|
|
|
| |
| | | |
[Nummer 11]
De structuur van het gesprek
OVER den bouw van redevoeringen, romans en novellen, blij- en treurspelen zijn vele geleerde verhandelingen geschreven, maar over den bouw van het gesprek bestaat er niets, dan wat de dramatische handboeken ons gewoonlijk in een onnoozel praatje over monoloog en dialoog plegen voor te zetten.
En toch geloof ik, dat speciaal de leer van het drama en de opera, wier oerwezen toch in het gesprek bestaat, nooit ook maar tot een eenigszins voldoende ontwikkeling zal komen, als zij niet steunen kan op een goede karakteristiek van het dagelijksch gesprek, op een inzicht in den bouw van het gewone menschelijke samen-spreken, bij toevallige ontmoeting of beraamd bezoek. Maar, zoo gaat het nu eenmaal overal: de meest nabijliggende, of eenvoudigste gegevens zijn het minst onderzocht: omdat deze altijd en overal de moeilijkste grondbeginselen raken. Sinds jaar en dag heb ik over het Gesprek nagedacht en geschreven. Telkens opnieuw1) heb ik weer getracht er de diepste roerselen van te doorgronden; omdat ik meen, dat niet alleen alle letterkundige, maar ook alle taalkundige theorie: hiermee geboren en getogen wordt, hiermee staat en valt. Want alle doorloopende teksten en boeken zijn gerekte en door het ontbreken van een adres kunstmatig verstarde onderdeelen van een lied of een brief. Het lied begint als duet. En een brief is niets dan een gesprek met iemand uit de verte, waarbij wij zelf alleen aan het woord zijn; en ook de redevoering is een gesprek met de menigte van toehoorders, die juist om den spreker voor allen verstaanbaar te houden,
| | | | althans meestendeels van interrupties of antwoorden afzien, maar men zegt terecht dat een rede weerklank vindt in de harten. Een verhaal is er te levendiger om, naarmate er meer gesprekken in voorkomen. Alleen het blijspel en het treurspel hebben het volste en het primitiefste taalgebruik tevens in de kunst overgebracht en voor de literatuur gered. Pas wanneer ons uit een oude doode taal gesprek-teksten bewaard zijn, mogen wij zeggen, dat wij zulk een taal waarlijk kennen en verstaan. In het gesprek wortelen dan ook alle moeilijker en fijner taalcategorieën, als die van het voornaamwoord, de beleefdheidsvormen en de gevoelsnuancen der woordbeteekenissen. In het gesprek van vraag en antwoord wortelt de heele syntaxis, evenals alle gezonde stijlfiguren; en hoe verder de rhetoriek van de norm der eenvoudige gesprekken verdwaalt, des te meer vergaapt zij zich ook aan ziekelijke woordenkraam. In het gesprek spreken van zelf de heele situatie, de mimiek en de gebaren mee en daarom is elk goed gesprek zoo welsprekend. Het gesprek is ons eerste en laatste taalgebruik. Alle diepere religiositeit berust op een spreken met den Oneindige. Alle meditatie, ja heel ons bewuste binnenleven heeft zich gericht naar den vorm van het tweegesprek. Elk begrijpen is een antwoord geven op de feiten. Het gesprek is bijna alle geestesleven in ons en onder ons. Snijd het gesprek en zijn ontwikkelingen weg uit het zieleleven, en ge houdt bijna niets meer over. Daarom kwam ik zoo vaak op het gesprek terug.
Totnutoe was ik er echter niet in geslaagd een aannemelijke groepeering en indeeling der meest voorkomende dagelijksche gesprekken voor te stellen. Herhaaldelijk heb ik hierover op mijne taal- en literatuurcolleges gewezen, en er de aandacht mijner studenten op gevestigd, totdat Mejuffr. Berna ten Berge te Oosterbeek, toenmaals candidate - nu doctoranda in de Nederlandsche Letteren - besloot: hieraan een scriptie te wijden. Het onderzoek moest natuurlijk met een algemeene inductie beginnen, dat gelijk wij afspraken, uit twee deelen zou bestaan.
Ten eerste zou zij trachten, allerlei gesprekken uit haar omgeving in een korte karakteristiek vast te leggen.
En ten tweede zou zij uit een groote moderne Roman alle gesprekken excerpeeren, en trachten in te deelen in de groepen die het dagelijksch leven van haar omgeving haar aan de hand had gedaan. Na eenige voorbereidende proeven viel de keus op ‘De klop op de deur’ van Ina Boudier Bakker.
Eenige maanden van trouwen en scherpzinnigen arbeid, die gaarne kritiek aanvaardde en daaruit royaal profijt trok, brachten haar tot het volgende resultaat.
| | | |
Met elk gesprek zijn twee personen gemoeid, waarbij van den eene de actie uitgaat, die door den andere met een reactie wordt beantwoord, zoodat beiden voortdurend invloed uitoefenen op den verderen bouw van het gesprek. En alhoewel de invloed van de reactie ook vaak heel actief is, moeten wij toch onze eerste indeeling ontleenen aan den initiatiefnemer, die het gesprek begint en de gedachtenwisseling opent; want deze bepaalt toch aanvankelijk bijna alleen de stof en het onderwerp.
Waarom begint die het gesprek?
I. Omdat hij den ander iets wil laten zeggen; of omdat hij den ander iets wil laten doen. Onze oudste naam hiervoor was hulpvragen. Het primitieve gesprek ontwikkelt zich toch uit den wil om zich te redden uit den nood. De een heeft den andere zijn hulp noodig. Hij moet van den ander een inlichting of goeden raad hebben. Hij vraagt van den ander een daad of een aalmoes ter ondersteuning en hulp. In dit geval is het gesprek dus altijd een bewust middel om een doel te bereiken. De wil heeft de leiding.
II. Ten tweede kan iemand een gesprek beginnen om iets mee te deelen. Natuurlijk kan hij ook daarmee een doel willen bereiken, b.v. den ander tot zijn meening over te halen, maar dat staat niet meer zoo sterk voorop. De mensch is een mededeelzaam wezen. Wie iets interessants heeft beleefd, vertelt aan een ander graag wat er precies is voorgevallen. Wie verre reizen deed, weet heel wat te verhalen. Hiertoe hooren dus alle mededeelingen, verhalen en meeningsuitingen. Het nadenkend verstand of de bewuste herinnering hebben de leiding.
III. Ten derde wil iemand vaak een gesprek beginnen uit zuivere gevoelsmotieven, omdat hij zich tot expansie zijner emotie gedrongen voelt. Ook hier kan nog een bijbedoeling aanwezig zijn, maar die staat geheel en al op den achtergrond. Vooral met zijn emotie is de mensch van nature tot uiting geneigd. De heele mimiek berust hierop. Het lied en de lyriek vinden hierin hun oorsprong. Geen wonder dat ook het gesprek in den dienst der gevoelsuiting wordt gesteld. Het gevoel heeft de leiding.
Heel duidelijk blijkt uit het bovenstaande reeds, dat alle gesprekken een hoogere saamhoorigheid, een sociale eenheid beoogen en dus de eenzaamheid in een twee-eenheid om willen zetten. Dit is de primaire sociologische functie van de taal of het gesprek in de maatschappij, dat wij ons elkanders broeders en zusters, gezellen of gezellinnen voelen. En zoo berust en begint de heele bewuste familie en de heele maatschappij met het gesprek.
Niet altijd echter beantwoordt de reactie in den toegesprokene aan de
| | | | verwachting. En daarom heeft volstrekt niet elk gesprek hetzelfde verloop. En zoo ontleent dus ook elk gesprek zijn karakteristiek niet slechts aan de actie van den spreker maar evenzeer aan de reactie van den toegesprokene.
Deze reactie kan toch vooreerst op twee wijzen naar verwachting uitvallen.
A. Een passieve reactie van inwilliging, bevrediging, dankbaar aanhooren, meegaande instemming en sympathieke invoeling, een aanvaarding zonder meer met een eenheidsresultaat in verschillende graden natuurlijk. Men zou dit ‘de eenzijdige gesprekken’ kunnen noemen. In dit geval behoudt de spreker geheel en al de leiding, en dit zijn dan ook het soort gesprekken, dat zich het makkelijkst leent tot een gezongen ballade of heldenepos vroeger, tot een korter of langer verhaalbrief later. Uit deze eenzijdige gesprekken is de heele geschreven tekst-literatuur geboren.
B. Een actieve reactie van instemming geeft ‘het wisselend gesprek’. De ander neemt er niet alleen passief deel aan, maar weet aan te vullen en bij te voegen. Hij heeft meer détails vernomen, de twee sprekers vullen elkander aan, en groeien met en in elkander. Hier bleken zij samen veel meer te weten en te voelen dan de twee afzonderlijk vermoedden of bevroedden. En zulke gesprekken zijn dan ook vaak van zelf: a thing of beauty and a joy for ever. Hieruit is de beurtzang ontstaan en Wagner heeft hier prachtige voorbeelden van.
Maar deze reactie kan ook op twee wijzen op een teleurstelling uitloopen:
C. De toegesprokene blijkt: geen medestander maar een tegenstander, geen bondgenoot maar een vijand, hij is ook een geheel andere meening toegedaan, en zijn gevoelens zijn juist de omgekeerde der emoties van den spreker. Dan ontwikkelt zich ‘het strijdgesprek’, fel botsen de meeningen op elkander, slag op slag vallen de slagen.
D. De toegesprokene wil geen open conflict, maar gaat er niet op in, leidt telkens weer het gesprek af met een grap, hij ontwijkt de botsing der meeningen, hij praat er langs, of er over heen. Deze laatste soort zouden wij ‘de mislukte gesprekken’ kunnen noemen.
De twee middelste gespreksoorten leenen zich natuurlijk het best voor de groote scènes van tragedie of opera; alhoewel de groote evenwichtige meesters alle combinaties en variaties noodig hebben.
Beide groepeeringen op de actie en de reactie berustend, kruisen toch elkander natuurlijk en geven ons dus een synthetisch schema der 3 × 4 verschillende gesprekvormen: een eerste proeve der beschrijvende en verklarende gesprek-leer.
| | | |
Reactie
| |
A |
B |
C |
D |
| |
De ander geeft zich over, gewillig en gedwee. |
De ander werkt mee, vult aan, leidt op zijn beurt. |
De ander laat zich niet leiden, verzet zich, valt aan. |
De ander gaat er niet op in, ontwijkt, leidt af, spreekt er ‘langs’. |
| |
EENZIJDIGE GESPREKKEN. |
WISSELENDE GESPREKKEN. |
STRIJD- GESPREKKEN. |
MISLUKTE GESPREKKEN. |
| I |
1 |
2 |
3 |
4 |
| De een wil door het gesprek den ander iets laten doen of zeggen. |
OVERGEVINGS- GESPREKKEN. |
PARTNER- GESPREKKEN. |
TOERNOOI- GESPREKKEN. |
TAKTIEK- GESPREKKEN. |
DOEL- GESPREKKEN. |
Vraag en antwoord. Bevel en uitvoering. Overreding. Strikvragen. Ingewilligd verzoek. Aangenomen vermaning. Verhoor en bekentenis. Vraag om vergiffenis en vergeving. |
Uitwisselend vraaggesprek. Wederzijdsch verzoek en inwilliging. Planberaming of samenzwering. Vaste afspraak. |
Vierkante weigering. Tegenstrijdige informatie. Strijdende pleidooien. Berisping met zelfverdediging. Soms zeer ongelijke partijen. Recht tegen onrecht. |
Afgeleid vraaggesprek. Afgewimpeld verzoek. Geveinsd niet-begrijpen. Geen kans geven om de vraag te stellen. Diplomatengesprek. |
| II |
5 |
6 |
7 |
8 |
| De een deelt door het gesprek den ander iets mee. |
LEER- OF VERHAAL- GESPREKKEN. |
VREEDZAME GEDACHTEN- WISSELING. |
DEBAT- GESPREKKEN. |
GEBORNEERDE GESPREKKEN. |
| MEEDEELENDE GESPREKKEN |
Leidend meedeelend gesprek. Verhalen van eigen ervaring. Sprookjes van grootmoeder. Overtuigend gesprek. Zich uitstortend gesprek. Raadgevend gesprek. |
Wederzijdsch aanvullende vertelling. Wederzijdsch aanvullende leer. Volkomen inleving in elkanders meening. Beiden aanvaarden een harmonische synthese. |
Intieme en religieuze meenings- verschillen. Geleerde disputen. Pro- en contra-gesprek Debat in kleinere vergadering. Distincties en reserves tegenover elkanders meening. |
Niet los kunnen komen van eigen meening. Misverstand- gesprek. Wederzijdsch- onbegrip. Het langs elkaar heen praten. Beiden draaien in hun eigen kringetje rond. Ten onrephte verdenken ze elkander wederkeerig van kwade trouw. |
| III |
9 |
10 |
11 |
12 |
| De een stort in het gesprek voor den ander zijn gevoelens uit. |
EENZIJDIGE GEVOELS- GESPREKKEN. |
WEDERKEERIGE GEVOELS- GESPREKKEN. |
WISSELINGEN VAN HATELIJK- HEDEN. |
ISOLEERENDE GESPREKKEN. |
GEVOELS- GESPREKKEN. |
Kalmeerend gesprek. Troost gesprek. Vleiend gesprek. Stekend en wondend verwijt zonder verweer. De ander doet niets, dan de uitingen van den eene in zwakker woorden nazeggen. |
Wederzijdsch (coquet) plaaggesprek. Wederzijdsch troostgesprek. Minnegesprek. Vriendengesprek. Eendrachtige laster en kwaadsprekerij. |
Ironie en spotgesprek. Ruzie-gesprek. Pest-gesprek. Wederzijdsche scheldpartij. Handtastelijk- heden. Moord. |
Ontweken ruzie-aanval. Mislukt troostgesprek. Vertrouwens opzegging. Afgeweerd vleigesprek. Afwijzing van allen verderen invloed. Breukgesprek. |
| | | |
Over elk onzer twaalf gesprek-typen een enkel woord.
Eerst de vier soorten van Doel-gesprekken.
1. De overgevings-gesprekken zijn dus een hulp-vragen van den eene en een hulp-geven van de andere zijde. Het wonder hiervan is, dat meestal de leiding bij den hulpvrager, maar de instemmende zielegrootheid bij den antwoorder en gever ligt. Ook behoeft de vrager niet de mindere in stand of autoriteit te wezen. Integendeel is het de hoogste en beste paedagogiek in den opvoeder: niet beveler maar vrager te willen zijn, juist in het belang van den jeugdigen vrijen willer. Een eigenaardige variëteit van dit type is het listig vraaggesprek, waar de ondervrager strikvragen stelt, om er den toegesprokene in te laten loopen.
2. De partner-gesprekken bestaan uit een doelgesprek van den spreker, met een instemmend doelgesprek van den toegesprokene beantwoord en verrijkt. Dit is het toppunt der nuttige samenwerking, en de diepste eendracht van bondgenooten. Hier voelt de eenling, hoe de samenleving hem sterker en grooter maakt.
3. In de toernooi-gesprekken botsen letterlijk de strijdende wilspartijen op elkander en het blijft niet bij dien eenen samenstoot; neen het regent stooten en uitvallen van weerszijden; en mooier is het, als zij hierbij elkanders stooten weten op te vangen en elkander met dezelfde munt weten te betalen; het allermooist, wanneer de evident zwakkere partij het recht tegen het sterkere onrecht weet te doen zegevieren.
4. De tactiek-gesprekken toonen echter, dat vaak de fijne ontveinzing van den fellen tegenstand, in den vorm van een keurig beleefd gesprek, nog een veel scherper verweer kan zijn dan het botste geweld, evenals het niet-willen-begrijpen van een verzoek nog hatelijker weigering kan inhouden als een vierkant Neen. Wij wijzen hierop vooral, omdat de naam ‘mislukte gesprekken’ ten onrechte zou kunnen doen gelooven, dat ook de toegesprokene hier een mislukking heeft te boeken. Juist omgekeerd is het kunnen laten mislukken van zoo'n doelgesprek zijn hoogste triomf.
Nu volgen de vier soorten van meedeelende gesprekken.
5. De leer- of verhaalgesprekken, zijn heel iets anders als de overgevings-gesprekken, hoewel in beiden een mededeeling wordt gedaan. Daar toch was de mededeeling een inlichting op verzoek, maar hier is de mededeeling een rondstrooien van wat de spreker kwijt wil op eigen initiatief. Maar hij moet dit met zooveel crême weten te doen, dat de toegesprokene hem de woorden van de lippen leest.
6. De vreedzame gedachte-wisselingen zijn dus van weerskanten een spontane mededeeling van gedachten, die tot beider geluk roerend over- | | | | eenstemmen en elkander aanvullen en versterken, en tot een harmonische synthese leiden.
7. Maar even nuttig, mits zonder hartstochtelijke onstuimigheden zijn de Debatgesprekken en Disputen. Immers: du choc des opinions jaillit la vérité.
8. Heel vaak ontaardt zoo'n debat echter in een geborneerd gesprek, waarin een of beide tegenstanders te eng van begrip zijn, om zich in elkanders meening in te denken, en daardoor telkens weer verkeerde gevolgtrekkingen daaruit afleiden, waardoor ze elkaar niet slechts pijn doen maar elkanders goede trouw in twijfel gaan trekken en zoo hoe langer hoe verder van elkaar afraken.
Nu volgen ten slotte de vier typen van Gevoelsgesprekken.
9. De eenzijdige gevoelsgesprekken zijn soms roerend van schoonheid, en geven aan het individu de volle en rijpe gelegenheid om uit te spreken heel den bloeienden rijkdom van een groot meelijdend hart, soms ook de kille ijzige weelde van een meedoogenloozen spot.
10. Tot de wederkeerige gevoelsgesprekken daarentegen behooren op de allereerste plaats alle in goede aarde vallende liefdesverklaringen en minnegesprekken, die ver boven de sexueele liefde uitstaan, en haast van zelf tot schoone kunst worden; maar verder ook de speelsche plaaggesprekken, wanneer de beide partijen aan elkaar gewaagd zijn; en ten slotte ook de elkaar overtroevende kwaadsprekerijen en lasterpraatjes.
11. De ruziegesprekken met hun tallooze variaties van de lichte speelsche ironie tot handtastelijkheden en moord toe behoeven geen nadere toelichting. Alleen is het nuttig op te merken, dat het moderne genre der scheldsonnetten hieruit is voortgekomen.
12. Ons laatste type van isoleerende gesprekken staat natuurlijk op het uiterste randje. Het hoort eigenlijk maar half meer tot onze categorie, daar het natuurlijk gevolg van het gesprek: de geestelijke inelkandergroeiïng hier ten eenen male ontbreekt, en het einde altijd een isolement of uit elkander gaan beteekent. Meestal ziet men elkander na zoo'n gesprek nooit meer terug. En daar is plaats genoeg op de wereld. Er zijn nu eenmaal menschen die niet voor elkaar gemaakt zijn.
Juffrouw ten Berge zal misschien haar 12 typen hier maar amper in terugkennen, want behalve de namen, is er ook in de karakteristiek van de 7 hoofdbegrippen en van de 12 combinaties allerlei veranderd en aangevuld, zoodat ik zelf ten slotte alleen voor dit schema aansprakelijk ben. Ik blijf echter dankbaar erkennen, dat het mij zonder haar voorwerk onmogelijk zou geweest zijn: dit schema zoo in elkaar te zetten.
| | | |
Over de verdiensten en de gebreken van dit schema kan ik het oordeel verder aan den lezer laten. Iedereen ziet, dat er reeds heel wat onder valt, maar dat het toch nog volstrekt niet alles omvademt.
En deze fout ligt vooral aan het uitgangsmateriaal: de gesprekken van Mevr. Boudier Bakker in De Klop op de deur. Dit zijn namelijk, en dat was voor ons doel juist een geluk, bijna allemaal korte gesprekken en in al hun variaties, toch meestal zeer eenvoudig gebouwd, met één rechte verloopslijn.
Daarom heb ik zelf hiermee eerst een heele reeks gesprekken uit de Romans van Jacob van Lennep, vooral uit Ferdinand Huyck vergeleken. En hierbij blijkt nu al aanstonds, dat deze gesprekken niet slechts veel langer plegen uit te vallen, maar ook een veel hoekiger verloopslijn vertoonen. Daarna heb ik er de meest bekende opera's van Wagner en de groote stukken van Shakespeare en Corneille op doorgekeken; en ook deze dramatische gesprekken bleken veel meer keerpunten te vertoonen.
Ik geloof echter, dat dit geen verandering behoeft te brengen in onze indeeling, maar dat wij dezelfde methode moeten toepassen, die zich vroeger in mijn studie over het gevoel1) als het ware opdrong; toen ik na de eenvoudige gevoelens in een schema te hebben gebracht, in aansluiting daarbij de phase-gevoelens karakteriseerde als de gevoels-combinaties die uiteraard uit twee min of meer contrasteerende gevoels-schakeeringen samen-gesteld zijn, zooals leedvermaak.
Zoo kan b.v. een aanvankelijk vreedzame gedachtewisseling (6) heel gemakkelijk in een fel debat (7) eindigen, of omgekeerd en dan hebben wij dus de combinatie (6,7) of (7,6).
Zoo kan een partner-gesprek (2) tot een toernooi (3) worden en dus (2,3) heeten.
Zoo zal ook een tactiekgesprek (4), als de aanhouder wint, ten slotte in een overgevings-gesprek (1) zijn blij einde vinden en dus als (4,1) gekarakteriseerd kunnen worden.
Dit eenvoudig combinatiebeginsel helpt ons nu vanzelf verder, want bij nader beschouwing blijken b.v. de gesprekscène's van Shakespeare of van Corneille vaak uit drie of vier phasen te bestaan. Denk b.v. maar aan ons eerste voorbeeld (6,7), dat als vreedzame gedachtewisseling (6) begonnen, als fel debat (7) voortgezet, ten slotte op een volle wisseling van hatelijkheden (11) kan uitloopen, en waarvan het verloop dus met de formule (6,7,11) kan worden aangegeven.
Nu is het verder van groot belang te constateeren, dat deze keerpunten in een gesprek niet altijd met een verandering van gesprektype behoeven
| | | | gepaard te gaan, maar binnen hetzelfde type ook in een rolverandering kunnen bestaan, waardoor b.v. de gever of antwoorder van zoo even, nu zelf tot vrager wordt. Wie toch vraagt, heeft de leiding. En nu is het een bekende kunstgreep in het gesprek, dat men om allerlei onbeschaamde vragen, die men eerst noodgedwongen, zoo goed als het gaat, heeft trachten te beantwoorden of te sussen, daarna met een reeks wedervragen te lijf gaat. In het Evangelie van Marcus 11, 27 vlgd., hebben wij hier een prachtig voorbeeld van. Beide phasen van dit gesprek hooren tot ons type 1 van de variëteit: strikvragen. Maar in de eerste phase hebben de Pharizeeën de leiding; doch in de tweede phase neemt Christus de leiding over. Hieruit blijkt, dat onze cijfers niet altijd voldoende zijn, maar dat bij elk cijfer de twee sprekers in een bepaalde groepeering moeten worden angegeven b.v. hier voor Marc. 11, 27-33 zoo: 
Ten slotte maakt het nog een groot verschil, of een gesprek door twee personen onder vier oogen gevoerd wordt, of dat wij met z'n drieën of vieren samen spreken. Gewoonlijk verandert dit echter niet zooveel aan de heele structuur, daar de aanwezigen zich dan bijna van zelf in twee partijen splitsen, en dus een actie-groep het gesprek voert met een reactie-groep, waarbij de verschillende partijgenooten elkander dan met min of meer handigheid de balletjes toewerpen. Meer verschil maakt het, als een gesprek of debat in het openbaar gevoerd wordt, ten overstaan van een heele vergadering. Dan toch probeeren gewoonlijk beide debaters, vooral de vergadering te winnen en wordt de persoonlijke tegenstander veel minder geteld. Een goedkoope kunstgreep in dit geval is: de lachers op zijn hand te krijgen. Alleropmerkelijkst hierbij is het, dat de aanhoorders van zoo'n publiek debat, zich dan ook heelemaal in hun speaker inleven, en hem door applaus bijvallen en ondersteunen. Ook hier hebben wij dus weer twee strijdende groepen onder het publiek.
Nu pas kunnen wij dan ook het dramatisch gesprek op het tooneel tegenover het gesprek in het volle leven karakteriseeren. Hierbij merken wij natuurlijk ten eerste op, dat het drama slechts van buiten geleerde fictie is tegenover de spontane realiteit van het leven; maar als de dramatische kunstenaar zijn gesprekken naar de natuur heeft geteekend, verandert ook dit weer weinig aan de heele phaenomenologie van den dialoog. Maar wat ten nauwste aansluit bij het debat voor een heele vergadering, en aan den dialoog op het tooneel een heele nieuwe aesthetische waarde geeft, is de inleving van al de toeschouwers zonder uitzondering: in den held van het stuk. Wij staan dus bij dramatische ge- | | | | sprekken altijd aan ééne zijde. Om het partij kiezen voor den held nog dwingender te maken, dienen dan ook de grootere monologen, of de zelfgesprekken, die bij goedgebouwde drama's altijd aan den held of zijn secondanten worden voorbehouden. De groote kracht van Shakespeare b.v. is: zóó beslag te leggen op de sympathieke aandacht van zijn toeschouwers, en ze zich zóó intiem in den held te laten inleven, m.a.w. den held zoo boeiend en den antagonist zoo afstootend te maken, (denk b.v. slechts aan Macbeth en Lady Macbeth) dat een goed speler soms tegen de heele fictie in, bij open doek applaus krijgt en de best spelende antagonist reeds bij zijn optreden soms door het schellinkje wordt uitgefloten. Dit inleven van het publiek in de verlerlei gesprekken van den held, om zoo al zijn vreezen en angsten, zijn wagen en driften, maar ook zijn tegen allen opgewassen titanen-zeggingskracht en zegepraal mee te vieren, is een der rijkste elementen van het dramatisch kunstgenot. En Wagners muziek weet door zijn wondere akkoorden, deze resonantie der heele zaal, rond de aria van den spreker: in kleuren en geuren weer te geven. Ja, ik heb mij meermalen afgevraagd, of dit gevoelde meespelen van het publiek in de muziek der opera niet
hèt eigenlijk geheim is van de betoovering, die de opera op het spreekdrama vóór heeft.
Ten slotte geef ik als proeve van methode: een analyse van een der mooiste scènes uit Shakespeare:
| |
Prins Arthur (Uit ‘King John’).
Prins Arthur, Godfrieds zoon, moest rechtens koning van Engeland
worden, maar zijn oom Jan zonder Land heeft hem onrechtmatig verdrongen.
Louis Philippe van Frankrijk nam - ook al niet onbaatzuchtig -
den strijd voor hem op, maar in den slag van Angers viel Arthur den
gewetenloozen Koning Jan in handen. Deze voerde hem mee naar Engeland
en zette hem gevangen. Zijn heerschzucht kent echter geen rust,
zoolang de jonge prins nog leeft. Hij geeft daarom bevel hem te dooden,
en een zijner hovelingen Hubrecht de Burght wordt met die taak belast.
Deze Hubrecht is wel een gewetenlooze handlanger van Koning Jan,
maar toch vatbaar voor zachtere gevoelens. Uit medelijden met Arthur
heeft hij besloten hem van het licht der oogen te berooven, maar hem
niet te dooden. Daartoe heeft hij zelf een valsch bevelschrift opgemaakt.
| |
| | | |
Vierde bedrijf, eerste tooneel.
Een kamer in Koning Jan's kasteel te Northampton. De wanden zijn met tapijten behangen.
Hubrecht en twee knechten.
Maakt mij die ijzers heet, en gaat dan gauw
Achter het wandtapijt. Als 'k met mijn voet
Op den grond stamp, schiet ge aanstonds toe,
En bindt het jongmensch, dat ge hier zult zien,
Vast op den stoel. Nu weg en opgepast! +
Hebt gij dáár volmacht toe?
Wat angst! Jij hebt niet bang te zijn maar op te letten
Kom binnen, Prins. Ik heb U wat te zeggen.
Goeden morgen, kleine prins.
Ja, een prins wel zoo klein als 't maar kan, met al
M'n groote namen. Wat zie je er treurig uit?
Nu ja, ik ben wel eens vroolijker geweest.
Ik dacht dat niemand er zoo akelig voorstond als ik.
Maar toch, herinner ik me nu, dat toen ik in Frankrijk was,
Daar jonge edelen waren, somber als de nacht:
Uit louter grilligheid. Was ik maar vrij,
Al waar 't als schapenhoeder, ik zou zoo waar
Zoo blij zijn als de lieve lange dag.
Ja 'k zou 't hier zelfs zijn, als 'k maar niet bang was,
Dat mij mijn oom nog erger leed wil doen,
Want hij is bang van mij, en ik van hem.
Kan ik het helpen, dat ik Godfrieds zoon ben?
| | | |
Nee, nietwaar? Ja; 'k wou dat ik jouw zoon was,
Hubrecht, als je van me hield tenminste.
(ter zijde)
Als ik met hem ga praten, wekt de knaap +
Het meelij, dat nu dood ligt, nog ten leven op.
Ik moet er dus schielijk een eind aan maken.
Ben je ziek Hubrecht? Je ziet zoo bleek vandaag. +
Zeg, ik zou eigenlijk wel willen, dat je een beetje ziek was;
Dan zou ik weer bij je komen zitten, heel den nacht,
'k Wed dat ik veel meer van je hou dan jij van mij.
Hij werkt op m'n hart met zijn onnoozle praat. +
(hij toont een papier)
Hier! lees dit, jonge Arthur. (Terzijde): Wat?
't Is mal, er komen tranen in mijn oogen;
Die willen alle folterplan verjagen.
'k Moet kort zijn, anders druipt het vast besluit
In teere vrouwentranen mij nog de oogen uit.
Kan U het niet lezen? Is 't niet goed geschreven?
Wat? Veel te mooi voor zoo'n gemeene daad! +
Moet jij met ijzers mijn twee oogen uitbranden?
Heb jij het hart daartoe? +
Zeg, weet je nog, 's nachts toen je hoofdpijn had,
Dat ik mijn mooisten zakdoek, door princessehand geweven,
Jou op je voorhoofd legde, en hem nooit terugvroeg?
| | | |
Tot midden in den nacht hield ik je hoofd vast met mijn hand
En 'k hielp den tragen tijd wat vlugger voort.
Door ieder oogenblik te vragen: ‘Waar heb je pijn?
Wat scheelt eraan? Waar kan ik je pleizier mee doen?’
'k Denk: menig burgermanskind was stil in bed
Gebleven, en had geen boe of ba gezegd. +
Maar jij hadt voor oppasser: een prins.
Wil je m'n liefde slim noemen, doe het gerust
En als de hemel toelaat, dat jij me zoo mishandelt, +
Doe het dan maar. Wil je mij de oogen uitsteken, +
Die oogen, die ... je nooit boos hebben aangekeken
En nooit boos zullen aanzien?
En uitbranden moet ik ze, met gloeiende ijzers.
Nee zeg, als een engel van den hemel was gekomen
Om mij te zeggen: Hubrecht zal je blindmaken,
Ik had hem niet geloofd, maar nu je 't zelf zegt...
(stampt)
Vooruit! Doe wat ik je gebood. +
(Dienaars met koorden en ijzers komen op)
Hubrecht! Hulp! Mijn oogen zìjn al uit
Alleen door 't vinnig kijken van die beulen.
Geeft mij het ijzer, zeg ik. Bindt hem vast!
Och arm, waar is al dat geweld voor noodig? +
Ik zal doodstil staan en niet tegenspartelen,
Om Gods wil Hubrecht, bind och bind mij niet.
| | | |
Toe, hoor me Hubrecht, jaag die mannen weg.
En ik zal zitten: als een lammetje zoo stil, +
Ik zal me niet verroeren, nog niet rillen,
Ik zal niets zeggen, zelfs niet boos kijken
Tegen het ijzer, als je die mannen dan maar wegjaagt!
En ik vergeef je, hoe je mij ook martelt.
Weg jullie, hiervandaan. Laat mij alleen met hem. +
'k Ben blij, dat ik van zulk beulswerk af ben.
O wee, een vrind heb ik daar weggekeven. +
Zijn blik was star, maar teer z'n goedig hart:
Zijn meelij zal jouw meelij levend maken.
Kom knaap, maak U gereed. +
Neen, gij verliest uw oogen. +
O hemel, Hubrecht, zat er in jouw oog een splinter,
Een stofje, een korreltje, een mug, een haartje +
Of wat dan ook, dat hinderde aan je teere ooglid;
Dan zou je voelen, hoe daar 't minste zeer doet,
Ja, dan zou je gruwen van zoo'n wreedheid.
Hebt gij mij dat beloofd? Kom aan, bedwing Uw tong. +
Als ik twee tongen had, zou 't niet genoeg zijn +
Om te pleiten voor twee oogen. Laat de eene dus begaan.
Of Hubrecht, als je wilt, snij dan mijn tong maar uit,
| | | |
Als ik mijn oogen houden mag. O spaar
Mijn oogen, al was 't alleen om nog te zien naar jou. +
Kijk, 't ijzer is al koud, en zou geen zeer meer doen. +
Ik kan't weer gloeiend maken. +
O nee, het vuur is doodgegaan van spijt: +
Dat het voor folt'ring hier werd aangeblazen;
Want vuur is toch tot bestwil ons gegeven.
Kijk zelf maar. 't Kan weinig kwaad meer doen:
De milde hemel heeft het uitgedoofd
En witte asch gestrooid op 't rouwig hoofd.
Maar ik kan het doen herleven met mijn adem. +
Dan zou 't alleen van schaamte om jouw misdrijf blozen +
En wel eens vonken kunnen spatten in je eigen oog,
Net als aangehitste honden soms hun eigen heeren bijten.
Elk ding, dat je gebruikt om mij te deren, weigert
Z'n dienst. Ontbreekt dan jou alleen het mededoogen, +
Dat vuur en ijzer mij zoo mild betoonen?
En die zijn anders toch aan gruwelen gewoon.
Nu, zie en leef dan. Ik raak uw oogen +
Voor al de schatten van uw oom niet aan.
En toch had ik gezworen knaap, en was ik vast
Besloten: ze uit te branden met dit ijzer hier.
Nu ben je Hubrecht weer. Ik dacht ook al voortdurend, +
Dat je een ander was, en maar voor Hubrecht speelde.
| | | |
Wees stil, nu niets meer. Uw oom moet denken, dat
Gij dood zijt, de spionnen geef ik valsch bericht +
En, lieve kind, slaap rustig en wees veilig:
Dat Hubrecht U voor al het geld ter wereld
O God, ik dank je Hubrecht. +
Wees stil nu Arthur, en sluip zacht mij na naar binnen; +
Om Uwentwil gaat veel gevaar voor mij beginnen.
| |
Derde tooneel.
Arthur heeft ondertusschen van Hubrecht andere kleeren gekregen om onbekend te vluchten.
Plotseling krijgt ook Koning Jan zelf berouw over 't gegeven doodsbevel. Als hij nu
van Hubrecht hoort, dat Arthur nog leeft, trekt hij zijn wreede opdracht terug, en Hubrecht
is op weg om dit aan Arthur mee te deelen. Deze is echter onderwijl reeds op den hoogen
wal van het kasteel weten te komen, in radeloozen angst voor de beulen van zijn oom. Het
tooneel stelt voor den slotmuur van het kasteel.
De wal is hoog, en toch zal ik maar springen; +
O goede grond, wees zacht en stoot mij niet.
Een enkele of geen één, die mij hier kent.
En dan, 't matrozenpak heeft me heelemaal veranderd,
Ik ben zoo bang, en toch wil ik het wagen.
Als 'k zonder beenen breken naar beneden kom,
Dan vind ik wel een weg. Het zij hoe 't zij.
Hier sterf ik zeker: liever sterf ik vrij.
(Hij springt omlaag en smakt neer op den rotsgrond)
Wee mij, het hart van Oom zit in 't gesteente.
Aan God mijn ziel! Aan Engeland mijn gebeente.
(Hij sterft).
Nijmegen, 28 December 1936.
JAC. VAN GINNEKEN
|
1)Principes de linguistique psychologique § 398 vlgd. Eenvoudige Taallesjes voor Volwassenen Hoofdstuk III. Roman van een kleuter. Achtste Hoofdstuk. De ziel van Augustinus en haar God. Mechelen-Amsterdam. 1930, blz. 45-60. Onze Taaltuin, Jaargang V. Het Woord. Aflevering 7 en 8.
1)Het Gevoel in Taal en Woordkunst. Leuvensche Bijdragen. Deel IX 1911 blz. 44-51.
+Dit kleine inleidings-gesprek is een eenzijdig doelgesprek, met een korte interruptie van verzet.
+Hier begint het mooie taktiek-gesprek tusschen het brute onrecht van den gewetenloozen handlanger, en de onschuld van den jongen prins met het recht en zijn sympathiek gevoel voor Hubrecht tot bondgenooten.
Hubrecht neemt de leiding van een doelgesprek, dat echter door Arthur's eerlijke oprechtheid als tactiekgesprek mislukt.
+Arthur heeft de leiding.
+Terecht beklaagt zich Hubrecht dat hij zóó niet tot zijn doel komt.
+Na Arthur's eerlijke oprechtheid komt nu zijn sympathie voor Hubrecht aan het woord, waardoor deze geheel en al onthutst wordt.
+Totdat hij, als gesprekpartner de nederlaag lijdend, eenvoudig het bevelschrift zelf de boodschap laat doen.
+Hier neemt het gesprek een keer: van taktiek-gesprek, wordt het nu een toernooi met open vizier. Arthur neemt onmiddellijk de leiding door zijn vragen.
+De derde vraag: Heb jij het hart daartoe? wordt nu door hem zelf nader overwogen en beantwoord, door zijn kinderlijke liefde te stellen tegen Hubrechts wreede liefdeloosheid.
+Dit is der eedle liefde koninklijke zegepraal. Op dit oogenblik is hij reeds overwinnaar.
+Hij komt eerlijk voor zijn kunstgreep uit.
+De zegepraal culmineert in het bij den naam noemen der dreigende foltering.
+Heel Hubrechts verder verzet is een tot nederlaag gedoemd vruchteloos tegenspartelen.
+Opnieuw redt Hubrecht zich uit de gesprek-nederlaag door een machtsdaad.
+Prachtige kunstgreep der eerlijke onschuld.
+Nieuw bevel, maar zonder overgeving der beulen, die zeer goed merken, dat Hubrecht aarzelt. Arthur houdt de leiding, en spot lichtelijk met al die geweld- en machtsmiddelen.
+Hier vernedert hij zich tot vragen en smeeken, want hij weet, dat hij onoverwinnelijk is. Zelfde gevoelige stemming als in het begin, toen hij beschreef hoe hij aan Hubrechts ziekbed zat.
+Hubrecht zwicht dan ook, of liever hij gehoorzaamt.
+Van alles weet Arthur gebruik te maken: ‘Die leelijke vent had een gevoeliger hart dan jij.’
+Tevergeefs beeldt Hubrecht zich in, dat hij nog de leiding heeft, en de knaap met zich zal laten doen.
+Na weer een afleidingsvraag,
+komt op dit allergevaarlijkst moment weer het groote wapen van zijn sympathieke liefde aan het woord.
+IJdele tegenpraat van Hubrecht. Wie is aan zoo'n belofte gebonden?
+Heerlijk verweer van Arthur's recht op zijn tong en zijn oogen.
+Een subliem in beroep gaan bij de levenlooze natuur tegen het menschelijke onrecht.
+Zwakker napraat van zijn eigen vetzet.
+Opgevangen door een geheel nieuw argument: Hubrechts zelfbehoud. Pas op mannetje, je eigen oogen loopen gevaar. En dit sluit toch vanzelf bij zijn vroegere sympathieke inleving aan.
+Nieuw argument: Is jouw hart ongevoeliger dan ijzer en vuur?
+Hubrecht is er door overweldigd, en bekent zijn nederlaag.
+Charmante overwinnaarstrots: nu herken ik je weer. Dat is de Hubrecht dien ik liefheb.
+Herhaalde onderwerping van Hubrecht.
+Oprechte dank van Arthur.
+Deze alleenspraak zet de kroon op het groote toernooi-gesprek. Deze knaap, die den gruwelijksten dwingeland weerstond, loopt nu, als een weerloos bang jongentje, blij met zijn matrozenpak, een wissen dood tegemoet. Onze sympathie voor hem wordt er niets minder om. Maar grenzenloos stijgt onze verachting voor de snoode kerels met harten van steen (het hart van Oom zit in 't gesteente) die dit kindje zelfs niet aankonden, omdat God en het recht van zijn minnende menschenziel (Aan God mijn ziel!), en het onaanrandbaar feit van zijn koninklijke geboorte (Aan Engeland mijn gebeente) naast hem stonden.
|
|