Onze Taaltuin. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 7. Van Aelst, Maastricht 1938-1939


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Het Friesch van hindeloopen

In zijn Friesche Dialectgeographie (1933) zeide J. Hof op blz. 34: ‘Het verschil tusschen het Hindeloopersch en het gewone Zuidhoeksch (Friesch) is zoo groot, dat het alleen in een afzonderlijke verhandeling in 't licht gesteld kan worden’.

Dit is nu geschied door T. van der Kooy Dz. in Deel 7 der Noord- en Zuid-Nederlandsche Dialectbibliotheek van M. Nijhoff 's Gravenhage 1937 onder den titel: De taal van Hindeloopen.

Uit de plaatselijke geschiedenis van Hindeloopen blijkt, dat Hindeloopen ouder is dan de Zuiderzee, waardoor het nu aan drie kanten omspoeld wordt, en waarschijnlijk zijn naam te danken heeft aan een oud jachtslot der Friesche koningen, die in Stavoren woonden, en van daaruit hier op de herten- en hindenjacht gingen. Het heette in de 8ste eeuw reeds in 't hoogduitsch van Fulda ‘Hintinluofe’ wat Hinden-loop-en moet beteekend hebben, en in 't later Friesch met een Datief-vorm ‘Hindelepum’ luidde. 't Werd spoedig een bloeiende Hanzestad. De verdere geschiedenis is een aaneenschakeling van stormen en overstroomingen, brandschade en oorlogsrampen, vooral in de 15de, 16de en 17de eeuw; maar het groeide tegen de verdrukking in. In 1615 woonden er 100 grootschippers, die op de Oostzee voeren. Thans slaapt het en rust op zijn lauweren. Maar ook in deze rust heeft het voor den historicus en den taalkundige nog een geheime aantrekking, het bergt de mysteries van een woelig verleden, en het behoudt in de mooie gevels, oude huizen en een heel aparte huisnijverheid en eigen kleeding nog een glimp van zijn oude grootheid en eigenheid, en wijst ons daarmee vanzelf terug naar zijn afkomst uit den voortijd.

Dan volgt in aansluiting bij L.P.H. Eykman's ‘Phonetische beschrijving van de klanken der Hindelooper taal’ (Amsterdam 1913) een ‘Overzicht der klankleer en traditioneele spelling’, dat behalve goede voorbeelden der afzonderlijke klanken weinig nieuws bevat.

[p. 350]

Gelijk wij hierboven reeds opmerkten, wijkt het Hindeloopensch in zijn klanken, woorden en vormen heel opvallend van het Zuidhoeksch af. Maar daarin staat Hindeloopen wel vooraan, doch niet alleen (J. Hof l.c. blz. 25-26). Bijna al de oude dorpen en stadjes van den Zuidhoek onderscheiden zich in hun tongval heel kenmerkend van hun omgeving. Ik denk daarbij vanzelf aan het Baskisch en den Kaukasus, waar wij hetzelfde vinden, omdat ze tot vluchtheuvels der vele vóór-Indogermaansche talen van Zuidwest- en Zuidoost-Europa zijn geworden. Si parva licet componere magnis, geldt van den Frieschen Zuidhoek iets dergelijks. Bij den catastrophalen watervloed, die van het meer Flevo de huidige Zuiderzee maakte, zijn hier hoogst waarschijnlijk een heele reeks afzonderlijke Friesche tongvallen, die zich vroeger op veel grooteren afstand van elkander ontwikkeld hadden, door den nood, op den tegenwoordigen Zuidhoek van Friesland bijeengedreven. En wij vinden daar thans nog overvloedige sporen van.

Ook in de ‘spraakkunstige Verschijnselen’ van blz. 34-40 en in de ‘Idiomatische woordenlijst’ (blz. 41-177), die eigenlijk het grootste deel van het boek vult, zijn hiervan bijna overal bewijzen te vinden. Ik speur hier allerlei overeenkomsten met Noord-Holland, het Gooi en de Veluwe. De schrijver echter beperkt zich streng tot het Hindeloopensch materiaal zelf, en noemt geen parallellen.

Daarna volgen nog twee interessante lijsten van de te Hindeloopen meest gangbare mannelijke en vrouwelijke voornamen; en van blz. 181 tot 247 krijgen wij dan ten slotte nog een heel interessante ‘Bloemlezing uit de Hindelooper Literatuur’ der laatste eeuwen, met een nauwkeurige Nederlandsche vertaling ernaast. Een alphabetische lijst van de Nederlandsche parallelvormen der behandelde Hindelooper woorden, besluit het verdienstelijke en nuttige boek.

Want als eenmaal de samenvattende en reconstrueerende geschiedenis van het Westfriesch zal geschreven worden, dan zal dit boek den bewerker een kostbare vindplaats van belangrijke gegevens zijn, die bij verdere toepassing over het Zuidhoeksch een totnutoe onbekende tongvallenreeks van het Oudfriesch uit hun golvengraf zullen doen verrijzen.

 

Nijmegen, 15 Februari 1939.

JAC. VAN GINNEKEN.