kap op doch bedoelde dan een ander kleedingstuk). In West-Noord-Brabant werd ook, doch zelden, sliklap opgegeven. Aangezien hier bedoeld worden de stoffen (katoenen of linnen) lappen die de landarbeiders om hun beenen winden - ze worden met knoopjes gesloten - om hun broekpijpen te beschermen bijv. bij ongunstig weer, bij veldarbeid of mestrijden, komt het woord vrijwel uitsluitend in het meervoud voor.

Woordvorm. Beenslet: de vocaal van het eerste lid komt natuurlijk in velerlei uitspraak voor. Wag: men zegt meestal wagge of slikwagge; daarnaast bêênwagge, bêênbagge, waggels. De overgang van w in b in bêênbagge is gedeeltelijk bevorderd door assimilatie aan de eerste b, gedeeltelijk spontaan ontstaan. Men vergelijke bijv. Brabantsch bel naast wel, Noordbevelandsch bâhhele = Ned. waggelen, enz. Verdere voorbeelden: J. van Ginneken Ras en Taal 1935 p. 92.
Etymologie. Beenslet = been + slet (lap, doek). Get is een leenwoord uit het Fransch (fr. guêtre is slobkous) dat door Vising (minneskrift, Göteborg 1910) van het Germ. woord voor wreef: oudfrank. wrist (zie Kaart 1. van de Dialectencommissie der Kon. Akad.) wordt afgeleid. Wag is pas bekend bij Kiliaen. Vercoullie Etym. Wb.2 vermoedt ten onrechte verwantschap met het zojuist besproken get. In de Nederlandsche dialekten zou misschien verwant kunnen zijn: Zaanlandsch wagd, wacht = vrouwenrok van zware stof. Daar kan de dentaal secundair zijn. Maar ook deze parallel brengt ons weinig verder.
Geographische beschouwing. In een groot gedeelte is het kleedingstuk onbekend: langs de Maas, tusschen Tilburg en Den Bosch, in