij degenen die deze ‘ideale’ taak op zich nemen, zich steeds bewust zijn van de ‘irrealiteit’, het niet-werkelijk-taalvorm-zijn, van deze standaarden. Men zou nl. zeer wel de experimenteel gevonden realiteit van een volkstaalvorm kunnen determineeren naar een fictieve norm, een stelsel van ‘gemiddelden’. Men kan dat ‘determineeren’ zelfs moeilijk anders voor de belangstellenden ‘begrijpelijk’ maken.

Maar nogmaals: Standaard-Nederlandsch is geen gesproken realiteit1), het is zelfs niet de exacte Grootste Gemeene Deeler van een millioen reëele gesproken taalvormen.

En nu komen we tot de vraag, of dan een Standaard-fictie of een op dezelfde wijze geponeerd Algemeen Beschaafd bij het leeren spreken gezag mag uitoefenen. Neen. Op school doet men dat dan ook niet. Voor zoover daar stelselmatig wordt gestreefd naar een Algemeene Uitspraak, richt men den leerling, door lezen en voordragen, naar de gedrukte teksten, den geschreven taalvorm.

Men schijnt echter in Zuid-Nederland te meenen, dat er een Algemeen-Beschaafde uitspraak-norm in het Noorden vastgesteld is, die men slechts heeft ‘toe te passen’ en na te volgen, om ‘beschaafd’ te leeren spreken. Er is daar sedert 1913 een Vereeniging voor beschaafde Nederlandsche uitspraak. En Prof. E. Blancquaert heeft een Practische Uitspraakleer van de Nederlandsche Taal gepubliceerd2), waar wij lezen: ‘Wil Vlaanderen een beschaafd land worden, dan moeten de Vlamingen een beschaafden levensvorm veroveren, en hierbij behoort beschaafd spreken’. ‘Beschaafd spreken is spreken zonder locaal accent

[p. 300]

en zonder vreemd accent. Wat wij hier beschaafde uitspraak noemen is trouwens niet zoo moeilijk aan te kweeken. Meestal heeft men alleen te zorgen voor de zuivere uitspraak - als hierna zal beschreven worden - van een dozijn of wat klinkers en tweeklanken, voor het aanblazen van de h, de correcte uitspraak van de ng en enkele speciale klemtoongevallen. Laten de West-Vlamingen bovendien leeren zorgen voor een behoorlijke uitspraak van g, h, sch, de Limburgers voor een normale verbinding van consonanten en de Oost-Vlamingen en Antwerpenaren wat minder vocalen vóor m of n door den neus spreken, dan geloof ik dat in een tijdspanne van enkele jaren het aantal Vlamingen die, naast hun dialect, ook vrijwel beschaafd Nederlandsch kunnen spreken, van het armzalige éen procent waarop ik het nu nog zou ramen, tot een verheugend hoog percentage kan stijgen.’ Dit verlangde verheugend hoog percentage zal waarschijnlijk de verhouding van het millioen Noord-Nederlanders op de ruim zeven, dus ± 15% niet te boven gaan? Maar gelooft Prof. B. in ernst dat in Noord-Nederland méer dan 1% der bevolking gewend is, alle door hem genoemde beschaafde klanken (hij vindt het maar weinig, het is echter heel véel) ten gehoorde te brengen? Dan geeft hij zich over aan een illusie, zij het een ‘lichte’, vergeleken bij die van Zwaardemaker en Eykman. Wat ons bekoren kan in zijn principes, dat is de opvatting dat de Vlamingen (en Brabanders) beschaafd moeten spreken ‘náast hun dialect’: in Noord-Nederland meent men veelal dat men beschaafd moet spreken in pláats van, en door uitroeiing van het dialect. Ook is het toe te juichen, dat den Vlaming wordt geleerd, te spreken zonder Fransch accent; omdat zij dat accent waarschijnlijk niet in hun dialect maar bij hun pogingen tot beschaafd-spreken hanteeren. Overigens zijn wij van meening, dat een stelselmatige training in een uitspraakleer als die van Prof. B. in den leerling de natuur van zijn spraak zou dooden. Wanneer de leerling nl. die leer omzette in practijk, dan zou hij 1o. niet meer in staat zijn, onbevangen zijn dialect, dat is zijn ‘levende volkstaalvorm’ te spreken, 2o. in zijn beschaafd een willekeurig genormaliseerde kunstvorm laten hooren.

Niet een genormaliseerde uitspraak, maar een ‘uniforme’, algemeene schrijftaal1) voor ‘ambtelijk’ verkeer, pers en wetenschap, is noodig voor een ‘beschaafden levensvorm’ der Vlamingen.

Ik wijs er nogmaals op, dat mijn bezwaren niet alleen gelden voor Zuid-, maar gelijkelijk voor Noord-Nederland. Prof. B. wijst er trouwens

[p. 301]

terecht op, dat het ‘Algemeen Beschaafd’ niet een ‘Hollandsche’ taalvorm is, maar, al sedert 1585 en vroeger, ook sterken Zuid-Nederlandschen inslag vertoont. Het is natuurlijk nog een vraagstuk van belang, of dit Zuid-Nederlandsche karakter van onze ‘verkeerstaal’ evenzeer in de uitspraak als in de woordenkeus en den zinsbouw tot uiting komt, en of het er sterker tot uiting komt dan het ‘Hollandsch’.

Maar ik laat dat hier terzijde.

Ik heb hierboven beweerd, dat wij ons, bij het spreken van een algemeen-gangbaren taalvorm, richten naar de geschreven taal. Het is gewenscht hierbij op te merken, dat ik daarbij niet het ‘leven der taal’ zóo voorstel, alsof het gesproken Alg. Beschaafd zou ‘ontstaan’ uit het geschreven Alg. Beschaafd. Ieder individu beschikt a priori over een inen aangeboren, locaal, sociaal en familiaal karakteristieke taal: deze ‘eigen’ taal wordt bij verkeer buiten het eigen taalmilieu meer of minder gewijzigd naar een ‘model’, en het ‘belangrijkste’ model is de ‘schrijftaal’. Niet alleen de eigen taal, de gesproken volkstaal, is bij elk individu verschillend van vorm en inhoud, ook de schrijftaal waar het individu, sprekend in ‘algemeen gangbare vormen’, zich naar richt, is lang niet altijd gelijk. Een taalkunstenaar, een ambtenaar, een technicus, een landarbeider, een geleerde, etc. etc.... zij allen ieder voor zich kénnen en lézen een verschillende, soms veelsoortige, soms eenvormige, schrijftaal, verschillende soorten van schrijftaal. Zoo gezien, is het duidelijk, dat er geen feitelijk, geen werkelijk Algeméen Beschaafd ‘bestaat’: er is als taalrealiteit alleen een eindelooze verscheidenheid van Persoonlijk Beschaafd, een verscheidenheid die de taalstudie van leek en vakman zoo belangrijk maakt.

Wat is dan de taak van den taal-onderwijzer en -leeraar? Primo: onderwijs in de geschreven taal: lezen, schrijven en grammatica. Secundo: dit onderwijs geschiede vanuit de gesproken ‘natuurlijke’ taal der leerlingen. Het ideaal zou ook in dit opzicht ‘individueel’ onderwijs zijn. Maar klassikaal kan men uitgaan van het ‘locale’ Nederlandsch der leerlingen, de gesproken volkstaal van hun milieu. Bij het lagerèn het voortgezet-onderwijs moet de leerling zich bewust worden van de verschillen en de overeenkomsten, van de eigenschappen en de verhouding der twee talen: zijn ‘eigen’ taal en de taal der boeken. Noch ‘regels’, noch ‘normen’ worden daarbij ‘ingestampt’ en ‘toegepast’. Ook bij het Onderwijs: geen standaardtaal, geen ‘algemeen’-beschaafd. Ook bij het Onderwijs: volkstaal en geschreven taal, en van de geschreven taal de soorten, de stijlen.

G.S. OVERDIEP