|
|
|
| |
| | | |
Willem Pée's groot boek
Over de verkleinwoorden in de Nederlandsche dialecten.
Zonder eenigen twijfel is de ‘Dialectgeographie der Nederlandsche Diminutiva, 2 deelen, Gent 1936-'38 van Dr. Willen Pée’ een buitengewone praestatie.
De 24 groote kaarten, waarin schrijver de verschillende dialectvormen onzer verkleinwoorden heeft neergelegd, zijn ware modellen, en dat niet slechts om de consequent volgehouden complementaire groene en roode kleuren, maar vooral om de keuze van zijn voorbeelden en den rijkdom van hun vormen; zoodat wij gerust mogen zeggen, dat wij thans, voor geen enkel ander onderdeel der Nederlandsche taal zooveel vertrouwbaar, goedgeschift en prachtig uitgegeven taalgeographisch materiaal tot onze beschikking hebben.
Toch hing dat alles, vóór de verschijning van het 2de Deel nog een beetje in de lucht; maar nu met bekwamen spoed, nog geen volle twee jaar na het eerste deel, het machtige tweede deel, met het complete materiaal, zooveel mogelijk nauwkeurig in phonetisch schrift, ons ter vergelijking met de kaarten is overgelegd, nu ligt dit eerste groote werk van den sympathieken, onlangs te Luik tot hoogleeraar in het Nederlandsch benoemden Dr. Willem Pée, daar op den lessenaar van alle Neerlandici als een werk van groot belang.
Het eenige wat aan den vorm van dit boek ontbreekt, zijn de veel te klein en te onduidelijk gedrukte Hoofdletters, die aan de groote vierhoeken op de kaart haar vasten naam geven. Voor wie op deze kaart niet thuis is als in zijn eigen huis, is het telkens weer moeten zoeken naar die hoofdletters een waar torment, wat dan nog gevolgd wordt door het moeten ontcijferen der onleesbaar kleine cijfertjes der verschillende plaatsen.
Aan de tallooze détails der opgaven van het tweede Deel zal de Heer J. Renders binnenkort nog een uitvoerige bespreking in Onze Taaltuin wijden. Ik zelf wil mij tot een enkel principieel meeningsverschil met den schrijver beperken. Gelijk men weet, is dit boek niet in één adem afgeschreven, maar heeft de schrijver, na zijn Antwoord op een prijsvraag der Koninklijke Vlaamsche Academie bekroond te zien; met behulp van de Dialecten-Commissie der Koninklijke Nederlandsche Akademie te Amsterdam in Noord-Nederland nog een nieuwe Enquête ingesteld, en toen pas zijn kaarten
| | | | omgewerkt en in den vorm gebracht, waarin wij ze nu in het eerste deel hebben; om pas daarna al zijn materiaal voor het tweede deel af te werken. Uit welken tijd nu de tekst is, die aan de kaarten in het 1ste deel voorafgaat, durf ik niet zeggen; maar ik constateer dat voor het zoo belangrijke gebied van Leuven en omgeving tusschen de twee of drie keer, dat dit terrein ter sprake komt, een zóó belangrijke onderlinge afwijking bestaat, dat deze misschien zelfs tot een vierkante tegenspraak zou kunnen worden toegespitst.
Ik neem eerst den uitleg der synthetische kaart no. 3, waarin eigenlijk de conclusie van het heele werk is samengevat, op blz. 61 vlgd. van het 1ste deel. Hier compareert de groengekleurde streek van Leuven en zijn omgeving als een kerngebied, waar alle verkleinwoorden nog -kən hebben.
Daarmee komt nu volkomen overeen de opgave voor Leuven P 88 in Deel 2 blz. 347, waar geen enkel onderscheid tusschen -kən en -k′ən gemaakt wordt. Maar daarmee komt niet overeen wat de schrijver op blz. 59-60 van Deel 1 mededeelt in aansluiting bij Goemans en Grootaers die vermelden, dat men in Leuven, naast eenige gevallen waarin het diminutief-suffix: -kən is, er een groote groep andere woorden zijn1), die het diminutief-suffix -k′ən hebben met een gepalataliseerde of gemouilleerde k′, ‘waarvan men niet kan uitmaken of er een gemouilleerde k′ dan wel een gemouilleerde t′ wordt gesproken’.
En hij gaat in de eerste alinea dierzelfde blz. 60 nog verder met toe te geven, dat deze zelfde mouilleering of palataliseering ook geldt voor P 48 Halen, P 97 Kappellen, P 111 Neerlinter, P 147 Oplinter, en P 112 Zoutleeuw, die alle in het oostelijk deel van de bovenbedoelde groene streek rond Leuven liggen. Maar hiervan staat niets op de kaarten.
Hoe rijmt dat nu alles op elkaar?
Volgens Pée's eigen getuigenis op blz. 60 hebben dus kindje, mandje, pintje, pareltjes, kraaltjes, trommeltje, vogeltje en liedje in Leuven en nog op menige plaats in het groene gebied rond Leuven wel degelijk een gemouilleerde of gepalataliseerde uitspraak.
Hoe kan dan van dit groene gebied van kaart 3 op blz. 61, dus op de blz. vlak daarna, gezegd en verdedigd worden dat in dit ge- | | | | bied alle verkleinwoorden nog -kən hebben? terwijl de schrijver ten slotte op blz. 42 en weer op blz. 59-60 toch zelf deze Leuvensche overgangen aanhaalt om de mogelijkheid der Hollandsche palataliseeringen te ondersteunen en toe te lichten!
Daar komt nu nog bij, dat ik persoonlijk met 20 leerlingen nu 5 jaar geleden, niet vanwege de diminutiva, maar vanwege de in Ras en Taal behandelde mouilleeringen en palatalisaties een nader onderzoek ingesteld heb naar de werkelijke uitspraak van de gemouilleerde -k′ in deze stad. Wij hebben daartoe onder elkander de verschillende wijken der stad verdeeld, en na ongeveer een 100 proefpersonen te hebben uitgehoord, zijn wij tot de bevinding gekomen, dat men in de deftige oude Leuvensche families, waartoe b.v. J. Goemans behoort, inderdaad een gemouilleerden klank zegt, dien men zoowel met -k′ als met t′ kan omschrijven, alhoewel ook daar de klank dichter bij de t dan bij de k ligt; maar dat de platsprekende gemeente van alle Leuvensche achterbuurten een duidelijk suizende -tsj uitspreken; die bij hen zonder eenigen twijfel een ander phoneem is, als de gewone velare Leuvensche k.
Wie nu mijn Ras en Taal, Verh. Kon. Akad. Amsterdam 1935 gelezen heeft vooral van blz. 14-27, en daar deze Leuvensche feiten met de overige Zuid-Nederlandsche palataliseeringen ten zuiden van Brussel en in het Pajottenland heeft kunnen vergelijken, zal ingezien hebben, dat er zeer vele redenen zijn, om voor Zuid-Brabant die mouilleerings-tendenz niet voor een recent verschijnsel te houden, maar die terug te dateeren tot het Middel- of zelfs Oud-Nederlandsch; in ieder geval tot lang voordat de Hollandsche palataliseeringen van het deminutief -kijn daar verschijnen.
Ik vraag mij dus af, of juist dat groene gebied rond Leuven, een beetje verder uitgebreid tot Aalst en Tongeren, ten slotte niet het oudste palataliseeringsgebied van het Nederlandsche diminutief-suffix geweest is; dat juist omgekeerd als Kloeke en Pée verdedigen, zich van het Zuiden over het heele Noorden verbreid heeft; juist als het b.v. ook met de drie Brabantsche diphtongeeringen: uu:ou, üü:ui en ii:ij is gegaan; en dit ook vooral, omdat de overige mouilleeringen ook allemaal veel meer in Zuid-Brabant dan in Holland inheemsch zijn.
Het roode gebied van Pée is dan juist het gebied dat het laatste dit gepalataliseerde diminutief-suffix van buiten heeft opgenomen, en het daarom in zoo'n uniforme gestalte en beteekenis bewaart; terwijl het groene gebied nog naar aard en omgeving verschillende
| | | | vormen met verschillende beteekenissen rijk is, die op het gestreepte rood-groene gebied ook nog minder dan in het roode gebied van de oude rijke verscheidenheid hebben verloren. Ook de Duitsche pas verschenen kaart van Schäfchen toont de meer uitgebreide palataliseering alleen aan de uiterste Zuid-punt van de Nederlandsch-Duitsche taalgrens (Deutscher Sprachatlas 10e Lieferung Marburg 1938).
Ik vat dit alles voorloopig slechts in den bescheiden vorm van een vraag. Alleen een nauwkeurig en kritisch onderzoek der Middel- en Oudnederlandsche bronnen over heel ons taalgebied kan hier de definitieve oplossing brengen, doch in geen geval: de moderne taalgeographie alleen!
Nijmegen, 20 Maart 1939.
JAC. VAN GINNEKEN.
|
1)1 o de woorden die uitgaan op een langen klinker of een diphtong (helaas ontbreken hiervan alle voorbeelden in Pée's kaarten-materiaal);
2 o de woorden op -nd en -nt (dus in kindje, mandje, pintje van Pée's materiaal);
3 o de woorden op -l, -n, -d, of -t (dus pareltjes, kraaltjes, trommeltje, vogeltje en liedje van Pée's materiaal).
|
|