Onze Taaltuin. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 6. Van Aelst, Maastricht 1937-1938


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De Limburgsche Sermoenen toch Limburgsch?

Het handschrift germ. qu. 1087 (= Von Arnswaldt 3144), dat volgens de beschrijving van Prof. de Vreese1) uit het midden der 15de eeuw is, bevat fol. 1-90v. een verzameling sermoenen, 25 in getal. Merkwaardig is, dat in de beschrijvingen van dit hs., die beide dateeren van na de uitgave der Limburgsche Sermoenen2), en ook in de verdere literatuur, voor zoover wij deze konden nazien, niet vermeld wordt, dat wij hier met varianten dezer bekende Limburgsche preeken te doen hebben.

Het hs. berust in de Preussische Staatsbibliotheek te Berlijn, maar het Instituut voor Mystiek der Nijmeegsche Universiteit bezit foto's van het manuscript. Prof. Brandsma en zijn assistente Zr. Feugen wezen ons op deze preeken en gaven ons welwillend de vrije beschikking over het foto-materiaal.

Van de 25 sermoenen nu zijn er twintig terug te vinden bij Kern. Van de overige 5 konden wij tot nog toe geen andere redacties vinden. Hieronder volgt een inhoudsopgave tot fol. 90 v. en tevens in romeinsche cijfers een verwijzing naar het correspondeerende sermoen in de editie-Kern.

1. Dit is van onser vroüwen woe si got macten van anbeghin der werlt (VIII) 1r.
2. Dit is een seer merkelic ende leerlic Sermoen van den graden op te clymmen (XV) 5r.
3. Dit is van der pijnen ons heren die hi leet op den goeden vridach (XXXVII) 12r.
4. Doe ihesus ant cruce hinck (XXXV pag. 5081 - einde) 17r.
5. Van vijf saken daer got om gepassit wart (XXXIV) 18r.
6. O vos omnes (XXXVIII) 28v.
7. Sunte gregorius sprict (XXXIII) 33r.
8. Inebriabůntur (XXIII) 36r.

[p. 267]

9. Querite dominum et viuet (XXIV) 37v.
10. Men leest in apocalipsis (XL) 39r.
11. Confortamini in domino. etcetera (XLVII) 43v.
12. Sermoen van den confessoren (I) 46v.
13. Elegit eam deus et preelegit eam3) in habitare (IV begin - pag. 21324) 51v.
14. Dits van der sonnen ende van der manen ende van oeren teyken (II) 53r.
15. Dit Sermoen comt recht op alre heiligen dach (X) 57r.
16. Van tien namen ons heren (XXX) 62v.
17. Van den palmboem ende van sijnen telgen of twigen (XXXI) 63v.
18. Anima mea liquefacta est ut dilectus locutus (XLV) 75r.
19. Ortůs conclusus est (XLVI) 78r.
20. Domine quis habitabit in tabernacůlo tůo (XXIX begin - 43514) 81v.
21. Uwe leuen sal een lanterne sijn 82r.
22. In illo tempore. Cům appinquasset ihesus iherosoliman et venisset betfage 83r.
23. In illo tempore dixit ihesus discipulis suis. Erunt signa in sole luna et stellis 85r.
24. In illo tempore. Cum audisset iohannes in uinculis opera christi mittens duos de discipulis suis 88r.
25. In illo tempore. Missus est angelus gabriel a deo in ciuitatem galilee. cui nomen nazareth (slechts 9 regels) 90v.

Op fol. 82r. staat na het 21e sermoen een spreuk en fol. 89v. bevat slechts vier regels en even over de helft der pagina een aanwijzing voor den lezer: hier en gebrict niet; een andere hand schrijft het 24e sermoen verder af op fol. 90. Zooals de Vreese in zijn beschrijving opmerkt hebben wij hier te doen met een staaltje van arbeidsverdeeling in een middeleeuwsch klooster: de tweede kopiïst was reeds begonnen vóór de eerste met zijn deel klaar was.

 

De redactie van het Berlijnsche hs. (Bl.) vertoont zeer sterke gelijkenis met die van het Haagsche (H.), alleen is Bl. beknopter en slaat soms heele stukken over, zooals nog nader aangetoond zal worden. Men zal nu verwachten, dat het 15de eeuwsche hs. een afschrift is van het Haagsche, dat volgens Kern een laat-14de-eeuwsche copie is van een verzameling, die volgens hem in de jaren

[p. 268]

1320-1350 ontstaan is4), maar door van Mierlo in de 13de eeuw geplaatst wordt.5). Dit is echter niet het geval; als bewijs hiervoor enkele gegevens:

De volgnummers der preeken zijn, zooals uit de inhoudsopgave blijkt, geheel verschillend.

Bl. slaat, zooals reeds werd opgemerkt, vaak uitweidingen der Haagsche redactie over. Enkele zullen wij vermelden6): 24930 Want der onurede - 2502 den mensce; 25021 Wi sulen - 25024 gelden; 25030 Nu merct - 25032 gescapen; 25116 Die dit sin - 25120 gewonden; 3405 Dese geloue - 34010 wercken; 34014 Ende dar ombe - 34026 vergaan; 34121 Dar ane - 34134 gemenret; 3424 want hi - 3426 gewaut nit; 34321 Mi lest - 34329 geuloten es; enz. Deze stukken doen, mede om stilistische redenen, heel vaak vermoeden, dat het latere toevoegingen zijn.

Op verschillende punten stemt Bl. overeen met de Duitsche redactie van S.-G.7), waar H. hiervan afwijkt: preek 20 eindigt aldus: In den wonnentliken spiegel siet se sich aen eynde 43514. Evenals S.-G. mist ook Bl. het in H. volgende gedeelte, dat met het voorafgaande niets te maken heeft.

6395 ende den geest vudense in hemelrike. Evenals S.-G. heeft Bl. hier de volgende lezing: Ende euer den gheest sullen wy voeden van der hemelscher sueticheit. In Bl. volgen nu nog enkele regels, die in H. ontbreken, doch ook in S.-G. staan.

63915 due - waren ontbreekt in S.-G. en Bl.

63917 ende vagt - 63924 geest; hiervoor heeft Bl. en S.-G.: Dat is die ghehoechnisse der vijf rode wonden ons heren. Daer mede verwinnen wy alle ons viande.

In de 10de preek heeft de overschrijver van H. abusievelijk utin vueren gelezen. Bl. heeft uyt den ouere 54625, hetgeen hier juist is.

Ook is Bl. geen afschrift van S.-G. Het sterkste bewijs hiervoor is, dat er in Bl. preeken staan, die in een Duitsche redactie niet bekend zijn en misschien oorspronkelijk Dietsch zijn.8)

[p. 269]

Bovendien zijn er verschillende plaatsen te vinden, waar Bl. afwijkt van S.-G. en overeenstemt met H.: ende mit - wandelen alsoe 44513 ontbreekt in S.-G.; en - syn 44517 wijkt af van S.-G.; ghi sult gelijc sijn 1823 waar S.-G. wir sunt leest, hetgeen onjuist is; doe voerden si een ioncfer mede. die hief oer die cleder op. Ende een die voerden se 1844, waar Kern meent, dat zoowel H. als S.-G. foutief lezen en volgens zijn gissing Bl. de juiste redactie hebben zou!

Dergelijke bewijsplaatsen, dat Bl. geen afschrift is van H. of van het Duitsche hs., zijn er te kust en te keur. Uit dit alles volgt, dat Bl. eenzelfde bron gehad heeft als H. en S.-G. Bovendien hebben H. en Bl. nog een tweede bron gehad. Het is wel erg opvallend, dat de preeken, die geen Duitsche redactie hebben, in B., evenals dit gedeeltelijk in H. het geval is,9) een blok vormen: het zijn de nummers 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 18 en 19. Van Mierlo heeft verder Brabantsche invloed aangetoond op de Limburgsche Sermoenen.10) Het betreft hier de preeken 39, 41, 43, waar hij fragmenten uit de brieven van Hadewijch in erkend heeft en 42, die een verhandeling is van Beatrijs van Nazareth: Van Seven Manieren Van Minnen. Nu is het merkwaardig, dat in Bl., waarin toch naar verhouding een groot aantal der zgn. dietsche sermoenen staat, juist deze preeken ontbreken. Waarschijnlijk heeft H. dus nog een derde bron gehad: een Brabantsche.

Een indruk van het bovenstaande geeft het volgende lijstje: in de eerste kolom staat het volgnummer der Sermoenen van het Haagsche hs., daarnaast in vet het correspondeerende sermoen in Bl.11); tusschen ( ) de sermoenen, waarvan geen Duitsche redactie bekend is en tusschen [ ] die preeken, waarin door van Mierlo bovendien Brabantsche invloed is aangetoond:

1 12 9 17 25 (33) 7 [41]
2 14 10 15 18 26 (34) 5 [42]
3 11 19 27 (35) 4 [43]
4 13 12 20 28 (36) 44
5 13 21 29 20 (37) 3 (45) 18
6 14 22 30 16 (38) 6 (46) 19
7 15 2 (23) 8 31 17 [39] 47 11
8 1 16 24 9 (32) (40) 10 (48)

[p. 270]

Alvorens wij nog enkele opmerkingen maken over de taal, volge hier een specimen. Het is de 4de preek (Kern XXXV pag. 508-509), die, zooals in de inhoudsopgave reeds vermeld is, slechts gedeeltelijk in Bl. staat. Van dit sermoen bestaat geen Duitsche redactie en het behoort tot ‘het blok van preeken, dat meer Dietsch aandoet’.

 

+Doe ihesus ant cruce hinck. doe wart hi sijn moeder an siende. ende want hi soe nact hinc soe scamden hi hem alre meest voer oer ende voer danderen die daer stonden. alsoe dat hi teen been ouer tander sloech. Siet doe quamen die quade ioeden ende nagelden die voet. die hi seluer oůer een geleyt had. doe alre irst quam een vrouwe ende bant hem een cleet. Aldus mogen wy wale weten dat scemte hem grote pijn was. nochtant verwan die mynne al dese scamte. alse sunte Johan sprict. Oec mogen wy sijn mertelie proeůen daer by dat hi ant cruce weynden. want gy weet wael dat wise lude niet te vergeefs en weynen. Mer die wise ihesus daer alle wijsheit ende conste in verborgen lach. als sunte paulus sprict. hi beweynden sijn ongevoege. mertelie die hi leet. hi mochtet wael beweynen.+ dat hi den menschen soe lichtelic hadde gemact. ende dat hem die mensche soe bitterlike suer wart dat hi en weder vermacte. Daer om sijn die vleyschelike ogen selich die dat bewenen. dat ihesus mit sijnen gotliken ogen beweynden. ende oec sijn si salich die dese pijn stadelic dragen in oer memorie ende hem daer af louen ende dancken. Ay sekerlic daer om voeget uytermaten wael gheesteliken luden dat si temelic sijn in oer choer ende in oeren getijden ende innich in oer gebet. Mer leyder wi sijn soe wilt ende soe ydel ende lopen soe lichtelic uyt ende sijn soe onstadich in onsen herten. dat wy duck priem voer complete beghinnen. dats een colt gebet. Dat wy onsen here lieue daer mede doen. dat wy daer hem dancken sijnre pijnen. dat mogen wy proeuen aldus. Een mensche die sijnen vrint grote dingen doet. dien doet et herde saft. dats sijn vrient gedencke. voel safter doet dit gade. dat men hem stadelic sijnre pijnen bedancke. ende denct dat se hem suerre wart dan ye12) mensche. bi desen weynen mogen wy wael merken sijn grote pijn. want wat pijnen diet herte beroeren die bewisen gheern die ogen. oec mogen wy wael proeuen daer by dat sijn mertelie groet was. dat hi soe schier ant cruce sterf. want en had sijn pijn niet alte groet+ geweset. Ende van soe goeder conplexie. ende van soe sterker na-

[p. 271]

tueren als hi was. hi en mocht soe schier niet gestoruen sijn. want hi wart op den middach ant cruce geslagen. ende gaf sijnen gheest op te noen. van der geringer doet wonderde pylatus. doe ioseph van aramatien quam ende pylatus bad. dat hi hem dat dode licham geue. dat hijt begreuen. Voel weer te seggen van sijnre pijnen. dat ons nu te lanc waer te vertellen. Mer een ygelic laet hem dencken. des dat hi ghehoert heeft. ende vestet in sijn herte. ende draget in sijnen werken. ende dancken onsen here sijnre pijnen. ende bid hem dat hi er ons deelachtig laet wesen. alsoe dat wi mit hem besitten tewelike rijke. Amen.

 

Wat de taal betreft:

Zeer vaak komen vormen met a voor, waar niet-oostelijke teksten13) een o hebben: becaringe, beslaten, daern, doervlaten, gade, geapent, gebaden, gelaefte, haep, naerden, paerte, taern, verlaren, waerde enz. naast minder frequent voorkomende o: becoringe, besloten, bouen, geboden, gode, noerden, poert, woerde enz.

Umlaut van gedekte en ongedekte a: hedde (praet. conj.), herde, mechtig, mertelie, ongemeclic, verken, beweyede, meghede (maagd), queme (praet. conj.), sceemte, selicheit, slepet, weerlic enz. naast vormen zonder umlaut: drachtig, harde, martelie, onmackelic, maghede, scamte, salicheit, wayen enz.

Ronding van vocalen: nummer, ummer, sunte, hulpe, sunde, sunderlinghe, duck(e), voel, oevel.

Geen ou, maar ol of al vóór dentalen: holden-halden, gewoltgewalt, olt-alt, oltaer-altaer, solter-salter, veuenuolt, colde. (De ol-vormen zijn in de meerderheid). De oorspronkelijke ol voor dentalen is ol gebleven.

Westgerm. ai is zeer dikwijls niet gemonophtongeerd: heiten, meyster, heilen, gemeyn, ghemeynte, deilen, teyken, gebreit enz., naast de vormen met monophtong: deel, deelen, een, geest, hees, heesheit, meest, deelachtig enz.

Als uitgang van het praet. 3de pers. sing, der zwakke werkwoorden komt naast de zeer frequent den voor: hi leyden, hi doeden, hi verenichden, hi bekierden, hi macten, hi beweynden enz.

De vorm woe naast hoe.

De acc. van het pers. voornaamw. van den 3den persoon is: hem, en, om en oen; (h)oer en se. Als reflexivum naast hem frequent

[p. 272]

sich.14) Sporadisch staat in den nominatief he en se.15) Als acc. van het pron. demonstr. (zelfstandig gebruikt) ook den.

In den woordenschat zijn verschillende woorden, die sterk oostelijk aandoen: aen (zonder), bis (tot dat), erbermde (medelijden), eenode (woestijn), euer16) (nochtans), luttic (luttel), swoen (zoen), stubbe17) (stof), thent (tot dat), zwinden (verdwijnen).

Uit deze summiere gegevens mag wel worden geconcludeerd, dat de tekst Oostelijk is en wel uit het Nedersaksisch-Frankisch menggebied. Toch zijn er, zooals reeds bleek, taalfeiten, die sterk naar Limburg wijzen. Deze feiten worden nog versterkt door:

De schrijfwijze got naast god18); de regressieve assimilaties: gelachde (lachte), hoechde, erbermde (medelijden); de voorkeur voor stemhebbende d; gesterde (gesternte); de klankverschuivingen: gelich, he sprich; gezelde (getelde, tent). In den nominatief: der scat; de imperatief: sich en besich (ziet); de 3de pers. plur. si haen (hebben).

Mag op grond van deze taalfeiten niet worden aangenomen, dat de Geldersche afschrijver een Limburgschen tekst heeft afgeschreven? Het omgekeerde, nml. dat een Limburger een Gelderschen tekst kopiëerde ligt in het gegeven geval allerminst voor de hand, want dan zouden wij in de Limburgsche Sermoenen van het Haagsche handschrift toch wel eenige aanwijzingen naar het Noorden mogen verwachten.

Prof. van Mierlo heeft Brabantschen invloed aangetoond in 4 preeken van het Haagsche handschrift en hierdoor staat vast, dat de auteur van H. zeker de Brabantsche mystiek gekend heeft. De hypothese dat de overige preeken, waarvan geen Duitsche redactie bekend is, nu ook wel Brabantsch zullen zijn en de schrijver dan wel Willem van Affligem geweest is, lijkt ons nu nauwelijks meer te verdedigen. Zou er onder dit alles, dat naar Limburg ruikt, niet een oudere Limburgsche tekst schuilen en zouden dan de ‘zoogenaamde Limburgsche Sermoenen’19) misschien tóch, althans voor een gedeelte, nog echte Limburgsche Sermoenen zijn?

W. SLIJPEN.