weinig of niet bekend, en gesteld dat de term afkomstig is uit het Oosten, dan kan hij niet door de Muzelmannen in Spanje of door de kooplieden aan de Middellandsche Zee naar Europa zijn overgebracht, maar hij moet over het vaste land in Oost-Europa zijn gekomen. Uit den bij Lessing voorkomenden vorm mag men opmaken, dat het woord oorspronkelijk begon met eene j, die later is overgegaan in zj, sj en tsj. Het omgekeerde, dat tsj of sj tot j zou geworden zijn, is zeer onwaarschijnlijk. Dit in aanmerking genomen, is het, dunkt mij, mogelijk sjamberloek af te leiden uit het Turksch. Daarin bestaat het woord jagmur, vulgo jamur, dat regen beteekent, en hiervan is afgeleid jamurlyk, d.i. regenmantel (Zenker 952). Dit woord is overgegaan in verschillende Oost-Europeesche talen. Volgens Miklosich (Die türkischen Elemente etc.) is het in het Bulgaarsch jamurluk, d.i. eene jas voor een stalknecht, in het Rumeensch imurluk, in het Russisch jemurluk, in het Poolsch jarmuluk. Dit laatste wordt ook gebruikt als stofnaam, t.w. ‘doppelter Barcan’, en barcan is hetzelfde als fr. bouracan (zie Devic), eene soort van wollen of harige stof. Vanouds beteekende het woord dus eene jas of een mantel, hetzij dan van wol, van laken of iets anders, en jamerlonk bij Lessing verschilt van de bovengenoemde vormen te weinig om het er niet mede te vereenzelvigen. De vraag die ik niet kan beantwoorden, is deze: in de taal van welk volk is de j overgegaan in zj en sj? Dit zal wel moeilijk zijn uit te maken. Onzeker blijft het ook, langs welken weg het woord in het Nederlandsch
is gekomen; zoolang dit niet volledig is verklaard, blijft m.i. de spelling sjamberloek, op den klank af, te verkiezen boven elke andere.
a. kluyver.