Onze Taaltuin. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 4. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1935-1936


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Taalboeken

We hebben onlangs een opmerking gemaakt over de zonderlinge nieuwste voorschriften inzake het vak Nederlandsch op het hoofdacteexamen. Die voorschriften schenen te zijn uitgelokt door een groot gebrek aan taalkundige, in het bijzonder ‘grammaticale’ scholing bij de befaamde ‘vele candidaten’, die in de examenverslagen nog een

[p. 122]

standje ná krijgen. Het zonderlinge van de nieuwe voorschriften is, dat er in dit euvel wordt voorzien door strengere eischen wat betreft het gebruik der taal in het letterkundige opstel; of eigenlijk strenger zijn die eischen als zoodanig ook al niet: de commissies zullen toch zeker altíjd wel fouten tegen taal en stijl hebben ‘gerékend’. Nu is het gebrek in taalkundige scholing der candidaten inderdaad een gevolg van de wettelijke voorschriften, van 1923 of daaromtrent. Toen werd nl. het programma der hoofdacte-examens gewijzigd, zóo dat voortaan een viertal principes gold, dat wij vermeld vinden in het voorbericht van een der meest gebruikte nieuwe hoofdacteboeken van dien tijd af: P. Gertenbach en H. van Slooten, Eenige belangrijke verschijnselen uit het leven der Nederlandsche taal, Wolters 1924-34 zes drukken. Deze beginselen luiden:

a.het nieuwe programma sluit uit, dat op het examen gevraagd zal worden naar grammaticale benoemingen (redekundige en taalkundige ontleding);
b.niet op de logische klassificatie, maar op het verklaren van de verschijnselen komt het aan;
c.geen herhaling van de stof voor het onderwijzersexamen, maar een voortbouwen daarop ter verdieping van het inzicht;
d.de levende taal in al haar schakeeringen moet beschouwd worden; de candidaten moeten leeren eigen taal te bestudeeren, ook het dialect dat zij kennen.

De auteurs zeggen verder: In verband met c. verwijzen we herhaaldelijk naar de spraakkunst. We raden candidaten dan ook aan, naast ons boek een spraakkunst te gebruiken, bij voorkeur éen der nieuwere.

Duidelijk blijkt hier, dat sedert een tiental jaren de ‘hoofdonderwijzers’ teren op de kennis der ‘logische grammatica’ en der ‘zinsontleding’ die zij hebben verworven voor het onderwijzersexamen, of... níet hebben verworven: bij die examens heerscht nl. sedert de invoering der schóolexamens lang niet altijd waardeering voor die twee kennisobjecten: het spreekt vanzelf dat kweekschooldocenten die tot de ‘nieuwe’ taalleer zijn bekeerd, hun leerlingen weinig ‘logische klassificatie’ en nog minder ‘ontleding’ zullen bijbrengen.

In dit boek voor de hoofdacte ontbreekt dus een stelselmatige grammatica, althans een syntaxis: de klankleer en de woordvorming nemen er wèl een plaats in. Wat men sedert een tiental jaren ten onzent ‘stilistische grammatica’ is gaan noemen, kan volgens deze auteurs blijkbaar niet dienen tot ‘het verklaren van taalverschijnselen’, of tot verdieping van het inzicht der onderwijzers, laat staan tot bevordering van het

[p. 123]

nobele doel omschreven onder d. Wat dit punt betreft: zij verstaan onder ‘levende’ taal blijkbaar, als vele ‘modernen’, de gesproken taal, c.q. de praattaal, en niet, gelijk anderen die meer recht hebben op den naam van ‘modernen’, alle taalsoorten die product zijn van en onderhevig zijn aan groei en ontwikkeling. De syntaxis komt in hoofdzaak aan de orde in hoofdstuk VI: ‘Veranderingen in de grammaticale vormen en functies’, tellende 20 bladzijden. Hiervan zijn er, natuurlijk, meer dan de helft besteed aan de omineuse, taalpolitieke vraagstukken betreffende verbuiging, naamval, geslacht en getal, die nòg eens aan de orde komen in het zeer omvangrijke hoofdstuk ‘Analogie’ en in het slothoofdstukje. Geen wonder dat in de ‘Litteratuurlijst’ aan het einde van het boek het taalsysteem van Kollewijn, De Vooys, Simons en Royen volledig in volle glorie prijkt, terwijl daarentegen van zeer belangrijke publicaties van sommige ‘verzetslieden’ niet of nauwelijks wordt gerept. De leer van klank en woord, van ‘Algemeen Beschaafd’ en ‘Geslacht’ omvat in deze leidraad de ‘belangrijke verschijnselen uit het leven der taal’.

Wij moeten ons onthouden van kritiek op de détails van deze stof; het gaat hier om de principes van het taalonderwijs volgens taalboeken.

Dat de nieuwe voorschriften niet altijd van harte zijn aanvaard, kan worden vermoed, wanneer wij het ‘inleidend woord’ lezen bij de Nederlandsche Spraakkunst door Th. Lancée en A.L.J. Wytzes, Groningen Wolters, 1926-34 vijf drukken. Deze spraakkunst is bestemd voor Kweekscholen, dus voor de onderwijzersacte. Maar énkele hoofdstukken werden ‘gewijd aan de zoogenaamde algemeene verschijnselen uit het leven der Nederl. taal, - hoofdstukken, waarvan men kan zeggen, dat ze feitelijk vallen buiten het bestek van de “spraakkunst”. Onze bedoeling daarmee was eenige voorbereiding te geven voor de studie voor de Hoofdacte. We vertrouwen dat ook de candidaten voor dat examen van het gebruik van ons boek eenig profijt kunnen hebben’. Ook uit de slotalinea blijkt, dat de auteurs door het nagerecht der ‘verschijnselen etc.’ de voor de hoofdacte studeerenden hun grammática willen doen bestudeeren. Deze grammatica is echter niet ‘nieuw’ in het oog der heeren Gertenbach en Van Slooten: immers in hun Litteratuurlijst komt deze niet voor onder ‘de spraakkunsten, het meest geschikt om naast dit boek geraadpleegd te worden’.

Een ander type van ‘Studieboek’ voor de hoofdacte is ‘Het examen in de Nederlandsche taal’ door T.P. Duhen en F. den Eerzamen, Joh. Ykema's Uitg. Mij., 3de druk 1933. Dit boekje bestaat uit mondelinge examens in den vorm van een reeks van vragen. Hier lezen wij in het voorbericht dat op de examens die de auteurs bijwoonden en uit de

[p. 124]

meest gebruikelijke leerboeken is gebleken: ‘Het opdreunen van regels met uitzonderingen en van allerlei paradigma's, het spitsvondig ontleden in zinsdeelen en woordsoorten, enz. komt niet meer aan de orde. Daarentegen wordt groote waarde gehecht aan taalwaarneming, aan inzicht in taalverschijnselen; in de verhouding van vorm, beteekenis en funksie, in taalverandering, in wording en verwording van taal; in samenhang van grammatische en psychologische beschouwing, enz.’

Men zou er van watertanden. De auteurs gaan verder: ‘Het bestudeeren van een moderne grammatica blijft zeer aan te bevelen. Wij vermelden dit opzettelijk, omdat ons meermalen gebleken is, dat candidaten in de stellige meening verkeerden: ‘Grammatica wordt niet meer gevraagd.’ Men zou willen vragen: ‘Hoe kwamen de candidaten aan die opvatting?’ Dat zij door de verwerking van dit vragenboekje een geheel anderen indruk zouden krijgen, valt te betwijfelen. Want de vragen betreffende ‘spraakkunst’ nemen wel een zeer bescheiden plaatsje in. Eén bijzonderheid valt op: deze auteurs erkennen althans het bestaan van ‘aktionsarten’ in de Nederlandsche taal. Ook geven zíj blijk, in de practijk de verhouding van vorm en functie, waarover vele anderen alleen theoretisch nu en dan spreken, te doen strekken tot ‘verdieping van inzicht’ waarnaar alle mannen der hoofdacte verklaren te streven. De rage der ‘verschijnselen etc.’ is al spoedig eenigszins geluwd blijkens een mededeeling op blz. 6, waar we lezen, dat in 1927 op het schriftelijk examen geen opstel meer werd gevraagd over een taalkundig onderwerp. Daar boven prijkt, waarschijnlijk als curiosum, nog zoo'n schriftelijk taalexamen, van 1926. Men zou willen vragen: had de Minister een dergelijk examen niet weer kunnen invoeren, toen hij onlangs tot de ontdekking kwam, dat de candidaten voor de hoofdacte te kort schieten in ‘taalkunde’? Dat de ‘opleiders’ in 1923-26 er niets van te maken wisten, was toch geen bewijs van de onmogelijkheid een opstel te leeren schrijven over een taalkundig vraagstuk, aan de orde gesteld in verband met de studieobjecten der candidaten? Het is maar de vraag, wat men verstaat onder taalkunde.

G.S. OVERDIEP