|
|
* 1) JvG: veel (ontbreekt).
2) JvG: veel. 3) JvG: coempt. 4) JvG: hen lieden. 5) JvG: siele. 6) coempt. 7) JvG: comanschap. |
Vanden vierden esel
[1] Vanden Esels met lange ooren aent hooft mach hi [2] wel gherekent zijn / ende hy en is niet soo goet als dye [3] simpele onredelijcke Esel / hy dye zijn lustighe ionckheyt [4] ende bloeyende iuecht ouerbrengt met swaren ende [5] vreemden sonden / sonder eenich bedwanck / bewarende [6] die huysen vanden bordeelen met dye openbare ghilden [7] ende hoeren / ende is daer af dopperste meester ende [8] Roffiaen. Dat welcke ey lacen nv veel 1) geuseert wort 8 [9] in vele 2) herbergen van sommige steden / in veel wijnhuysen [10] / ende ooc bierhuysen / daermen dicwils laet [11] ongelijcke persoonen secretelijcken sitten drinken / kallen 11 [12] ende clappen / daer dan ooc dicwils gebuert ouerspel [13] / ende oock ander oncuyssche wercken / want daer en [14] coemt 3) niemant by hunlieden 4) voer datmen clopt oft [15] roept / om soo te beter aen goet te gheraken / ende [16] goede ghemackelijcke daghen te hebben. Aldus wil dese [17] roffiaen eenen tijt lanck bordeel houden / ende setten [18] die sielen 5) een iaer oft vier inden torfhoeck. Ende dye 18 [19] hooftvrouwe vanden bordeele tracteert hem so vriendelijcken 19 [20] / soo liberalijc / ende si verbint hem soo dat hy [21] haer ten lesten trout tot eenen wijue Ende dan verlaet [22] hi dat bordeel / ende wil dan wat eerlijcker leuen / ende [23] gaet woonen in een ander huys niet verre van daer / by [24] zijn eerste huys / om te behouden zijn oude calanten / [25] ende gheselschap / ende vercoopt daer eten ende drincken. [26] Ende dan coemt 6) daer elck drincken / ende goet [27] chier maken / mannen ende vrouwen / die daer dicwils [28] comenschap 7) maken / ende dinghen daer dicwils vanden 28 [29] lijue / nochtans en wort daer niemant totter doot [30] verwesen. Siet doch wat berouwe heeft dese Esel van [31] zijn eerste quaet leuen ende regiment / om eenen goeden 31 [32] name te vercrijghen / ende om zijn leuen te beteren: |
8 Roffiaen: koppelaar, hij die verboden omgang tusschen jongelieden bevordert, hoerenwaard.
11 ongelijcke persoonen: personen van een ander geslacht.
18 die siele in den torfhoeck setten: deze uitdrukking hebben we nergens elders aangetroffen, de beteekenis is duidelijk.
19 tracteren: behandelen.
28 comenschap: koopmanschap.
dinghen vanden lijue: één van de talrijke omschrijvingen van het ‘spel van minne’. 31 regiment: levenswijze, gedrag, handelwijze.
|
|
[33] want watter coempt / tsy hoere oft dief / ende bringhen 1) [34] wat te coope / tsy hoe dattet ghecregen is / het is al [35] willecomme / ende hy coopet al / dat thien penninghen [36] weert is daer gheeft hy eenen voer / niet vraghende van [37] waer dattet coempt. Siet doch waer af hy leeft, wat [38] neringe hy doet, dese aelmachtige bedroefde Esel / 38 [39] dwelcke leuen (sterft hy also) hem brenghen sal int [40] gheselschap der duuelen 2) / daermen den eers met [41] branden veecht / rechts midden inden ketel / so en verbrant [42] brant hy hem aen die canten niet. Maer tis best dat ghy [43] af doet die leelijcke Esels ooren / ende keeret om v [44] sondighe siele noch inder tijt van gracien / ende denckt [45] op den stoc van mijn Refereyn / Want Christus heeft [46] ons so diere ghecocht.
|
* 1) JvG: brenghen.
2) JvG: duyuelen. 3) JvD: houeerde. 4) JvD: mitten. 5) JvD: vollen. 6) JvD: brocht. 7) JvD: ende. 8) JvD: most. 9) JvD: aertschen. 38 aelmachtige: nevenvorm van amachtigh, amechtich: afgemat, machteloos.
* Ook in den Refreinenbundel van Jan van Doesborch, nr 103.
3 auijselijck: met beraad, met overleg, welberaden; niet in M.W.
5 eelde: verhief.
9 onspoet; tegenspoed.
10 quetse: verwonding.
16 versijcke: zuchten.
|
|
* 1) JvD: Duerder dan die werde.
2) JvD: werde. 3) JvD: In hoer seluen, mer door christo vaet bediet. 4) JvD: ende. 5) JvG: dat. 6) JvD: aertsche. 7) JvD: mit. 8) JvD: weer. 9) JvD: ende. 10) JvD: Aertsche. 11) JvD: hemels. 12) JvD: te niet brocht. 13) JvD: tontslepen. 14) JvD: dier. 15) JvD: aertsche, 16) JvD: daertsche. 17) JvD: Tis huden. 18) JvD: en die siele. 19) JvD: soudmen. 20) JvD: mer. 21) JvD: de. 22) mer iegenwoordich gaert. 23) JvD: oftmen. 24) JvD: tcomt. 25) JvD: mer huden. 23 bediet: verklaring, uitlegging, les, voorschrift.
31 drepen: van waarde zijn.
36 dlijf: het leven.
45 Cras: Latijn: morgen (woordspeling).
50 ghebras: rommel, boel, ontuig.
|
|
* 1) JvD: dier.
2) JvD: Christus, dopperste lieftdrager... An. 3) JvD: aertsche. 4) JvD: de. 5) JvD: tlicht. 6) JvD: twort. 7) JvD: die. 8) JvG en JvD: tontsiene. 9) JvD: dinckende. 10) JvD: hene. 11) JvD: bringt. 12) JvG: piin. 13) JvG: ten. 14) JvD: mer. 15) WvL: hadtiert (drukfout). JvG: hantiert. 16) JvD: mit. 55 liefdrager: niet in M.W.
56 onghesplet: geheel (stoplap).
62 declineren: ondergaan; niet in M.W.
81 door viert: gloeiend, stralend.
|
| |