Onze Taaltuin. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 7. Van Aelst, Maastricht 1938-1939


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Bijdragen tot de historische grammatica der Brabantse dialecten

1. wgerm. î. Cfr. J. te Winkel Nnl. Tongv. II 167-168; Weijnen Onderzoek § 40 vlgg.; Onze Taaltuin VI 202 vlgg., VII 93 vlgg.

In mijn Onderzoek § 41 werd reeds behandeld hoe de î zich in het Peellands dorp Asten ontwikkeld heeft. Voor deze studie onderzocht ik door herhaald bezoek ter plaatse in de jaren 1934 en 1936 en aan de hand van het stukje in Geldrops dialect uit Van de

[p. 141]

Schelde tot de Weichsel, zoals dat voorkomt in J. van Ginneken Handb. I2 194-196, deze ontwikkeling te Geldrop. Hier bleken de verhoudingen geheel anders:

î (hiertoe reken ik ook de i-klank van de leenwoorden die zich evenals wgerm. î in het A.B. tot ij ontwikkelde) werd oi: zoin zijn ww., toit tijd, sloik slijk, voif vijf, voiftien vijftien, voiftich vijftig, altoit altijd, gəloik gelijk, koik kijk, gordoin gordijn, woin wijn, ois ijs, poin pijn, stoif stijf, stroikoizər strijkijzer, kərnoint konijn, roik rijk, doik dijk, kwoit kwijt.

î werd ee in schreevə schrijven, kreegə krijgen, zweegə zwijgen, grees grijs, peep pijp, beetə bijten, bəgreepə begrijpen, keekə kijken, kərneentjəs, konijntjes, wees wijven (< weefs; in Van de Schelde tot de Weichsel van de Gebrs. Leopold komt in het Geldrops stukje naast het mv. wees het enkelv. wo-uif voor; hier zal met de vocaal wel oi bedoeld zijn).

î werd aai in woordauslaut en silbenhiaat: vraai vrij, baai bij, waai wij, vraaiər vrijer, partaai partij, opsnaaiər opsnijder, naai nieuw (*nî- heeft w-afval). Uitz. maaiəroi Meierij.

Deze aai verkortte weer voor een uitgangs-t en in minder-beklemtoonde positie: hai rait hij rijdt.

î behield de ie-kleur in sommige relicten: bliedə blijf je, kriegə krijgen.

In overeenstemming met Geldrops ligging aan den rand van Peelland is het feit, dat de ie er nog voorkomt, hoewel zeldzamer dan bijv. in Asten. De ng die in Peelland uit auslautende n gemakkelijk ontstond blijkt verdwenen (vgl. vooral woin, poin). Kort geleden kwam ze er echter blijkens Schrijnen Isoglossen van Ramisch Krt 8 nog voor. Dat bij silbenhiaat en in woordauslaut een andere vocaal optreedt, vertoont Geldrop in overeenstemming met Asten. Een etymologische grond waarom î nu eens oi, dan weer ee werd, ontgaat ons. De toestand in verband met de ontwikkeling van de î lijkt ons vlottend. Naast het door ons zelf aangetroffen voif vijf staat in Leopolds stukje veef. Een ander doublet is kreegəkriegə krijgen.

2. wgerm. a in open lettergreep.

Uit mijn artikel in Onze Taaltuin VI 11 vlgg. en mijn Onderzoek § 15 blijkt dat de wgerm. a in open lettergreep in bepaalde O.N. Br. dialecten zich verschillend ontwikkeld heeft al naar gelang er een velaar of labiaal of wel een andere consonant op volgt en daarom suggereerde ik reeds een vage overeenkomst met de ont-

[p. 142]

wikkeling van de wgerm. û, waarvoor in het centrale gedeelte van de Meierij ook verschil in ontwikkeling naar gelang de articulatieplaats van de volgende consonant vaststaat.

Het onderwerp lijkt ons belangrijk genoeg om (thans voor de a) nader in ogenschouw genomen te worden.

In het uiterste oosten van Peelland is de ontwikkeling in beiderlei positie eenvormig.

Asten bijv. kent: zwaan zwaan, staarə staren, staal staal (1o metaal 2o monster), vaal vaal, maalə zaniken, zaagə zagen ww., maanə manen van een paard, kaak kaak, jaagə jagen, kaal kaal, kraakə kraken, naam naam, raak raak, waagə wagen znw., maalə malen, bətaalə betalen, knaagə knagen, maach maag, laakə laken, laat laat adi., schaal schaal, haas haas, opraapə oprapen, gaar gaar, draagə dragen, maakə maken, staakə staken, gaapə gapen, bədaarə bedaren, staapəl stapel, baan baan, aar aar, daagə dagen, daatəm datum, zaak zaak, haan haan, laan laan, graavə graven, klaagə klagen, staavə staven, maagər mager, haavər haver, schaaj schade, paaj paden, maanə manen ww., taal taal, vlaach vlaag, gəwaar gewaar.

In dit lijstje zijn de gevallen met korte (kort gebleven of secundair verkorte?) vocaal terzijde gelaten. Maar ook daarbij zou men geen verschil in ontwikkeling aantreffen. Vergelijk bijv. ba's baas, va'ddər vader, wa'ttər water, a'lling geheel te ener zijde en ha'mmər hamer, ka'mmər kamer te anderer zijde.

De enige uitzonderingen in Asten zijn: roam raam, moat makker, troan traan. Dit laatste woord zou (cfr. Franck-Van Wijk i.v.) ook â = aha kunnen hebben. slo'n slaan kan op dezelfde manier verklaard worden of door analogie naar go'n gaan en sto'n staan.

Over de juiste waarde der aa in Asten cfr. Onderzoek § 15.

Een moeilijkheid in het algemeen bij de behandeling der wgm. a in open lettergreep vormen de latijnse en romaanse leenwoorden, doordat hun a-klank zich nu eens als gerekte a, dan als â gedraagt. Zij zijn onder onze a-lijstjes opgenomen naar gelang den klank, dien zij in het dialect hebben. Vandaar dat ik soldoat soldaat en toffəl tafel hier niet opnam (â-woorden).

In Grave is blijkens W. Jacob Het dialect van Grave § 16 de ontwikkeling eveneens eenvormig, nl. tot aa'. Uitzonderingen hierop zijn: móa't kameraad, gəwoo'r gewaar (analogie naar woo'r = waar?) en enkele, doch niet alle, gevallen waar de vocaal voor l en n verdonkerde (onder deze voorbeelden zijn er verschillende met

[p. 143]

samentrekking uit -aha-). - De ae van gae'r gaar en stae'rə staren kan hier onbesproken blijven. De oo in woo'r waar adv. kan oude â bezitten. Cfr. Franck-Van Wijk i.v. Hetzelfde geldt voor vlóa'ch vlaag, hoewel Astens vlaach vlaag daar niet op wijst.

Waar dus in Onderzoek § 15 ‘op grond van het..... door den heer A. van Gerwen verschaft materiaal’ kortweg besloten werd, dat wgerm. a in open lettergreep voor alle consonanten tot aa werd in het Land van Cuyk en oostelijk Peelland, dient hier toch een restrictie gemaakt te worden.

In M.N. Br. en W.N. Br. is de ontwikkeling eveneens gelijkvormig, nl. tot oa of ao. Materiaal voor bijv. Wagenberg, Fijnaart, Gastel of Roosendaal zou ik in overvloed kunnen geven maar dit heeft geen zin omdat er toch overal regelmatig ao of oa verschijnt. Vgl. bijv. voor het dialect van Steenbergen - De Heen - Nieuw-Vossemeer de romans van A.M. de Jong.

Maar in een uitgestrekt O.N. Br. gebied is het bedoelde verschil wèl aanwezig.

Voor Zeeland is het te concluderen uit het materiaal van Brabantius in Onze Volkstaall passim. Vgl. bijv. ha'mmər hamer, graavə graven, draagə dragen, waakə waken, zaak zaak, naam naam tegenover ik ho'ldə ik haalde, gəho'lt gehaald, bo's baas, wo'rneemə waarnemen, haotə haten, laojə laden, maonə manen, gaor gaar, haon haan, gəwaor gewaar; dubbelvormen: va'ddərvaodər vader en wa'ttər-waotər water (alle vbb. van O.V.I 163).

Voor het hier dichtbij gelegen Reek (waarvoor dhr. W. Lemmers uit Nijmegen mij materiaal verschafte) wijs ik bijv. op:

braaf braaf, draavə draven, graavə graven, schaaf schaaf, aap aap, gaapə gapen, draagə dragen, zaach zaag, naam naam, daamə dame, waakə waken, zaak zaak, schaamə schamen, klaagə klagen, haam haam, maach maag, maakə maken, saamə samen, staamələ stamelen, jaagə jagen, staaf staaf, smaakə smaken, slaaf slaaf, schaakəl schakel, raaf raaf, aaf naaf, naakt naakt, haavər haver, raapə rapen, raakə raken, daach dagen, jaagər jager, haagəl hagel, gaagəl gagel, maagər mager, naagəl nagel, kraach kraag, aak aak, waagə wagen znw., schraach schraag, draak draak, laakə laken, staak staak, blaach blaag, zwaaf zouaaf, en een ‘verkorten’ vorm als hammər hamer tegenover

laon laan, waotər water, blaojər blaren, haot haat, gaor gaar, zaol 1o zaal 2o zadel, maolə malen, laot laat, haon haan, baotə baten, laojə laden, vaorə varen ww., kraon kraan, kaol kaal, haolə halen,

[p. 144]

daos daas, kaotər kater, haos haas, glaos glazen mv., glaozərə van glas, schaoj schade, slaoj salade, schaotərə schateren, snaotər snater, staol staal, taol taal, vaol vaal, vaos vaas, zwaon zwaan, waor waren mv. znw., vaot vaten mv. znw., vaon vaan, waojə waden, bəwaorə bewaren, haore haren ww., baos baas, baon baan, baol baal, baojə baden, gaos gaas, klaotərə klateren, plaot plaat, raotələ ratelen, dwaolə dwalen, maoj made en ‘verkorte’ vormen als zo'ttərdach Zaterdag, bo'ntjə baantje, vo'jjəm vadem, vo'ddər vader, lo'ttər later comp.

De enige mij opgegeven uitzonderingen zijn daalə dalen (invloed van het A.B.), vaarə varen (plant), nachtəgaal nachtegaal, staarə staren, jaanəs Janus, bəlaazərə bedriegen, raar (wschl. leenwoord uit het A.B., omdat men in Brabant aorich i.p.v. ‘raar’ zegt) en het doublet klaas Klaas - sintərklo's St. Nicolaas; oor aar en spoorə sparen gedragen zich als â-woorden.

Van Woensel heb ik slechts weinig materiaal:

aap aap, gaapə gapen, braaf braaf, naavəl navel, schaavə schaven, graavə graven, draavə draven, draagə dragen, vandaach vandaag, jaagə jagen, zaach zaag, braak werktuig om vlas te breken (er is inderdaad een wgerm. *brăkô, cfr. Franck-Van Wijk 88) kaamər kamer en de ‘verkorte’ vormen: hammər hamer, gapt gaapt, rapt raapt tegenover loat laat, zoal zaal en de ‘verkorte’ vormen: vójjəm vadem, mo'lt maalt, ho'lt haalt. Uitz. wa'ttər water, va'ddər vader, roam raam.

Uit Eindhoven bezit ik een klein manuscript, enkele tientallen jaren geleden opgesteld door H.J. Weijtens en mij door zijn neef dr. H. Weijtens uit Eindhoven bereidwillig verschaft. Daarin vond ik:

vormen met a vóór labialen of velaren: blekslaagər1) blikslager, naagəl nagel, spijker, saabəl sabel, waagə wagen znw., knaap knaap, maach maag, kraach kraag, zaach zaag, snaak snaak, zaak zaak, kaak kaak, naam naam, graaf graaf, raaf raaf, slaaf slaaf, staaf staaf, daagə dagen mv. znw., braaf braaf, naakənt naakt, maagər mager, waakər waker; alleen oa in roam raam, doavərə daveren,

vormen met a voor de andere, ‘dentale’ consonanten: vərgoadərə vergaderen, zo'ttərdach Zaterdag, poatər pater, bloajər bladeren, moat makker, kappietoal kapitaal, stoal staal, kappəloan kapelaan, troan traan, snoar snaar, oar aar, en woatərə wateren

[p. 145]

naast wa'ttər water, doch verder: vaajər vader, stieffaajər stiefvader, vlaai vla, laai lade, plaat plaat, kanaal kanaal, nachtəgaal nachtegaal, schaal schaal, taal taal, zaal zaal, kraan kraan, haan haan, ba's baas, haas haas, kaatər kater, snaatər snater, vaan vaan, zwaan zwaan.

Hoewel de verdeling niet erg sprekend is, lijkt het mij toch nog beter de oa-klanken niet als ontleningen of analogieën op te vatten, maar hier een door vele uitzonderingen verdoezeld voorbeeld van ons bedoeld ontwikkelingsverschil te zien.

Zoals men in mijn Onderzoek § 15 kan zien, had ik uit mijn voor Oirschot schaars materiaal verondersteld dat deze plaats het verschil niet kende. Maar toen ik het artikel van J. de Josselin de Jong in het Ts. voor Ned. T. en Letterk. XXII (1903) 125 t.m. 131 over de verkleinwoordvormen in deze plaats nog eens nakeek, vond ik er naast hòas haas, lòai lade, lòan laan, zōl zaal weliswaar ook ròam raam en aop aap maar verder kraag kraag, staak staak, nagel nagel, wage(n) wagen znw., zodat ik zou willen concluderen dat het bewuste verschil zich 35 jaar geleden toch ook in Oirschot nog liet gevoelen.

Conclusie: het bedoelde verschijnsel komt voor in Zeeland, Reek, Woensel, Eindhoven, Oirschot (vóór 35 jaar), maar is bij de steekproeven welke ik buiten het door deze plaatsen ingesloten gebied in Noord-Brabant nam, niet voor den dag getreden. De in het begin van dit nummer naar voren gebrachte parallel met wgerm. û blijkt dus ook bij nader onderzoek te gelden.

3. wgerm. â + w.

In mijn Onderzoek § 37 werd de ontwikkeling van wgerm. â, gevolgd door w, besproken doch alleen aan de hand van de kaart blauw. In W.N. Br. schijnt dit voorbeeld wel illustratief te zijn voor de hele reeks. Immers

Wagenberg bijv. heeft aaw bij de volgende woorden met â + w: blaaw blauw, graaw grauw, laaw lauw, kaaw kauw, klaaw klauw, flaaw flauw, kraawə krauwen, raaw rauw, paaw pauw, snaawə snauwen, voorts in gaaw gauw (dat althans in de oudere vormen nog geen w vertoonde, maar zich bij bla-blauw aansloot) en tenslotte in volgende woorden met onbekende, onzekere of onomatopoëtische etymologie: naauw nauw, zaawkə klein mals regenbuitje, maawə miauwen, knaawə knauwen, saawələ flauw praten, waawələ wauwelen, aaw interjectie.

In Fijnaart vertonen deze woorden ook aaw: raaw rauw,

[p. 146]

maawə miauwen, kaaw kauw, naaw nauw, gaaw gauw, flaaw flauw, blaaw blauw, laaw lauw, klaaw klauw, kraawə krauwen.

Maar in O.N. Br. is de toestand veel gecompliceerder. Enkele voorbeelden:

Geldrop gaf naast bloeuw (oeu ongeveer van fra. coeur) blauw regelmatig floeuw flauw en goeuw gauw.

Voor Veldhoven heb ik alleen bloeuw blauw en floeuw flauw.

Middelbeers echter gaf naast bloeuw blauw: floeuw flauw doch gaaw gauw (wschl. t.g.v. de afwijkende etymologie).

Zeeland gaf bloaw blauw, kloaw klauw, poaw pauw, doch daarnaast snaawə snauwen, maawə miauwen, gaaw gauw, naaw nauw. De afwijking in snaawə en maawə is als onomatopee te verklaren, gaaw heeft een andere etymologie en i.p.v. ‘nauw’ komt meer eng voor.

Reek komt hiermee grotendeels overeen: bloaw blauw, wenkbroawə wenkbrauwen, floaw flauw, groaw grauw, hoaw hauw (onzekere etymologie) loaw lauw, poaw pauw, doch weerom als in Zeeland naaw nauw, snaawə snauwen, mieaawə miauwen, gaaw gauw en het klanknabootsende kerrəkaaw kauw, verder pous paus (dat ook blijkens Te Winkel vaak afwijkt) en blouwsəl blauwsel (met verkorting vóór ws).

Asten heeft naast bloaw blauw ook floaw flauw, goaw gauw, groaw grauw, poaw pauw, loaw lauw, verder de klankschilderende of klanknabootsende: snaawə snauwen, kaaw kauw, maawə miauwen en knaawə knauwen, en verder klaw klauw (volgens Franck-Van Wijk is er ook een andere etymologie mogelijk), raw rauw (zelfde opm. als bij klaw; bovendien is het een ongebruikelijk woord) en wenkbrouwə wenkbrauwen (leenwoord?).

Bij nader toezien blijkt er dus in de ontwikkeling door héél N. Br. regelmaat en zijn de uitzonderingen verklaarbaar.

ANT. WEIJNEN.