Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 47]

Verklaring van Nederlandsche woorden.

V. Kling.

Ik bedoel het door Bilderdijk tot nieuw leven gewekte woord, dat ons vooral uit heuvelkling bekend is, doch waarvan de eigenlijke beteekenis niemand recht duidelijk meer voor den geest staat. En dit kan ook niet, omdat het, evenals b.v. trans en beemd, feitelijk gestorven was, en alleen in de taal der dichters, waaruit Bilderdijk het heeft opgerakeld, nog leefde als eene herinnering aan eenen vroegeren tijd. Het woord beteekent heuvel, en wel bepaaldelijk een niet begroeiden heuvel. Bij Halma, Marin en Weiland wordt het woord, dat vooral in het mv. voorkomt, omschreven door dorre duinen, bij Van Dale door zandduinen, en bij schrijvers wordt het voornamelijk verbonden met bnw., waardoor het begrip naakt, kaal, wordt uitgedrukt. Zoo gebruikt Bilderdijk de uitdr. ‘afgeschaafde klingen’ en ‘schrale klingen’, alsmede de samenstelling heideklingen, terwijl Staring het woord verbindt met bar1). Doch oorspronkelijk beteekende het woord niets anders dan heuvel. Kiliaen vertaalt het woord, dat hij als Germ. (d.i. aan het Hd. ontleend) kenschetst, door lat. clivus. Westerbaen verbindt heuvelen en klingen2), en De Marre (1696-1763) gebruikt het o.a. in een bij Weiland (2,518) aangehaalden versregel: ‘vergast het gansche dorp en zet zich op de klingen’. De dichters na Bilderdijk zijn het woord weder in de bet. heuvel gaan gebruiken: zelfs is het denkbeeld liefelijk, bekoorlijk niet uitgesloten. Zoo zegt Van Lennep in de beschrijving van eene liefelijke landstreek, Poët. Werk., dl. 1, bl. 291 a:

 
Zie, hoe de koeien, uit de weiden,
 
Gekeerd langs heuvelkling en heiden,
 
Zich spoeden naar de muffe stal,
[p. 48]

en De Génestet (1, 185), in zijn gedicht ‘Dagelijksch brood’ al zijne genietingen opsommende:

 
't Is dolen langs de heuvelklingen
 
En droomen op het krakend mos,
 
En dwepen met de erinneringen,
 
Die fluistren in het donker bosch.

Het woord heuvelkling is dus, blijkens hetgeen wij gezien hebben, eene tautologische samenstelling. Doch vanwaar is nu het woord kling, en wat zeggen ons de etymologen er van? Dit laatste is al zeer weinig. Franck bepaalt zich tot de mededeeling: ‘een nndl. woord van onzekeren oorsprong’, en Vercoullie drukt zich nog iets korter en bepaalder uit: ‘oorsprong onbekend’. Mij dunkt, hiertoe hadden de etymologen zich niet behoeven te beperken, en des te minder, daar Weiland althans iets uitvoeriger was geweest, en o.a. de aandacht gevestigd had op het eng. ww. cling. Indien wij in deze richting zoeken, zullen wij, ik houd er mij van overtuigd, eene bevredigende verklaring vinden.

Het spreekt vanzelf, dat het ndl. kling in den zin van het blanke lemmer van een degen, ookal een woord, waarvan de eigenlijke beteekenis niet meer door ons wordt gevoeld, hier niet in aanmerking komt. Dit is een geheel ander woord, waarvan tot heden evenmin de verklaring vaststaat. Het wordt door Kil. opgegeven als aan het Hd. ontleend (Germ. Sax. Sicamb.) en Franck sluit zich hierin bij hem aan. In het Mnl. is dan ook het woord tot heden niet gevonden. Zie Franck 459; Kluge 175 op klinge, 1); Grimm, Wtb. 5, 1171. Doch er is een ander woord, dat wel in aanmerking verdient te komen, nl. hd. klinge, in de beteekenis beek; mhd. klinge; ohd. chlingo; vgl. hd. klingelbach en ndl. klingelbeek, benaming van een buitengoed bij Arnhem. Voor de eenheid van dit woord kling met het ndl. kling valt te zeggen, dat het woord in het Hd. ook de bet. van nauw dal, dalengte heeft aangenomen, hd. thalschlucht, zoodat het begrip water daarbij geheel op den achtergrond is gedrongen.

[p. 49]

Verder kan men wijzen op de herhaalde malen voorkomende verwarring van woorden, die gracht en wal beteekenen. Eene Amsterdamsche dienstmeid laat niet iets vallen van den wal in de gracht, maar van de gracht in den wal, en het hd. teich, d.i. moeras, is hetzelfde woord als ndl. dijk. Burgel (eig. burgwal) is te Kampen zoowel de naam van het water als van de straat (B. Vinckers 1, 54 noot). Dit is volkomen juist, maar men moet niet vergeten, dat deze overgang van beteekenis alleen voorkomt bij zulke woorden, die eene uitgegraven diepte en eene opgeworpen hoogte aanduiden, doch dat een woord, hetwelk beek beteekent, den zin van heuvel zou aannemen, is in hooge mate onwaarschijnlijk1). En ook in het Hd., waar het woord eene vrij rijke ontwikkeling van beteekenissen heeft gehad, heeft het de opvatting heuvel niet aangenomen. Daarom mag deze poging om het woord te verklaren niet als afdoende worden beschouwd.

Wenden wij ons thans tot het Mnl. en zien wij, of dát ons ook licht kan geven. Ongelukkig komt daar het woord clingen slechts op ééne plaats voor, en wel Rek. d. Gr. 1, 30: ‘(Ontfaen) van den clinghen opten Verskenwael’. Dezelfde post komt voor, bl. 93. De beteekenis blijkt niet duidelijk uit den samenhang, doch daar de volgende post op de rekening luidt: ‘van der ghershure opten Verskenwael’, ligt het vermoeden voor de hand, dat hier met clingen bedoeld zijn ‘hoogten, waarop geen gras groeide’, en die b.v. voor het telen van veldvruchten werden verpacht. Hierdoor wordt dus de oorsprong van het woord niet duidelijker. Doch er is ook een ww. clingen, en dit kan ons, evenals eng. cling, voor de verklaring goede diensten

[p. 50]

bewijzen. Er is nl. een mnl. ww. clingen in de bet. kleven, zich hechten aan, blijven vastzitten. Dezelfde beteekenis heeft eng. to cling, en het de. klynge sig. Een duidelijk voorbeeld hiervan geeft Hs. Yp. 147 a: ‘Alle die been, die tebroken siin, die siin sculdech deen jegen dander te liggene ....; hierbi prijst Actor dwitte van den eye boven al den andren; so meer dbeen verhit, so meer dwitte verdroget ende clinget an dbeen..., so dat deen been rechte jegen dander blijft staende’. Deze beteekenis komt nog duidelijk uit in het bij Vercoullie opgegeven klinge, d.i. kleefkruid, hetzelfde als ndl. klijf (Franck 458), terwijl kling, heuvel, gelijk ons straks blijken zal, te vergelijken is met klif en kleef (Franck 457).

Eene andere beteekenis, die na aan deze verwant is, nl. die van verschrompelen, verdrogen, verdorren, is insgelijks uit het Eng. en Mnl. bekend. Vgl. Halliw. 1,255: ‘cling, to shrink up’; de trans. opvatting bij Shakespeare, Macbeth 5, 5:

 
If thou speak'st false,
 
Upon the next tree shalt thou hang alive
 
Till Famine cling thee,

of in de vertaling bij Burgersdijk (8, 276):

 
Indien gij liegt,
 
Hang ik u levend op aan de' eersten boom,
 
Tot honger u verschrompelt,

en E. Müller op cling. In het Mnl. wijzigt zich deze opvatting tot de nauw verwante verouderen, afnemen, verminderen, eig. uitdrogen; zoo b.v. Matthijsz. 38: ‘Cum omnia in homine senescunt, ipsa sola avaritia iuvenescit’, dats te segghen: ‘als alle saken in den mensche clinghen, verdorren ende te niete gaen, so bloeyt die ghiricheit alleen ende ryset ende meerret’, en Barth. 705b: Dat si (de dieren) beter ende ghesonder teten zyn, alsoo lange als si wassen, dan als si weder clinghen of afterwaert gaen’ (lat. post declinationem ad senium). Een merkwaardig bewijs, dat het woord in deze beteekenis ook in de duitsche talen bekend is geweest, is het mnd. klinksucht, d.i.

[p. 51]

tering, hetzelfde als hd. schwindsucht, en klinksuchtich, d.i. teringachtig. Zie Lübben 2, 484, en Diefenb. Gloss. op tisicus.

Deze beteekenissen van mnl. clingen zijn op zich zelve merkwaardig genoeg om er kennis van te nemen, maar zij verklaren nog niet de opvatting heuvel, eigen aan het znw. kling. Indien wij dit konden omschrijven als een voorwerp, dat stijgt, klimt of de hoogte in gaat, of ook als iets, waarop men klimt, m.a.w. indien wij clingen slechts vinden in de beteekenis klimmen, dan hebben wij eene opvatting, die voor de verklaring van kling geheel voldoet. Werkelijk is deze in verschillende germ. talen aan te wijzen. E. Müller vermeldt een dial. hd. klingen, in den zin van klimmen; en het zwe. klänga en de. klynge sig beteekenen hetzelfde. Verscheidene woorden voor klimmen ontwikkelen dit begrip uit dat van kleven, zich hechten aan. Het zoo even genoemde deensche woord vereenigt de beide opvattingen; het ndl. klimmen is nauw verwant met klemmen (vgl. ndl. zich vastklemmen); de mnl. ww. cliven en cleven vertoonen denzelfden overgang van beteekenis (vgl. ndl. beklijven met klif, d.i. heuvel, hetwelk dus met kling te vergelijken is; en ndl. kleven met kleef, dat ook heuvel beteekent). Uit de artikelen cliven en cleven in het Mnl. Wdb. zal dit alles nog duidelijker blijken, doch ook nu reeds is, vertrouw ik, overtuigend aangetoond, dat de bet. van ndl. kling, d.i. heuvel, eene afleiding is van het germ. ww. klingen, in de bet. klimmen.

Nog ééne opvatting van klingen wil ik hier even ter sprake brengen, nl. de beteekenis vastklinken, vastklampen, aan het woord eigen in het Vlaamsch (Vercoullie 130). Deze bet. is de causatieve opvatting van kleven; vastklampen of klinken is gelijk aan maken dat iets kleeft, hecht of vast blijft zitten.1) Deze verklaring van klingen zal ook wel op het in dezelfde beteekenis bekende klinken (eng. to clinch) van toepassing zijn; zij voldoet

[p. 52]

beter dan de beschouwingswijze, volgens welke klinken in deze beteekenis één zou zijn met klinken, geluid geven, en vervolgens slaan met een zeker geluid of gedruisch. Franck heeft op klink (bl. 459) een beteren weg ingeslagen en ook aan eng. cling en vla. klinke herinnerd. Ongetwijfeld zouden, als men de verschillende opvattingen van klink met die van kling vergelijkt, de punten van overeenkomst tusschen de beide stammen nog grooter worden, maar zeker zou men ook komen tot dezelfde uitkomst als Franck, wiens woorden ik tot de mijne maak; ‘Over de oudere geschiedenis van dezen stam kling, klink is nog geen licht verspreid’. Vgl. over kling en klink en hunne onderlinge verhouding, alsmede over verschillende daarmede verwante woorden, Gallée, Etudes Archéologiques et Historiques dédiées à Mr. le Dr. C. Leemans, p. 279. Over de plaatsnamen, waarin kling en klink voorkomt, vergelijke men een uitvoerig en leerzaam artikel van denzelfde in Nomina Geographica Neerlandica, dl. 2, bl. 84-88, waar men nog andere bijzonderheden van het woord vermeld vindt, doch waar, in tegenstelling met de hier voorgedragen meening, het woord kling in de bet. heuvel en in die van beek voor hetzelfde verklaard wordt. Vgl. eindelijk inklinken of beklinken in de beteekenis indrogen of wegzakken (van den bodem in eene droogmakerij gezegd); Van Dalen op inklinking; en hd. einlinken, ndd. inklingen (Franck, Etym. Wdb. op slinken).

VI. Kinnetje.

In de meeste woordenboeken, van Kiliaen af tot die van den tegenwoordigen tijd toe, kan men het bovenstaande woord vinden in de beteekenis vaatje of ton. En niet alleen in dezen vorm treft men het woord aan, maar ook in den vorm kindekijn, zoodat de vraag naar den oorsprong noodwendig gepaard gaat met de beantwoording eener andere, nl. welke der beide vormen de oudste is.

Laten wij beginnen met te zien, wat het Mnl. en de andere germaansche talen ons leeren aangaande het woord, en wat

[p. 53]

woordenboekschrijvers en woordvorschers ons er van hebben mede te deelen.

De oudste vermelding in de ndl. woordenboeken is te vinden bij Kiliaen (de Teuthonista en Plantijn geven het woord niet op), bij wien wij lezen: ‘kindeken, kinneken, vasculum; octava pars cadi; ang. kylderkin.’ Een cadus nu is de latijnsche benaming van een ton, waarvan de onderdeelen genoemd werden congius en sextarius. In het Wdb. van Binnaert wordt de mededeeling van Kiliaen vertaald met de woorden: ‘kinneken, 't achtendeel van een tonne, cadiscus.’ Halma omschrijft kinnetje als ‘'t vierdedeel van een vat, quartaud, la quatrième partie d'un tonneau,’ en geeft als voorbeelden ‘een kinnetje boter; een kinnetje bier.’ In het Wdb. van Marin vinden wij ongeveer hetzelfde. Bij Weiland leest men: ‘Kinnetje, een agtste deel van een vat, ook een agtendeel genoemd.’ En ook bij hem worden als voorbeelden ‘een kinnetje bier; een kinnetje boter’ opgegeven. Van Dale is in zijne opgave iets uitvoeriger en nauwkeuriger: ‘kinnetje, zekere maat; ¼ gedeelte van eene ton, inz. van bier (ongeveer 39 liters); ⅛ gedeelte van eene kalkton (= 15,17 liters),’ en hij voegt er bij: ‘oudtijds schreef men kindeken.’ Met deze laatste mededeeling is het mnl. spraakgebruik geheel in overeenstemming. Laat ik het met eenige voorbeelden mogen ophelderen. ZVl. Bijdr. 5, 37: ‘een tonne of eene (men lette op het vr. geslacht) kindekijn of een quartroenkijn harinx.’ Ald. 64: ‘een tonne harinx of kindekijn.’ Keurb. v. Brielle 57, 16: ‘alle kyndekijn botter sal hoir (ook hier is het woord vr.) gewichte hebben van 28 loot off dair boven.’ R.v. Utr. 1, 355, 12: ‘Vanden kyndekijn aels ofte herinx daer en zel die ofslager niet van hebben.’ Geld. Maandwerk (uitg. door Van Hasselt) 1, 104: ‘item opten zolder 1½ herynckton haickencruyt ind iii kyntken knipcruyt (twee soorten van buskruit) met ewenich zwevell ind salpeter.’ Oude Vaderl. R. (Versl. en Meded.) 2, 317: ‘soo en sal voirtan (niemant) mogen inleggen ter harynghe kinnekens oft halfvaten, dan op de gerechte brantmate, up de verbeurte van die kinne-

[p. 54]

kens en halfvaten.’ D. War. 3, 84: ‘so geeft sy also vele roods waters over ten monde, dat het ter wele (l. wile) wail beloopt een kyndekijn van een vate vul waters.’

Uit al deze plaatsen uit schrijvers en woordenboeken blijkt, dat een kindekijn (of kindeken, kinnekijn, kinneken, kintken) evenals ndl. ton of tonnetje, gebruikt werd voor natte en droge waren beide en dat kindekijn nu eens met ⅓, dan weder met ¼ ton gelijk staat1). Laten wij nu zien, hoe de etymologen het merkwaardige woord hebben trachten te verklaren. Kiliaen, anders op het punt van etymologiseeren niet voor een klein geruchtje vervaard, bewaart hier het stilzwijgen. De eerste der ndl. woordvorschers, die zich aan eene verklaring heeft gewaagd, is Weiland, die, evenwel nog schuchter, de meening uit, dat kinneken uit kindeken is geassimileerd, en dat het den oneigenlijken naam van kindeken zal dragen om de kleinheid van het tonnetje. Blijkbaar meent hij dus, dat het woord het overdrachtelijk gebruikte verkleinwoord is van ndl. kind. Dezelfde meening wordt door anderen te berde gebracht, zoo b.v. door Van Dale, ZVl. Bijdr. 5, 88 noot, en door Schuermans, Vlaamsch Idiot. 241.

Franck heeft het woord in zijn Etym. Wdb. niet opgenomen, doch in dat van Vercoullie vindt men de genoemde afleiding opnieuw: ‘Kinnetje, o., vroeger kindeken en kinderkijn, waaruit Eng. kilderkin, dus dimin. van kind; ‘maar waarom?’ voegt de bewerker van het nieuwste afleidkundig ndl. wdb. er aan toe. En werkelijk moet het bevreemden, dat eene inhoudsmaat, die een deel van eene grootere maat uitmaakt, genoemd zou zijn met den naam van een klein of onvolwassen mensch. Intusschen, hoe onwaarschijnlijk ook, deze afleiding is betrekkelijk al oud. Ik meen haar reeds te vinden in de mnl. schrijfwijze kinderkin, waarop Vercoullie doelde, en die o.a. voorkomt

[p. 55]

Invent. v. Br. 5, 263: ‘Een courtou (kartouw) ... met iii cameren ende twee kinderkins derby up wielen’; vgl. 264, waar de juister vorm kindekijn staat: ‘een kindekin van den zelven poedre’. En dezelfde meening wordt ook hier en daar gevonden aangaande den oorsprong van eng. kylderkin; zoo b.v. in het eng. wdb. van Stormonth (1884): ‘kilderkin [O. Dut. kindeken, a little child, a measure of varying size], a small barrel containing 18 gallons.’

Ik geloof, dat wij niet lang behoeven stil te staan bij deze afleiding, welke in hooge mate onwaarschijnlijk is en, zoover mij bekend, door geene etymologieën bevestigd wordt. Vercoullie zelf gelooft er blijkbaar niet aan, want nadat hij de bovengenoemde afleiding voorop heeft gesteld, zegt hij: ‘of staan we voor een volksetymologische vervorming?’ Laten wij trachten deze verstandige vraag te beantwoorden. Doch eerst moet nog eene andere meening worden medegedeeld, welke door Beckering Vinckers is te berde gebracht in zijne bewerking van Whitney's Language and the Study of Language. In eene noot op dl. 1 bl. 55 laat hij zich over het woord aldus uit: ‘Bedenkt men, dat kinnetje en kaak beide “vat” beduiden, dat het hoofd ook kop en hersenpan, in 't hd. hirnschale heet, ... dan heeft een menschenhoofd met dat kop, kin, kaak, schaal, bak en pan veel van een pottekast.’ De Heer Vinckers heeft zich hier door allerlei uiterlijke gelijkheden laten verlokken tot het zoeken van identiteit, waar die niet bestaat. Bak, nl. het keukengereedschap is een geheel ander woord dan bak in kinnebak of -bakken; kaak, het lichaamsdeel, heeft niets te maken met kaak, ton, en evenmin is er eenig verband tusschen kinnetje, verklw. van het lichaamsdeel, en kinnetje, vaatje of tonnetje. Hoe zou, indien dit zoo ware, de bijvorm kindetje te verklaren zijn? Ook deze poging, om de verwanten van het woord op te sporen, moet als mislukt worden beschouwd, en een andere weg worden ingeslagen. En dan trekt allereerst onze aandacht een bijvorm kimmekijn, welke voorkomt in eene ordonnantie op de Makelaardij van 1652 (aangeh. Invent. v. Br. Gloss. 141): ‘van

[p. 56]

elcke tonne zeepe, daervan vier kimmekins maecken een tonne’. Men zal misschien de opmerking maken, dat een betrekkelijk zoo jonge vorm weinig gewicht in de schaal legt, en de gegrondheid hiervan kan niet worden ontkend, doch het gezag van den vorm kan gesteund worden door duitsche tongvallen. Vooreerst komt ook in het Mnd. het woord kimke voor. Zie Lübben 2, 461: ‘kimke, ein hölzernes gefäss mit einem boden’, waarbij gevoegd wordt de mededeeling: ‘Einige hss. haben kinneken; in einer ist darüber corrigiert tunneken.’ Daarnaast kent het Mnd. kimker, ‘der solche gefäsze macht’, kimwerk en kimmer, kimer, kuiper; en het Hd. kimmer, bötticher, en kimmen, het inzetten van den bodem in een vat. Zie Grimm 5, 706. Het aan dit alles ten grondslag liggende woord zal wel zijn ndl. kimme, kim, dat, gelijk bekend is, in eig. zin beteekent rand van een vat (Kil. kimme j. kieme, margo vasis), en bij uitbreiding rand van den gezichteinder, de horizon. Vgl. Franck 445 op kim, De Bo 509 en vooral Grimm, Wtb. 5, 705. Dat kinnekijn oorspronkelijk kimmekijn geweest was, zou in elk geval veel waarschijnlijker zijn, dan eene der boven voorgedragen verklaringswijzen, doch er blijven nog een paar vragen. Vooreerst: hoe komt kimmekijn te worden kinnekijn? De overgang van eene m in n is op zichzelf een niet ongewoon verschijnsel; vgl. ndl. ik ben uit mnl. ic bem; den uitgang -ĕne uit -ĕme in mnl. blixene, anxene, alsene; fr. natte uit matte; nèfle uit lat. mespilum; mine uit lat.-gr. mimus; nous aimons uit amamus enz. Doch voor eene dubbele m geldt dit verschijnsel niet. En zelfs al was het te bewijzen, dat mnl. vinne eigenlijk vimme is geweest, hetgeen niet mogelijk is, daar vimme in het Ogerm. nergens gevonden wordt1), dan zou nog de tweede vraag van kracht blijven, nl. deze: ‘Hoe komt het, dat de vorm kimmekijn in het Mnl. nergens is aangetroffen?’ Daar hierop geen bevredigend antwoord te geven is, moeten kinnekijn en kimmekijn voor etymologisch verschillende

[p. 57]

woorden worden gehouden. En dit des te eer, daar ook in hd. dialecten een woordvorm voorkomt, welke met het ndl. kindeken groote overeenkomst vertoont, en die evenmin door eene verwijzing naar kimmekijn kan worden verklaard. Het Mhd. heeft nl. als benaming van eene maat het onz. znw. kindel, vooral van zout gebruikt, zooals nog heden het beiersche kindel; zie Schmeller 1, 1262, waar de beide vormen kindel en kindlein in dezelfde beteekenis voorkomen. Bij Schmeller wordt tevens melding gemaakt van het zwits. chindli (kindli, Stalder 2, 103), met de beteekenis ¼ centenaar. Vgl. Grimm, Wtb. 5, 768 op kindlein, waar tevens de waarschijnlijkste, tot heden onopgemerkte, etymologie wordt gegeven; zij is ons een nieuw leerrijk voorbeeld van ‘de volksverbeelding in het rijk der taal’, die het aan het Romaansch ontleende woord wist om te vormen op zulk eene wijze, dat meer dan één etymoloog dupe er van is geworden. Volgens het Wdb. van Grimm is kindlein eig. quintlein, gelijk kindel (eigenlijk kintel) hetzelfde als quintel (vgl. hd. dial. kärtlein voor quärtlein, en ndl. dial. kertier voor kwartier); ‘so bezeichnet quentchen jetzt den vierten theil eines loths (zie Kluge 269), mit alter verwechselung der vier- und fünfzahl’. Het woord beantwoordt aan mlat. quintale, dat in de beteekenis van ⅕ eener maat bestaan heeft evengoed als quartale, d.i. ¼ eener maat, vierendeel (vgl. Duc2. 6, 598, quartale vini), welk woord nog heden in het ndl. kwartaal (Duc. quartale anni) voortleeft. Duc. geeft een mlat. quintale in eene andere beteekenis, nl. in die van centenaar. Vgl. (boven) zwits. kindli en fra. eng. sp. port. prov. quintal; it. quintale, dat, volgens Littré, afkomt van arab. quintár, poids de cent. Maar ook in den zin van ‘het ⅕ deel van iets’ heeft het bestaan. Vgl. het Wdb. van Grimm op fünftheil, waar wordt aangehaald uit een vocabularium van 1482: ‘quintale, das funftheile’ en uit een ander: ‘funffteil, quintale dicitur esse quinta pars alicuius rei’. De beteekenis van ⅕ moet zich tot die van ¼ hebben gewijzigd. Vgl. daarvoor, behalve het bovengenoemde hd. quentchen, ook het zwits. quinteln (Stalder 2, 252), gezegd van eene klok, die ieder kwartier slaat.

[p. 58]

Het mlat. quintale heeft zich in den vorm kintale, kintal (Duc2. 4, 489; vgl. cartarium naast quartarium) al vroeg over West-Europa verspreid; heeft door het verplaatsen van zijn klemtoon een inheemsch voorkomen gekregen; is in zijn vorm kintel in het Hd. en Mnl. met kint in verband gebracht, en toen men den uitgang el voor den germaanschen verkleinuitgang ging houden, kwam er een vorm op met een anderen verkleiningsuitgang, die den oorsprong nog meer onkenbaar maakte, nl. in het Hd. kindlein en in het Mnl. kindekijn, waaruit door assimilatie kinnekijn ontstond. Er zijn ten slotte twee feiten op te merken, die ons het recht geven te beweren, dat men reeds in de middeleeuwen niet alles met dit woord in den haak vond, en niet onvoorwaardelijk geloofde, dat het een gewoon germaansch verkleinwoord was: vooreerst dat men ook den vorm kintkijn aantreft, die als verkleinvorm van het mnl. kint niet kan gevonden worden; en ten tweede, dat op twee der bovengenoemde plaatsen het woord kindekijn als vrouwelijk voorkomt, nl. ZVl. Bijdr. 5, 37: ‘eene kindekijn’, en Keurb.v. Brielle 57, 16: ‘alle kyndekyn sal hoir gewichte hebben’.

VII. Klakkeloos.

Een eenigszins vreemd woord voor ons, die het, gelijk vanzelf spreekt, willen verklaren als zonder klak, doch zonder dat ons dit veel verder brengt, daar een znw. klak ons slechts bekend is in beteekenissen, die het begrip, dat wij aan klakkeloos hechten, volstrekt niet verklaren. Klak nl. heeft behalve de bet. een klakkend geluid, (ml.), slechts die van pet (Zndl.) of hoed dien men kan ineenslaan, galahoed, en vlak of vlek, inzonderheid een inktvlek (vr.). En klakkeloos staat bij Van Dale vermeld met de beteekenissen zonder reden; zwak, nietig; onbeduidend, nietswaardig; onbedachtzaam. In sommige der hier genoemde beteekenissen is het woord ongetwijfeld als verouderd te beschouwen. De gewone opvattingen van het woord, dat thans vooral of uitsluitend bijwoord is, zijn die van onverwachts of onvoorziens, en zonder reden, zonder behoorlijken grond.

Bij Hooft komt het woord meermalen voor in deze beteeke-

[p. 59]

nis; zie voorbeelden in het Uitlegk. Wdb. 2, 158; vervolgens ook als bnw, in de beteekenis redeloos, of hetgeen wij met een fransch woord noemen ongemotiveerd; zie Weiland 2, 502: (uit Hooft): ‘om zijn klakkeloos vertoeven te vrijen van arger achterdocht’, en Uitlegk. Wdb. 2, 158: ‘dit klakkeloos scheyden uit Woude nam de Prins van Parma zeer quaalijk.’ Verder wordt het in de 17de eeuw gebruikt als bnw. in de bet. onverwacht, b.v.: ‘uw hoofdt is vry van onheyls klackloos treffen’, aangeh. uit Camphuyzen bij Weiland, en als bnw. en bijw. in den zin van slap, krachteloos, zonder aanwending van de noodige kracht; zoo b.v. Hooft: ‘hoe dit volk kouwlyk vervolght werd en klakkelooze weere bood, zonder dat yemandt van hun viel,’ en: ‘den uitval klakkeloos wederstaan te hebben’ (Uitlegk. Wdb. t.a.p.; Weiland t.a.p.).

Wij zien het woord hier in de meeste der bij Van Dale opgegeven beteekenissen gebruikt, en krijgen al dadelijk de overtuiging, dat het slechts een schaduw van zijn vroeger bestaan heeft overgehouden; tevens bemerken wij min of meer tot onze verwondering, dat het veel ouder is dan wij gedacht hadden. Wij zouden wellicht geneigd zijn, er eene jongere vorming in te zien: wij bedriegen ons; het is bekend in het Mnl., Ndd., Ags. en Oudnoorsch, en in allerlei beteekenissen, die hier nog niet zijn genoemd. In het Ndd. beteekent het als bijw. onvoorziens, als bnw. onschuldig en onzeker, niet vast (in de Wdbb. van Dähnert, Richey, Tiling, Schütze en Strodtman, aangeh. bij De Jager, Freq. 2, 232); het ags. cloecleás beduidt ‘sine querela, sine lite’, d.i. onberispelijk (hetzelfde als mnl. sonder claginge); het onr. klaklaus(t) heeft den zin van ongedeerd; en het mnl. woord die van onvoorwaardelijk, geheel en al. Voorbeelden van het laatste vindt men Publ. Limb. 17, 166: ‘claclois op die momburschap vertiën’. Ald. 171 (Nijh. 2, 59): ‘claclois ind zomoile (mnl. te male) vertiën’. Nijh. 2, 166 en 176: ‘luterliken ende claclois vertiën.’ Bisd. Haarl. 16, 36 en 61: ‘clackeloos bliven aen enen.’ Racer 5, 305: ‘klacloos ghene (in het geheel geene) garven.’ St. Anth. Gasth. 1, 170: ‘aelinge en al clacklos.’

[p. 60]

Hoe is deze rijke ontwikkeling van beteekenissen te verklaren, en van welk grondbegrip dient men bij de verklaring uit te gaan? Onze etymologen laten ons al weder in den steek; Vercoullie zegt alleen: ‘ontleding onzeker’. Franck is iets uitvoeriger, doch komt niet veel verder; bij hem lezen wij: ‘'t is dus een oud noordgerm. compositum; om de ontwikkeling der bet. nauwkeurig te kunnen nagaan, ontbreken genoegzame gegevens.’ Weiland laat zich aldus uit: ‘Het woord zal eigenlijk misschien aanduiden stil, zonder klak, d.i. zonder eenig geluid, van hier plotseling, onverwacht.’ Voor een deel der beteekenissen is dit ongetwijfeld juist - en het strekt Weiland tot eer, dat zijn werkelijk verdienstelijke arbeid nog thans naast dien der hedendaagsche ndl. taalkundigen moet worden geraadpleegd - maar een ander deel wordt er niet door verklaard. Het Uitlegk. Wdb. geeft deze verklaring: ‘zonder klak, d.i. zonder eenig geluid, van hier zonder het geven van reden, zonder reden, fr. sans rime ni raison. Bij eene andere overdragt is klakkeloos hetgeen niets zegt, niets beteekent, zwak en onbeduidend is.’ De bewijsvoering is misschien niet onjuist, maar vereischt nog nadere toelichting. Het uitvoerigst is De Jager, Freq. 2, 232 vlg., en werkelijk bevatten zijne opmerkingen den sleutel tot eene logische verklaring, maar er stond hem niet genoeg feitenkennis uit de oudere germ. talen ten dienste, en zoo is hij niet tot vaste en zekere uitkomsten geraakt. Laten wij zien, of wij thans, nu er door de etymologen meer feiten zijn bijeengebracht, daarin slagen kunnen.

Wij moeten beginnen met twee woorden klakkeloos te onderscheiden, nl. den uitgang -loos ons te denken achter twee geheel verschillende woorden klak; het eene in de bet smet, klad, vlek; het andere in de opvatting slag, klap. De bet. klad is in verschillende germ. talen eigen aan het znw. klak. Het Ags., het Eng., het Schotsch, het Mhd., het Hd., het Ndd., het De., het Zwe., het Vla., het WVla. kennen alle het woord in deze beteekenis. Kil. geeft voor klack, Fland. j. kladde, macula luti; Van Dale de bet. vlak, vooral inktvlak; het Hd.

[p. 61]

en het De. kennen klackpapier in den zin van kladpapier, het hd. klecks beteekent inktvlak, inktmop, en eindelijk is in verschillende duitsche talen een ww. klacken, klecken bekend in de bet. kladden, smeren, en een daarvan afgeleid znw. klacker met een nieuw ww. klackern. Zie vooral de Wdbb. van Grimm en Lübben. Uit het Mnl. zijn weinig voorbeelden van clac opgeteekend. Doch er is althans ééne plaats, waaruit het woord in de bovengenoemde beteekenis blijkt, nl. Rein. II, 6654: ‘Des duvels dochter Moedecac, ende die jonghen met spisen beclat’, waarvoor het hs. heeft: ‘een dinc met spisel stont daer geclac’. Hieruit volgt met vrij groote zekerheid, dat de oorspr. lezing zal geweest zijn: ‘Moedecact: mit spisen geclact of (nog liever) beclact’, d.i. beklad, bevuild. Vgl. hd.beklecken en wvla. beklakken, bevlekken, bevuilen. Nog heden is in het WVla. klak (een klik, ndl. kliekje) eene kleine hoeveelheid overgebleven drank. Het Vla. gebruikt het van modder, mest, aarde en van overgeschoten eten; vgl. nog andere voorbeelden uit germ. dialecten bij Grimm 5, 890.

Wij hebben dus het volle recht een bnw. klakkeloos aan te nemen in de bet. onbesmet, onbevlekt, smetteloos. Deze opvatting vinden wij duidelijk terug in het ags. cloecleás, d.i. onberispelijk en in het ndd. klaklos, d.i. onschuldig. Het begrip smet, vlek gaat geleidelijk over in dat van gebrek. Het onr., het ags. en het oeng. woord hebben deze beteekenis ontwikkeld (zie E. Müller 1, 228 op clack): hierdoor wordt de opvatting opgehelderd van onr. klaklaust, d.i. ongedeerd, eig. zonder gebrek, zonder iets te mankeeren. Vervolgens wordt ons duidelijk de bet. van het mnl. woord, nl. onvoorwaardelijk, geheel en al, eig. zonder mankeeren, pront1).

De overige beteekenissen laten zich voldoende verklaren uit een bnw. klakkeloos, waarin klak de bet. heeft van slag, een

[p. 62]

zeker klakkend geluid. Kil. klack, fissura, fragor; et sonus verberis, ictus resonans: plausus, sonora percussio. Ook deze beteekenis is in verschillende der genoemde vroegere en hedendaagsche germ. dialecten overbekend; zij ging zelfs in het fr. claque, claquer en claqueur over. Vgl. mnl. clacmerse naast clatermerse, d.i. klatergoud, en zie vooral de Wdbb. van Schuermans en De Bo voor het gebruik in de germ. dialecten. Uit die bet. van klakkeloos, d.i. zonder klak (of geraas) te maken, ontwikkelt zich vooreerst de uit het ndd. en de 17de eeuw bekende bet. onverwacht, als bnw., en onverwachts, plotseling, onverziens, als bijw. Het begrip onverwacht ontwikkelt zich tot dat van onverklaarbaar, waarvoor men geen reden weet te geven, en dus (volgens den spreker) ongemotiveerd, redenloos; ook zonder dat er een reden voor iets is, d.i. los weg, zoo maar, onbedachtzaam: het lat. temere, als bijw., en als bnw. temerarius. Eindelijk ontwikkelt zich het begrip niet door eene reden bestuurd, zonder reden tot dat van zonder rede, waar het hoofd niet bij is. In dezen zin wordt de bet. tot onbeduidend, zwak, nietig, wat geen naam mag hebben, in de uit Hooft aangehaalde uitdr. ‘klaklooze weere’, en ‘klakkeloos tegenstand bieden’. Het begrip zonder rede heeft zich hier feitelijk uitgebreid tot dat van zonder kracht of moed. Op deze wijze meen ik dat zich de ontwikkeling der beteekenissen kan hebben toegedragen bij het (bnw. en) bijw. klakkeloos, dat, op deze wijze beschouwd, ongetwijfeld meer tot ons zegt, dan vroeger het geval was, en duidelijker leeft voor onzen geest.

Ten slotte merk ik nog op, dat naast klackeloos ook klackelick voorkomt in de bet. onverwacht, zonder genoegzamen grond, b.v. in eene plaats uit het Goudtsch Kron., aangeh. bij Oudem. 3, 394: ‘dat het een grouwell soude wesen, dien heyligen bandt so clackelick te breken’. Met dezen vorm is te vergelijken ndl. plotselijk van plots (= onverwachte slag, Vercoullie). Vgl. ook De Jager, Freq. 2, 231.

 

j. verdam.