|
|
|
| |
| | | |
recensie
De receptie van de dissertatie van Rik van Daele in de vakpers
‘En ondanks de overbevolking binnen het vakgebied is er niet zo veel diepgaande discussie te vinden. Meestal gaat het om een dialoog tussen twee onderzoekers, vaker nog om een stellingname zonder weerwoord: Rik van Daele met André Bouwman over het compositieproces van de Reinaert ...’, zo verzucht Jozef D. Janssens in zijn openingsartikel Subtiel vertellen in de bundel Op avontuur. Middeleeuwse epiek in de Lage Landen (Amsterdam 1998).
In mijn bespreking van het proefschrift van Van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent, 1995, in Tiecelijn 8, 1995, nr. 4, p. 171-179, schreef ik dat het in mijn bedoeling lag later een overzicht te geven van hoe in de vakbladen gereageerd is op de studie van Van Daele. Ik had toen de hierboven vermelde verzuchting van Janssens nog niet gelezen. Het duurde jaren voordat alle verwachte besprekingen gepubliceerd werden, zodat nu pas de belofte ingelost kan worden.
Ik geef eerst een lijstje van de reacties met hun vindplaatsen in chronologische volgorde.
| Rik van Daele, publicatie Reynaertdoctoraat, Tiecelijn, 8 (1995), 1, p. 42-44. |
| Eric de Bruyn, De triomf van Reynaert. Willems' meesterwerk structureel benaderd, in: Standaard der Letteren, 15 juni 1995. |
| Eric de Bruyn, Leesidee (Antwerpen), 1995, nr. 5, p. 417. |
| J. Luyten, in: Tiecelijn, 8 (1995), 4, p. 171-179. |
| A. van Buuren, in: De Nieuwe Taalgids, 88 (1995), p. 460-463. |
| Yvan de Maesschalck, in: Millennium, 10 (1996), 1, p. 88-91. |
| Rita Schlusemann, in: Neerlandica Extra Muros, 34 (1996), deel 2, nr. 3, p. 65-67. |
| André Bouwman, in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 112 (1996), nr. 3, p. 276-280. |
| Jo Reynaert, Botsaerts verbijstering, over de interpretatie van Van den vos Reynaerde, in: Spiegel der Letteren, 38 (1996), 1, p. 44-61. |
| Geert Claassens, in: Reinardus, 9 (1996), p. 208-211. |
| Frank Lulofs, Bij Reynaert thuis, in: Naamkunde, 29 (1997), nr. 1-2, p. 105-109. |
Overzien we deze lijst, dan zien we dat de primeur op rekening van Tiecelijn geschreven moet worden. De besprekingen van J. Reynaert, G. Claessens en F. Lulofs werden trouwens ook vermeld in dit tijdschrift (1996, p. 84; 1997, p. 17; en 1997, p. 129), maar ik hoef de lezers van Tiecelijn er niet op te wijzen waar ze de actuele informatie over het Reynaertonderzoek kunnen vinden. Jammer is dat juist in het op de Middeleeuwen gerichte tijdschrift Queeste een bespreking door een ongelukkige samenloop van onder meer technische omstandigheden niet geplaatst kon worden.
Ik neem nu achtereenvolgens de besprekingen door waarbij ik die van mij in dit tijdschrift oversla en die van J. Reynaert tot het laatste bewaar vanwege het wat andere karakter van dat artikel.
Het artikel van E. de Bruyn in Standaard der Letteren is een ruime aankondiging van het verschijnen van de dissertatie met een globale vermelding van de inhoud.
A.M.J. van Buuren in De Nieuwe Taalgids vindt de analyse van het verhaal als
| | | | zodanig het beste van het boek, met als hoogtepunt de behandeling van de Kriekeputtepassage. Zijn conclusie luidt dat de studie van de Reynaert weer een flinke stap verder is gebracht.
Yvan de Maesschalck in Millennium komt tot de slotsom dat Van Daele inderdaad een cotextuele en intertextuele lezing van de Reynaert heeft gerealiseerd waar nauwelijks iets op af valt te dingen en die gesierd wordt door een aanzienlijke mate van leesbaarheid. Het notenapparaat, de bijlage, de literatuurlijst en de registers vormen een heuse Reynaertencyclopedie, waarin de nieuwe sporen om de vos te lokaliseren zorgvuldig worden aangewezen.
R. Schlusemann in Neerlandica Extra Muros vindt de beschrijving van de studies van de toponymie het meest geslaagde deel van de dissertatie. Bij de verhaalanalyse wordt gewezen op een inconsequentie in de naamgeving van de ruimte: het hol van de leeuw en het hof. Tevens wordt de vraag opgeworpen wat in de gebruikte terminologie nu een held is en wie dat dan in het verhaal is.
A.Th. Bouwman in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde is niet overtuigd door Van Daele die een gecontamineerde grondtekst waarschijnlijker acht en daarmee stelling neemt tegen Bouwmans hypothese dat Willem gewerkt heeft met twee versies van Le Plaid, zoals hij dat neergelegd had in zijn eigen proefschrift waarin hij de Reynaert analyseerde tegen de achtergrond van de Oudfranse bronteksten. Moeite heeft Bouwman ook met het gehanteerde structuralistisch-semiotisch analysemodel van Greimas, omdat dit model de lezer het zicht ontneemt op de aanzienlijke verschillen tussen de Arturroman en de Reynaert, daar waar Van Daele dit model gebruikt om de Reynaert te vergelijken met de Arturroman. Dit punt van kritiek zullen we vaker in de besproken recensies aantreffen. In de Reynaert staat de hofwereld op verhaalniveau - anders dan in de Arturroman - niet in oppositie tot een andere wereld: het rijk van Nobel omvat ook de wereld van de vos. Omdat Reynaert een vazal van de koning is, wordt de oppositie tussen koning en vazal een intern conflict binnen de hofgemeenschap. Zo'n conflict hoort dan eerder thuis in een Karelroman. Hierdoor bevindt zich, volgens Bouwman, de tweedeling in de ruimte in de Reynaert, zich niet op feodaal-narratief maar op moreel-psychologisch niveau.
Tot het sterkste van de dissertatie rekent Bouwman de bladzijden waarin aannemelijk wordt gemaakt dat de voorstelling van de ruimte verband houdt met de perceptie van het dier dat er zich bevindt. De demonstratie van de literaire functie van de toponiemen Hulsterlo en vooral Kriekeputte zijn ook hier een hoogtepunt.
De uitdagende hypothese van Van Daele dat niemand tegen de vossentaal bestand is, zelfs de toehoorder niet en dat juist de sympathie voor de vos de val is die de auteur voor zijn publiek heeft klaargezet, nuanceert volgens Bouwman de discussie over de vraag of Reynaert schurk of schelm is. Ook op dit punt kom ik nog terug.
Geert H.M. Claassens vraagt zich in Reinardus af of het gehanteerde model van Greimas wel kan bijdragen tot een coherente interpretatie. Deze vraag is al eerder opgeworpen.
Voorts zijn er bedenkingen te plaatsen tegen het samenvloeien van de wereld van het dorp en Reynaerts wereld. Reynaert is immers in het dorp en aan het hof de uiteindelijke overwinnaar, waardoor de oppositie tussen dorp en hof ook in moreel opzicht geridiculiseerd wordt.
Van Daeles dissertatie, zo luidt de slotconclusie, is een onovertroffen gids in het Reynaertonderzoek.
| | | |
F. Lulofs is het in Naamkunde in vele opzichten niet eens met Van Daele, die hier genoemd wordt als redacteur van het tijdschrift Fyrapeel, waar natuurlijk Tiecelijn bedoeld is. En dat in Naamkunde. Lulofs heeft, zoals bekend, minder waardering voor het werk van G.H. Arendt, en als Van Daele stelt dat het moderne Reynaertonderzoek een aanvang neemt met Arendt, dan is dat onbillijk ten opzichte van het pionierswerk van Hellinga. Ook het gehanteerde model van Greimas vindt Lulofs geen middel tot analyse van het Reynaertverhaal.
De basisoppositie hof-hol, waar Van Daele van uit gaat, is volgens Lulofs een afgeleide. De feitelijke oppositie is de koning met de andere dieren tegenover Reynaert. Abstract beschouwd: macht tegenover list, eventueel wet tegenover misdaad, maar niet goed tegenover slecht. Van Daele maakt zo, volgens Lulofs, van de dierenallegorie een ruimteallegorie.
Wel concludeert Lulofs dat het eerste deel van de dissertatie een rijke bron voor het Reynaertonderzoek is en dat het tweede deel veel acceptabele interpretaties bevat. Ter wille van de dialoog volgen dan nog een aantal kritische opmerkingen.
Lulofs handhaaft zijn door Van Daele afgewezen veronderstelling dat Reynaert oorspronkelijk juridisch onschuldig zou zijn. Reynaert is volgens Lulofs de slimme verleider. Er bestaat een sterke identificatie tussen de auteur en zijn hoofdpersonage, maar niet alleen Reynaert misleidt zijn toehoorders, dat doet Willem ook. Als het Willems bedoeling is dat wij partij voor Reynaert kiezen, dan hoeven wij volgens Lulofs niet uit te gaan van een negatief vossenbeeld. Op dit laatste kom ik nog terug.
Het artikel van J. Reynaert in Spiegel der Letteren is weliswaar geschreven naar aanleiding van Van Daeles dissertatie, maar gaat over de uitgangspunten bij het interpreteren van Van den vos Reynaerde.
Jan de Putter vermeldt in zijn aankondiging van dit artikel in Tiecelijn (1996, p. 84) dat het een aantal kritische kanttekeningen maakt bij het huidige Reynaertonderzoek. Is Reynaert wel zo'n negatieve figuur? Kan het verhaal wel gelezen worden tegen de achtergrond van de hoofse roman? J. Reynaert wil het verhaal lezen als een kritische parodiëring van de rechtspraak. Ik ga wat uitvoeriger op het artikel van J. Reynaert in.
Ook J. Reynaert stelt voorop dat Van Daele grondig, consciëntieus en interessant werk geleverd heeft; zijn structurele analyse en de daarmee samenhangende interpretatie zijn op zich al belangwekkend genoeg, al schuilt veel van de waarde en de verdienste van de studie in de details.
De vragen die opgeroepen worden raken wel de kern van Van Daeles betoog - de hoofse roman als achtergrond voor de duiding en het negatieve vossenbeeld - maar het betreft hier twee aspecten waarover de huidige Reynaertspecialisten het in hoge mate eens zijn. De geplaatste opmerkingen zijn dus niet zozeer een kritiek op Van Daele, maar veeleer bedenkingen bij het hedendaagse Reynaertonderzoek in het algemeen.
Het dierenverhaal, zo stelt J. Reynaert, wordt voor de toehoorder of lezer aantrekkelijk door de typische charme van het vermenselijkte dier. Veel van het plezier dat men aan het dierenverhaal beleeft, heeft te maken met een informatiesprong omtrent de geaardheid en de zwakke kanten van een bepaald dier, terwijl in de ridderroman de narratieve spanning vaak te maken heeft met een informatieachterstand van het publiek. Daarnaast zou het zo zijn dat in het dierenverhaal voor het publiek, juist doordat het ‘slechts’ over dieren gaat, allerlei teruggedrongen driften bevrijdend tot ontplooiing kunnen komen. Hierbij moet men dan denken aan zaken
| | | | als leedvermaak, erotiek en bespotting van het kerkelijk personeel. Willem is een handig verteller die de knepen van de op taboedoorbreking en ambiguïteit drijvende retoriek van het genre kent en toepast.
Het hele verhaal lezen als een soort omkering van de hoofse roman is voor J. Reynaert een ongelukkige optie, die nu juist bij Van Daele prominent vooraan staat. Men kan het verhaal, zo wordt betoogd, niet lezen als een verhaal dat op positieve wijze hoofsheid stelt tegenover de listen van Reynaert.
Het negatieve vossenbeeld wil J. Reynaert tegen de huidige opvattingen in toch wel wat nuanceren. Hij wijst er daarbij op dat veel argumenten die men tegen Reynaert aanwendt van externe, ‘intertekstuele’, aard zijn, terwijl de betekenis in een tekst in de eerste plaats uit tekstinterne gegevens afgeleid moet worden. En dan komt men eerder in de richting van het genuanceerde positief-negatieve beeld dat Arendt en Lulofs door interpretatie uit de tekst zelf hebben gedistilleerd. Waar het de vos om te doen is, is niet uitschakeling, dood of leed, maar spel, bedrog en list. De opponenten van de vos worden uiteindelijk steeds door hun eigen tekortkomingen, gebrek aan doorzicht en zelfbeheersing bestraft, waarbij de slimheid van de vos als katalysator fungeert. De zoölogisch verklaarbare en niet te miskennen slechtheid van de vos is tevens als element van voorspelbaarheid voor de gang van het verhaal en voor zijn komische werking noodzakelijk.
J. Reynaert levert hier een pleidooi voor een meer typisch genregebonden interpretatie, gericht op de typische retoriek van het genre. Uiteindelijk gaat het in deze visie om het eeuwige thema van de strijd tussen natuur en cultuur, tussen individu en maatschappij. Recht en rechtspraak staan daarbij centraal. Het juridisch kader is het thema zelf van het hele verhaal. Zo wordt het verhaal primair gelezen als een kritische parodiëring van de rechtspraak.
Hoe men hier ook over denkt, ik vind dat we wat het negatieve vossenbeeld betreft, niet mogen vergeten dat het toch de kwaliteiten van de schrijver Willem onderstreept als hij tegen het algemene negatieve beeld van de vos in, een verhaal weet te schrijven waarin de sluwheid van de vos een sympathieker beeld oproept, niet in de laatste plaats doordat de doortrapte vos - desnoods als booswicht - toch de verdorvenheid van de door hem omringende wereld aan de kaak stelt. Het is de taal van de schrijver die de lezer meesleept. De waarheid als leugen, zou ik bijna zeggen. Maar dat is een andere dissertatie.
Overzien we de besprekingen van Van Daeles proefschrift, dan kan ik niet anders dan concluderen dat het werk uitermate positief ontvangen is. Dat geldt zowel voor het geschetste Reynaertonderzoek uit het verleden, als voor de interpretatie en de verhaalanalyse zoals die in het tweede deel van de dissertatie gepresenteerd worden. Dit wil uiteraard niet zeggen dat alle recensenten zich in alle details kunnen vinden, zo dat al zou kunnen. Bij het interpreteren van (oude) teksten is dit overigens een gangbaar beeld. Dat maakt het immers tot een boeiende bezigheid, en zeker bij een zo uitstekende tekst als Van den vos Reynaerde.
Van Daeles dissertatie werd in mei 1996 bekroond door de Academie Royale des Sciences et des Beaux-Arts de Belgique met de vijfjaarlijkse August Teirlinckprijs.
Tot slot moet nog vermeld worden dat P. Wackers in zijn inleiding van het boek Pade crom ende menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw (Hilversum 1999) zowel A. Bouwman als R. van Daele de beeldbepalende onderzoekers van Van den vos Reynaerde noemt. Hun dissertaties worden exemplarisch genoemd voor het hedendaagse Reynaertonderzoek.
J. Luyten |
|
|