Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 10. E.J. Brill, Leiden 1891  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 294]

Boegseeren.

In eene van de ter perse liggende afleveringen (III, 1) van het Woordenboek der Nederlandsche taal komt o.a. het artikel Boegseeren voor. De bewerking hiervan heeft mij eene gissing aan de hand gedaan die, mocht zij juist blijken, den tot dusverre in 't duister schuilenden oorsprong van dit woord voldoende zou ophelderen. Eene breede uiteenzetting der gronden, waarop die gissing steunt, zou echter de perken van een Woordenboeksartikel overschrijden en wordt derhalve bij voorbaat hier gegeven.

Voorzoover de eigenlijke beteekenis van boegseeren in onzen tijd, die de zeilschepen meer en meer door de stoombooten ziet verdringen, nog algemeen bekend is, wordt het woord door het hedendaagsch taalbesef zeker meestal opgevat als eene soort van afleiding van boeg, met den welbekenden uitgang -eeren, een dergelijk afleidsel als het thans verouderde boegen1), varen, stevenen. Doch deze ‘volksetymologie’ valt ineen door de bloote vraag: vanwaar die in zulke afleidingen onbekende en onverklaarbare s? Niettemin maakt de beteekenis van het woord ‘een schip bij stil weder aan eene of meer boegseerlijnen, die aan den boegspriet zijn vastgemaakt, al roeiende voorttrekken’, dus ‘aan den boeg voortsleepen’2) het onwaarschijnlijk dat het eerste lid iets anders zou zijn dan ons woord boeg, voorste gedeelte van een schip. Kan dus in het tweede lid ook een werkwoord schuilen met de bet. ‘sleepen, trekken’? Gaan wij eerst de oudere vormen van het woord na.

In zijn Nomenclator (1577) geeft Junius op boechseerden; Kiliaan (ed. 1599) heeft boech-seerden, boecht-seerden. In eene

[p. 295]

te Vlissingen in 1617 verleden notarieele akte, behelzende de vertaling eener oorspronkelijk in 't Fransch gegeven verklaring van vier Baskische harpoeniers nopens ontmoetingen met de Engelschen bij Spitsbergen1), staat boucksarden. De Haarlemsche schilder A. Matham schrijft in het dagverhaal zijner reis naar Marokko (1641) boucheren; de Vlissinger admiraal Thijssen in een brief van 1644 bouscheerden. Bij De la Porte, Ned.-Spaansch Wdb. (1659) boech-seirden; bij Brandt, De Ruiter (1687), 977 boeghzaarden, maar op eene andere plaats boegseeren (denkelijk aldus letterlijk uit verschillende bronnen overgenomen). De laatste vorm, die verder b.v. te lezen staat bij S. de Vries, Noordsche Wereld (1685)2), bij Zorgdrager, Groenl. Visschery (2de dr. 1728), is reeds sedert lang de gewone, o.a. blijkens de ‘afzetsels’ in 't Nnd., Nhd., Deensch, Zweedsch en Russisch: bugsiren3) enz. Toch heeft Halma, Ned.-Fr. Wdb. (2de dr. 1729) nevens boegseeren nog den opmerkelijken bijvorm boegsjaarden4), Holtrop (1801) boegsjaaren, en Weiland, Gr. Wdb. (1801) boegscheren, boegsgaarden, boegsjaarden. Deze groote verscheidenheid van vormen wekt reeds het vermoeden dat het een vreemd woord is, waarmede men lang ‘getobd’ heeft, alvorens het zijne tegenwoordige gedaante te geven.

Wanneer wij nu de synoniemen van trekken, sleepen eens monsteren, is er zeker geen dat meer op het tweede lid van boegseeren, vooral op de hierboven genoemde oudere vormen daarvan gelijkt, dan sjorren. Over dit laatstgenoemde woord staat bij Dozy, Oosterlingen, 85-86 het volgende te lezen:

‘Het Arab. heeft het werkwoord djarra, trekken, voortslepen; dit is een scheepswoord geworden, want Ibn-Batoeta zegt (IV, p. 247): “Ofschoon die

[p. 296]

zee zeer uitgestrekt is, is er toch geen wind, geen golfslag, geene beweging hoe ook genaamd; daarom is elke Chineesche jonk door drie vaartuigen vergezeld, die dienen om haar door roeiers voorwaarts te brengen en die haar op sleeptouw nemen (tadjorroho)”. Hiervan komt het Sp. woord jorro (ontbreekt bij Engelmann, maar staat bij Marina), want Pedro de Alcala vertaalt navegar a jorro in het Arab. met djarra. De thans verouderde uitdrukkingen: llevar a jorro, navegar a jorro (beide bij Victor), traer a jorro (Barrantes Maldonado (16de eeuw), in het Memorial histor. esp., IX, p. 141) beduiden op sleeptouw nemen; Cobarruvias, Tesoro de la lengua Castellana (Madrid, 1611): “Jorro, llevar una cosa a jorro es sacarla y tirarla con guindaleta arrastrando, ora sea del agua, ora sea de la tierra; dizen ser Arabigo de churr, que sinifica lo mesmo”; men ziet dus dat reeds hem de Arab. oorsprong niet onbekend was. Dit jorro hebben onze zeelieden van de Spaansche, waarschijnlijk wel van de Baskiërs, die wij als visschers in dienst hadden, overgenomen, want sjorren, sjorklamp, sjorring, sjortouw zijn alle scheepswoorden.... In het dagelijksch leven gebruiken wijsjorren, opsjorren juist in den zin van het Arab. djarra, als het geen scheepswoord is’1).

Bij het lezen hiervan gaat er plotseling een licht op over het duistere, veelvormige (boeg)seeren. Op de plaatsen uit Ibn-Batoeta en uit de 1001 Nacht wordt met het ww. djarra geheel of nagenoeg dezelfde verrichting bedoeld, die wij onder boegseeren verstaan. En in Bocthor, Dict. franç.-arabe staat djarra uitdrukkelijk als vertaling van fr. remorquer. Zou het nu mogelijk zijn dat een andere vorm van hetzelfde Arabische ww. waaruit nnl. sjorren is ontstaan, in onze taal overgenomen, en met boeg verbonden ten slotte tot boegseeren vervormd is? Indien hiertegen geene overwegende bezwaren bestaan, mag de gissing dat de oorsprong van het woord hier te zoeken is, niet ongerijmd heeten. Onze gegevens zijn nog niet toereikend om de eerste lotgevallen van het woord in het Nederlandsch na te gaan: wij zien het, gelijk zoo menig ander, in het eind der 16de eeuw kant en klaar ‘opduiken’, zonder dat wij stellig kunnen aanwijzen uit welke bestanddeelen het gevormd, en van waar, wanneer, in welke beteekenis het

[p. 297]

allereerst in onze taal overgenomen is. Doch misschien mag men zich den gang van zaken voorstellen als volgt.

Djarra of liever dzjarra is het perfectum van een Arabisch ww., dat ‘trekken, sleepen’, en in de jongere, niet-classieke taal ook ‘boegseeren’ beteekent: deze vorm zou, in het Hollandsch overgenomen, *dzjarre(n) geluid hebben. Van zulk een alleenstaand ww. is tot dusverre - het is waar - geen spoor gevonden1). Maar op zich zelf is het overnemen van zulk een woord door onze zeelui, hetzij rechtstreeks uit het Arabisch, hetzij door bemiddeling van het Spaansch of Portugeesch, geenszins onaannemelijk: er zijn meer scheepstermen uit het Arabisch afkomstig2), en wellicht is het boegseeren eene manoeuvre die onze zeevaarders van de Arabieren of de Spanjaarden hebben afgezien. In het Spaansch wordt ‘boegseeren’ thans met het algemeen-Romaansche woord aangeduid: remolcar; doch daarnaast heeft in dezelfde beteekenis niet alleen llevar -, navegar -, traer a jorro gestaan, maar ook een ww. jorrar, bij Piñol, Diccion. Gallego (Barcel. 1876) als verouderd opgegeven3). Dit onderstelde *dzjarre(n) nu kan door de matrozen met boeg verbonden zijn, hetzij ter onderscheiding dezer bijzondere manier van sleepen, trekken van het aanvankelijk algemeene, doch als scheepsterm weldra in beteekenis sterk gewijzigde sjorren, hetzij alleen als eene onnoodige, pleonastische, doch begrijpelijke verduidelijking van het vreemde woord. De wijze van samenstelling of koppeling is zeker niet de gewone; maar vooreerst vindt zij hare wedergade in boeg-

[p. 298]

kruisen, een verouderden term voor: ‘(het water) met den boeg kruisen, d.i. laveeren’; ten tweede kan men zich beroepen op samenstellingen als liefkoozen, minnekoozen, waarschuwen, pluimstrijken en derg., waarin de betrekking tusschen de samenstellende leden, het znw. en het ww., evenmin volkomen duidelijk of gewoon is; en ten derde is het de vraag of bij een dergelijk woord, uit eene vreemde taal in de eigenaardige zeemanstaal overgenomen, dezelfde strenge regels gelden als bij echt-Nederlandsche samenstellingen. Trouwens het voorbeeld van lat. remulcare, t.w. gr. ῥνμουλϰɛῖν, is op eene soortgelijke wijze samengesteld uit ῥυμός (disselboom, trekriem; spoor, zog) en ἕλϰɛιν.

Wat moest in onze taal uit zulk een hybridisch *boeg-dzjarren worden? De uitheemsche klank dzj (tsj) wordt in een Hollandschen mond ten slotte tot een enkelen sisklank vereenvoudigd, vóór e of i soms, naar de afleiding, c geschreven als in cedel, cijfer, cijns, citroen, namen als Cicero enz. (vergeleken met de Italiaansche en Duitsche uitspraak daarvan), maar gewoonlijk s gespeld: saffraan, versagen, sammelen, sandelboom, seffens, sestig en seventig (thans, tegen de uitspraak, met z gespeld), sidderen, siepel, sieren, sigaar, sik, sikker (dronken), singel, sissen, sits, soebatten, sollen, sorbet, suiker1); verg. verder de gewone Hollandsche uitspraak van woorden als koe(t)s, loo(d)s, plaa(t)s, scho(t)s2) en van de uitgangen -atie, -age, (-asie, -azie). In al deze woorden is de scherpe s, in het Nederlandsch vóór een klinker alleen door bijzondere omstandigheden verklaarbaar, ontstaan uit een klank als tsj, dzj, ts, dz, sj of zj. In het geval dat ons hier bezighoudt mag men dus als eindresultaat dezer klankontwikkeling eene s verwachten, doch daarvóór en daarnaast allerlei tusschenvormen met tsj, ts, sj: *boeg-sarren enz.

Dat uit de verbinding der consonanten g-dzj niet een zacht

[p. 299]

g-z, maar een scherp ch-s is ontstaan, strookt met de regels der sandhi in onze Hollandsche uitspraak. Wel wordt een scherpe sluitletter vóór eene volgende zachte muta verzacht (daǵbint iplv. dak-bint, dagdief iplv. dach-dief, obdreunen iplv.op-dreunen enz.), maar een zachte spirant wordt omgekeerd achter elke scherpe sluitletter der vorige syllabe verscherpt; hepsucht iplv. hebzucht, wechsakken iplv. weg-zakken1): de uitspraak boechseeren is dus natuurlijk; dat de s hier (in tegenstelling met hebzucht en derg.) ook geschreven wordt spreekt bij een vreemd woord vanzelf.

Meer bezwaar levert de d op, die in het Arabische woord niet, doch juist in de oudere voorbeelden van het Nederlandsche woord wel aanwezig is. Zuiver phonetisch is zij moeilijk te verklaren. Woorden als mulder, donder, bewaarder, en comparatieven als vuilder, kleinder, zwaarder zijn hiermede niet rechtstreeks te vergelijken: daar is de d ontstaan tusschen eene voorafgaande liquida en eene volgende r, welke laatste voorwaarde hier ontbreekt. Enkele andere alleenstaande gevallen als spelden, overtuldicheit (voor spellen, overtollicheit), lijnde, venijnden (voor linnen, venijnen), bandelinc, zindelijk2),raamden (voor ramen, te Dordrecht) en, vóór eene r, mnl. verde voorverre zijn nog niet voldoende verklaard. Wellicht is de d reeds in de taal, waaruit wij het woord rechtstreeks hebben gekregen, ontstaan en dus daaruit overgenomen; wellicht ook is zij in het Nederlandsch door verkeerde analogie uit het praet. en het part. pass. met d in het praesens gekomen, op dergelijke wijze als inge-

[p. 300]

schieden, wijden enz., iets dat vooral in een vreemd woord begrijpelijk zou zijn.

Uit de aldus ontstane vormen boechtsjarden, boechtsarden, boechsjarden, boechsarden nu laten zich al de hierboven aangehaalde vormen van het woord gereedelijk verklaren.

De wisseling van -arden, -aarden, -eerden, -eirden is genoegzaam bekend; verg. de verschillende Mnl. en Nnl. vormen van woorden als paard, zwart enz.1)

In Kiliaan's boecht-seerden kan de oudere vorm van het tweede lid met ts schuilen; de verkeerde afdeeling van het woord is dan een gevolg van Kiliaan's meening dat het eerste lid niet boeg was, maar boecht (een door hem opgegeven bijvorm van boeg, misschien ontstaan door verwarring met bocht, zie hierover Ned. Wdb.).

De k in boucksarden (met ou vóór eene gutturaal iplv. oe, als in 't Mnl. en 't Wvl.2)) zal te verklaren zijn uit een (Friesch?) dialect, waarin de g nog de oude muta, niet spirans was en dus vóór s niet tot ch, maar tot k verscherpt werd: verg. ook het boven aangehaalde hd. bucksiren met ck.

Doch uit de opeenhooping van consonanten chtsj kon ook de ch uitvallen: immers met boucheren en bouscheerden zal allicht eene uitspraak als boetsjeeren bedoeld zijn. Want uit boescheerden, in verband met de door Weiland opgegeven bijvormen boegscheren en boegsgaarden eene vroegere uitspraak met nnl. sch af te leiden is zeker bedenkelijk, zoolang niet blijkt dat de beide laatste vormen iets meer zijn dan woordenboeksfabrikaten, wellicht uit eene drukfout of eene vergissing van Weiland of een zijner voorgangers ontstaan3).

De hedendaagsche vorm met -eeren, zonder de anorganische d, zou vanouds naast die met d kunnen hebben bestaan; doch hij zal wel veeleer in later tijd uit de oudere vormen met d

[p. 301]

ontstaan zijn naar analogie der talrijke ww. met den bastaarduitgang -eeren1).

Dat in de tot dusverre bekende voorbeelden van het woord niet de hier ontwikkelde chronologische volgorde der verschillende vormen gevonden wordt, zoodat b.v. de naar allen schijn zeer oude vormen boegsjaren en boegsjaarden alleen nog maar bij Holtrop en Halma bewaard zijn, behoeft ons niet te bevreemden, wanneer wij bedenken hoe weinig de ook in dit opzicht zoo belangrijke verhalen onzer oude zeereizigers uit de 16de eeuw nog doorzocht zijn met het oog op de taal; beschikten wij over een grooter materiaal, dan zou er allicht een veel ouder voorbeeld van boegsjaarden of van een nog oorspronkelijker vorm zijn gevonden2).

In dat geval ware ook misschien uit te maken wanneer en langs welken weg het woord in onze taal is overgegaan. Reeds Dozy heeft gegist dat onze zeelui sjorren hebben overgenomen ‘van de Baskiërs, die wij als visschers in dienst hadden’3). Ditzelfde zou met (boeg)sjarden te waarschijnlijker zijn, omdat dit voorheen inzonderheid toegepast blijkt te zijn op het door de zee naar 't schip of naar land sleepen (roeien) der walvisschen, en wij juist de walvischvangst bepaaldelijk van de Basken geleerd hebben4). Dan zou deze toepassing de oudste, die op het al roeiend voorttrekken van schepen denkelijk jonger zijn. Maar hoe aannemelijk deze gissing op zich zelf schijne, zij

[p. 302]

wordt door niets gesteund. Vooreerst is er in het hedendaagsche Baskisch, naar Prof. Schuchardt uit Graz en Dr. Uhlenbeck alhier mij verzekeren, geen spoor te vinden van een woord dat in vorm en beteekenis op (boeg)sjarden gelijkt1): de Basken hebben daarvoor geheel andere woorden, o.a. erremolkatu, overgenomen uit sp. remolcar, gelijk in 't algemeen hunne taal ook voor het zeewezen meer woorden van, dan aan de Romaansche talen ontleend schijnt te hebben. Maar bovendien valt het niet te ontkennen dat bij deze opvatting de voorvoeging van boeg veel minder goed te begrijpen ware, dan indien de toepassing op het voorttrekken van schepen werkelijk de oudste is geweest, zooals men ook uit Kiliaan's vertaling: ‘remigando trahere navem grandem e scapha’2) mag opmaken. Het blijft natuurlijk mogelijk dat, evenals de bewoners van Gallicie een ww. jorrar voor ‘boegseeren’ kennen, ook hunne naburen de Basken vroeger zulk een woord bezeten, doch later verloren hebben. Doch noodig is zulk een middenterm niet3): rechtstreeksche ontleening aan het Arabisch (zie boven, blz. 297) is evengoed denkbaar4).

Uit het Nederlandsch zal boegseeren verder in het Neder- en Hoogduitsch, het Deensch, het Zweedsch en het Russisch zijn

[p. 303]

overgenomen, evenals met tal van scheepstermen het geval is. Het Engelsch gebruikt voor ‘boegseeren’ to tow, het Fransch touer of het algemeen-Romaansche woord: remorquer.

Naar deze voorstelling zouden dus boegseeren en sjorren ontstaan zijn uit twee vormen, met verschillende vocaal, van hetzelfde Arabische werkwoord, waarvan het perfectum dzjarra eene a, maar de duratieve vorm jadzjorro en het passief dzjorra eene o hebben. Van dit ww. is afgeleid het znw. dzjirra ‘a mode, or manner, of dragging, drawing, pulling, tugging, straining, or stretching’; andere afleidingen zijn dzjorra en dzjarra ‘a small piece of wood, or a piece of wood about a cubit long, having a snare at the head, and a cord at the middle, with which gazelles are caught’ (Lane I, 400 c); voorts in de jongere taal dzjorra ‘trace, piste, voie; émpreinte, vestige de pas; brisées, pied; sillage de navire’ (Beaussier, Dict. prat. arabe-franç.). In al deze woorden is de beteekenis ‘trekken, sleepen’ duidelijk genoeg te herkennen1). Vandaar spaansch jorro2) (voorheen dzjorro, later chorro uitgesproken) in de uitdrukking a jorro, op sleeptouw, waaruit weder het ww. jorrar, dat denkelijk vroeger ook in 't algemeen ‘trekken, sleepen’ heeft beteekend3).

Terwijl dus uit dzjarra, als scheepsterm gebruikt, ons (boeg)sjarden ontstond, werd dzjorra in den algemeenen zin van ‘sleepen, trekken, rukken’ in onze taal overgenomen als tsorren, sorren, sjorren. In deze beteekenis leeft het echter alleen nog in de algemeene taal voort (afsjorren, losrukken; insjorren, inhalen; opsjorren, opwaarts rukken of trekken, zie De Jager, Frequent. I, 625-626); als scheepsterm gebezigd heeft sjorren

[p. 304]

(toe-, vastsjorren), naar 't schijnt alleen in 't Nederlandsch, zijne beteekenis in eene gansche andere richting beperkt, of liever sterk gewijzigd tot die van ‘met touwen vast toehalen, toerukken, en zoodoende vastbinden, aaneenhechten’. In den gang der beteekenissen en de betrekking tusschen de Arabische, Spaansche en Nederlandsche woorden is nog veel niet volkomen duidelijk. Zoolang onze kennis van de taal der 15de en 16de eeuw, en vooral van de oudere zeemanstermen, niet vollediger is, zal men zich in een geval als dit moeten behelpen met gissingen die, al is er een en ander tegen in te brengen, toch eene niet geheel onwaarschijnlijke verklaring geven van een tot nog toe volslagen duister woord.

 

Leiden, Sept. 1891.

j.w. muller.