|
|
* 1) JvG: ghenuechte.
2) JvG: wedukens. 3) WvL: propelijcken (drukfout). JvG: properlijcken. 4) JvG: oft. |
Den negensten esel
[1] Een ionck man die eenen getrouwen ende hertelijcken [2] bystandighen vrient heeft / ende en houdt den seluen 2 [3] niet in weerden / noch en setter niet bij: hy is seer wel [4] weerdich / den sack totter molen te draghen / ende [5] Esels ooren aen zijn hooft te draghen / ghelijck die Esel [6] doet. Ja ick meyne certeyn sulcken man / die zijn belieuen [7] / sinen wille / zijn genuchte 1) / sinen lust hebben [8] mach van sommige schoon hertekens / maechdekens [9] /wedekens 2) / oft ander gehoude vrouwen / ende onderhouden [10] hem secretelijck met ghelde / om daghelijcx voor [11] hem goet chier te maken / ende onderhouden hem properlijcken 3) [12] /eerlijck / ende rijckelijck gecleedt te gaen/ [13] also dat hy al omme herwaerts ende derwaerts mach [14] gaen ende staen onbeschaemt / by rijcke / by schamel/ [15] by groot hans ende cleyn hans / ende si gheuen hem [16] alle dat hy behoeft: maer door zijn simpele dwasheyt en [17] can hy seluen niet swijghen noch helen / noch zijn [18] tanden voor zijn tonge niet houden / maer wanneer hy 18 [19] sinen buyck gheuult heeft met eten ende drinken / ende [20] is vol en droncken ghelijckerwijs als een beeste / dan [21] so gaet hijt sitten openbaeren sinen neue / sinen vriendt [22] / ofte 4) gheselle. Ende als hy droncken is ende sonder [23] eenighe discrecie oft verstant / dan soo gaet hy segghen [24] alle zijn auontueren / van allen de dinghen ende saecken [25] dye hy weet / ende by wat auontueren dat hy eerstwerf [26] ghewan die minne ende liefde van zijn amoreusken / [27] ende hoe dat sy hem ghelt gheeft om hem daer mede [28] goede chiere te maken / ende om hem rijckelijcken te [29] cleedene / ende andere properheden secretelijck. Ende 29 [30] voort hoe datse hem dickwils heymelijck ende bedectelijcken [31] ontbiedet om met hem te sprekene. Ende ten [32] laetsten seyt hy openbaerlijcken haren name / ende wie |
2 bystandich: behulpzaam.
18 zijn tanden voor zijn tonge houden: zwijgen.
29 properheden: bijzonderheden, eigenaardigheden, kenmerken.
|
|
[33] sy is / ende waer dat sy woont / ende waer haer huysinghe [34] staen / dat hem naemaels coemt tot sijnre groote [35] [schade ende] schanden / wanttet is een oudt segghen / [36] Huesch van monde ende helen / doet die liefde wassen [37] ende veruelen: beroemen doet de minne vercouwen. 37 [38] Ende daer nae soo coempt dit int openbaer door zijn [39] eyghen clappernije / meynende hem te doen 1) swyghen/ [40] dien hijt op goet gheloof gheseyt heeft: ende hy en kan [41] seluer niet swyghen / noch zijn eyghen tonghe niet bedwinghen: [42] ende dan wordt hy veracht ende versmaedt [43] van zijn soete lief / ende vriendinne / die hem te voren [44] lief ende in grooter weerden 2) hadde. Dese mach wel met [45] rechte Eselsooren draeghen aen zijn hooft / dye door zijn [46] eyghene tonghe ende clapernije hem so verwerpt van zijn [47] auontueren ende vriendelijcheyt. Daeromme ghy ionghers [48] / ende vryers neemt 3) exempel aen desen Esel / ende [49] houdt v dinghen heymelijcken ende stille / als v wat [50] goets gebueren mach van vrouwen oft maechden / soo [51] mach v liefde langhe ghedueren. [Want] wat twee [52] lieden weten / dat blijft wel verholen: maer alst die [53] derde weet / dan commet gemeynlijcken wt / ende soo [54] den stock van mijn navolgende Refereyn leert soo doet [55] /als: [56] Heelt selue tsecreet / bidt niet om helen.
|
37 veruelen: vermenigvuldigen.
6 blamelijck: smadelijk.
|
|
* 1) JvG: hen.
2) JvG: ziis. 3) JvG: gadere. 4) JvG: ghebracht. 5) JvG: troostinghen. 6) JvG: gesneden. 7) JvG: amoureus. 8) WvL: bectreden (drukfout). JvG: bestreden. 15 quelen: door de min gekweld worden.
25 verknapen: verraden; niet in die beteekenis in het M.W.
32 veysen: veinzen.
35 ghetempertheyt: zachtheid, gematigdheid, bezadigdheid, kalmte.
|
|
* 1) WvL: ooskens (drukfout). JvG: oochskens.
2) JvG: Hen. 3) WvL: veblijdt (drukfout). JvG: verblijdt. 55 vonden: listen, bedenksels.
59 al lacchende schuddy uwen piet: ge wilt er niet van weten.
60 vertijen: afzien van, laten varen.
69 vermonden: vertellen.
77 meskief: ongeval, ongeluk.
|
|