|
|
* 1) JvG: vergaderen.
2) WvL: Esels (drukfout). JvG: Ezel. 3) JvG: neempt. 4) JvG: aerde. 5) JvG: haestelijcken. 6) WvL: det (drukfout). JvG: den. |
Vanden achsten esel *
[1] Een man die huys houdt hi sy gehouwet oft niet / [2] ende die Godt niet en bekent / ende werckt dach ende [3] nacht om goet ende gelt te vergaren 1) / ende daer vore [4] draecht hy seer groote sorghe altijt / ende verderft zijn [5] lichaem ende zijn natuere / Want soo die Philosophus [6] seyt: Groote sorghe ende aerbeyt maken eenen persoon [7] dat hy ouder schijnt dan hi is. Hy is so neerstich om [8] gelt te vergaderen ende groot goet te vercrijgen / dat [9] hy niet eenen penninck en derf wtgeuen / hy en derf daer [10] niet af eten noch drincken / hi en derf niet eens met [11] zijnen gebueren goet chier maken: Maer als hy niet en [12] arbeyt / so sidt hy altijt in huys vol fantasijen en sorghen [13] / ende hy leeft aermelijcken / ende eet kees ende [14] broot / ende drinct scherpbierken / ende hy is gheheel 14 [15] sonder welvaren ende gemack. Siet doch wat Esel 2) is [16] dit / met grooten langen ooren aen zijn hooft? hy en [17] derf van synen grooten goede zijn nootdrufticheyt niet [18] nemen / noch hi en derf oock niet een goet cleet daer [19] af dragen. Maer hi slacht der padden / hy sorghet dat [20] hem eerde ontbreken sal / want die padde neemt 3) een [21] cluytken eerden in haren poot wanneer sy slapen gaet / [22] sorghende dat die eerde 4) smorghens soude vergaen [23] zijn / soo doet oock die ghierige mensche / want dese [24] meynt dat hy nymmermeer genoech en sal hebben. Ende [25] zijn wijf en mach oock niet meer hebben dan hy. Dan [26] coempt hastelijcken 5) die doot / ende werpt hem sonder [27] eenighe voorsichticheyt wt allen synen grooten ontallijcken [28] goeden. Dan comen zijn erfghenamen ende [29] deylen dat goet / die daer dan vrolijck op leuen / ende [30] brassen vrijlijck ende scheppen op met den 6) grooten [31] lepel. Ende dat wijf neemt oock eenen anderen man / die |
* crooneren: kronen.
14 scherpbierken: schraal of dun bier.
|
|
[32] daer dan ooc goet chier op gaet maeken / niet eens [33] denckende op hem die dat goet ghewonnen heeft / ende [34] soo seere ghespaert. O aerme 1) Esel / ghy muecht wel [35] Esels ooren draghen / om dat ghy soo neerstelijcken [36] dient Mammon den god der ghiericheyt / die v ter hellen [37] ende totter eeuwigher verdoemenissen leyden sal. Daerom [38] weest voorsichtich / ouerdenckende de 2) ydelheyt [39] ende [die] cortheyt des menschen leuens / ende doet af [40] die Eselsooren / ende deylt Gode mede van uwen [41] goeden. Want ist so dat v God veel goets verleent heeft [42] / weet dat ghy soo veel te meerder rekenschap doen sult. [43] Want het goet en is uwe niet dat ghy besidt / maer 3) [44] ghy zijt daer een rentmeester ouer ghestelt van Gode. [45] Daerom bewaert v rekenschap wel / ende leeft daer af [46] matelijc ende eerlijc/ ende bidt den Heere om wijsheyt / [47] als Salomon dede. Want doen hy wijsheyt hadde / doen [48] creech hy rijchdom 4) / groot dominien / ende al dat hem [49] van noode was. Och oft die Heeren ende regeerders der [50] landen om wijsheyt baden / ende lieten die ghiericheyt [51] varen vanden gelde / hoe wel souden die landen dan geregeert [52] worden in pays ende vrede? daer si blijuen in [53] allen drucke ende tribulacie / van orloge / van moort / [54] van brantstichten / ende roof. Hierom laet ons den almoghenden [55] Heere ootmoedelijcken bidden om zijn gracie [56] / ende pays en vrede in onsen daghen. Ende wilt wel [57] aenmercken den stock van mijnen Refereyne / Als [58] coempt die vre / so betalet Godt al.
| |
|
* 1) JvG: hooueerdich.
2) JvG: beuonden. 3) WvL: bebben (drukfout). JvG: hebben. 4) JvG: Hen. 5) JvG: hen. 20 ghemant: in schoven gezet.
21 ghewant: gewand, gezift.
41 minjoot: lief, beminnelijk, bevallig.
|
|
* 1) JvG: coemt.
2) WvL: Gkebruyct (drukfout). JvG: Ghebruyct. 3) JvG: int. 4) JvG: coem. 5) JvG: Malcanderen. |