|
|
|
| |
Seck (sick)!
Als Kackerlack de Hal te Amsterdam binnentreedt, wordt hij door ‘de Vleyschouwers ghelijck van overal’ aangeroepen: ‘hy sick! hem sick! hou sick, myn Heer selje wat koopen? enz.’; de plaats is overbekend1). Omtrent de beteekenis van dit sick bestaat verschil van gevoelen. Oudemans en Prof. Moltzer laten er zich niet over uit. De Heer Eymael beschouwt het als eene zuivere interjectie, gelijkstaande met ons pss! psst!, waarin de k een aanhangsel zou zijn, te vergelijken met de t in het op eene andere plaats van hetzelfde stuk2). Dr. Te Winkel ziet in (hem) sick! den ouden imper. sich van zien3). En volgens den Heer Spanoghe is sick hetzelfde als zek, in Zuid-Nederland nog heden een zeer gewone uitroep, b.v. om een trekdier te
| | | | doen stilstaan: ‘hou zek, d.i. houd, zeg ik!’1) De laatstgenoemde opvatting en verklaring behoeft nog eene kleine wijziging. Om de k te verklaren, behoeft men geene samentrekking uit zeg ik aan te nemen. M.i. is sek (want ook dit komt bij Bredero voor2) of sik namelijk de tot een tusschenwerpsel geworden oude imperatief sec van seggen, dat in het Mnl. en nog lang daarna, o.a. blijkens de spelling secgen, in vele tongvallen met de oude dubbele (of liever lange) media (fri., fra., hd. g), niet met onze Nnl. spirans g(h) is uitgesproken3). De wisselvorm sik naast sek pleit hier niet tegen; althans indien men naar het hedendaagsch Amsterdamsch mag oordeelen, waarin eene gesloten è veelal tot ῐ
verhoogd wordt; bovendien stond het woord, toen het eenmaal een tusschenwerpsel was geworden, welks verband met seggen niet meer gevoeld werd, bloot aan allerlei willekeurige wijzigingen.
Zijdelings wordt deze verklaring bevestigd door de analogie van de twee woorden, die meestal met dit sek verbonden worden: hou (behalve bij Bredero nog op eene plaats bij Verdam II, 181, en in het hedendaagsche Vlaamsch) en hort (in de Noordnederlandsche volkstaal: hort sek tot een trekdier); deze zijn evenmin vanouds interjecties, maar de versteende imperatieven onderscheidenlijk van houden, stilstaan (Mnl. hout, hd-.nnl. halt) en van horten, (voort)rijden.
Leiden, Mei 1891.
j.w. muller. |
1)Bredero II, 38 (Moortje, r. 641).
2)T.a.p. II, 85 (Moortje, r. 2066); zie Tijdschr. VI, 90.
3)Zie Grundr. d. germ. Phil. I, 670. Dit sich komt trouwens ook voor (Bredero I, 21: Roddr. r. 145), en zal daar inderdaad aldus, als de oude imperatief van zien, opgevat moeten worden.
3)Zie Franck, Mnl. Gramm. § 85; V. Helten, Mnl. Spraakk. § 91, d; en vooral Tijdschr. IX, 297. Dat deze uitspraak van inl. gg (of bij apocope ausl. g) als explosiva te Amsterdam op het eind der 16 de eeuw nog de gewone was, blijkt uit de Twespraack d. Ned. Lett. (ed. 1584) 52-53, waar de klank der g in eg, egge, dag, vlag, leg, weg, zeg, rug, brug, rog, kog, wig, wiggen, diggelen, troggelen met dien der Fransche gue gelijk gesteld, en scherp van de gh in gheld, ghod enz. onderscheiden wordt: het eerste is ‘een dicker ghelnyd dat met 't gheklanck van de k wat ghelyckheids heeft’. (Met dag, weg en rog zullen hier de vrouw. woorden dagge, wegge, rogge bedoeld zijn).
|
|