|
| |
Vanden eersten esel
[1] Een gehouwet man mach wel met goeden redenen [2] metten Esels gerekent worden / die zijn quade sinnelijcheyt [3] volcht / ende verdoet zijn goet onnuttelijck [4] ghelijck eenen sot in vleeschelijcker lust / soekende [5] tauernen 1) daer ghildekens ende lichte vrouwen woonen [6] / om daer zijn ghenuechte ende tijtdcortinghe mede [7] te hebben / ende blijft dickwils snachts daer slapen / [8] ende neemt zijn rust by die vuyle gemeyne wateren die [9] daghelijcx worden gebesicht / ende heeft selue thuys [10] een schoon reyn fonteynwaterken om hem te veruersschen [11] / ende heeft een schoonder / eerlijcker ende beter [12] wijf / dan der ander vijfentwintich 2). Ende by die [13] poppen en 3) ghilden ist al genuecht ende vruecht dat 13 [14] hy spreect ende hanteert / maer by zijn goet duechdelijck [15] wijf en can hy niet een goet woort spreken (die nochtans [16] tienmael schoonder en beter is dan al den anderen hoop) [17] maer altijt kijuen ende knorren als een quaet hont / als [18] een onwetent onbeleeft man. Dunckt v niet dat sulck [19] een weerdich is te draghen Esels ooren / die sulcken [20] onreynen solaes ghebruyckt / verdoende soo onnuttelijcken 20 [21] zijn goet in bordeelen met alderley ghemeyn ghilden [22] ende hoeren / ende vercrenct zijn lichaem / ende [23] verderft zijn natuere / vercort zijn leuen / ende vermoort [24] zijn siele / ende brengtse wt de handen Gods / ende [25] leuertse den duyuel over. Ende ist dat hy in aldusdanighen [26] leuen volherdt / soo en can hy hem seluen niet [27] beteren / ende coemt dan ten lesten in grooter armoede [28] en sorgen: ende mach hy dan noch int gasthuys steruen [29] / soo heeft hy noch veel ghelucx. Nu laet ons allen elck [30] een hooft beteren / alle dinck sal wel zijn: ende laet [31] ons blijuen by onse gesellinne die wy gesworen hebben [32] om geenderley saecken af te gaen. Tis doch een oudt [33] segghen / thuys eten / thuys minnen / is die minste |
* patrimony: vaderlijk erfdeel.
13 poppen: lichtekooien.
ghilden: lichte vrouwen. 20 solaes: vreugde, genot, vermaak.
|
|
[34] cost / ende brengt in den meesten vrede. Denct oock [35] dat goet dat ghy soo onnuttelijck verdoet / dat steeldy [36] den armen / al hebdijt wel gewonnen / ghy en moghes [37] daerom niet onprofitelijck verdoen / Ghelijck dye rijcke [38] vrecke dye zijn goet verdede / niet mede deylende den [39] armen Lazarum / daerom werdt hy begrauen inder hellen. 39 [40] De schriftuere vermaent niet dat hi eenich onrecht [41] goet hadde. Daerom so houdt op van sulcken verquistinge [42] uwes goets / maer spaert wat ende deylet den armen [43] / want dat geefdy Godt / ende God sal v wedergeuen [44] zijn gracie ende gheluck aen v goet / wijf ende kinderen [45] met een salich eynde.
|
* 1) JvG: doch.
2) JvG: toch. 3) JvG: eerste (drukfout). 4) JvG: peuren: vóór de p een s in den inkt bijgeschreven. 39 den armen Lazarum: denkbeeldige persoon in de parabel van den onbarmhartigen rijke; zie: Lucas, cap. 16, vers 19-.
12 oorboren: gebruiken, gebruik maken van, zich ten nutte maken.
20 peuren: zuiveren, niet in die beteekenis in M.W.
21 beseuren: kwellen, doen lijden.
22 charitate: christelijke liefde, de liefde tot den naaste.
|
|
* 1) JvG: en.
25 v... saten... tot: zich zetten tot, zich toeleggen op, streven naar.
38 fallacie: bedrog, bedriegerij.
51 beclijuen: bijblijven, zijn deel zijn.
53 catijuen: zondaars, slechtaards.
|