Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 72]

Sjamberloek.

Dat het woord sjamberloek reeds in 1653 voorkomt bij den dichter Lauremberg, en ook bij Lessing, is mij bekend geworden door eene mededeeling van Prof. Land. Bij Lauremberg staat in het meervoud chambrelouquen, en Lessing gebruikt (Nathan der Weise, IV, 4) den vorm jamerlonk ter aanduiding van een kleedingstuk der Muzelmannen. Dat de vorm chambercloak in het Engelsch niet bestaat, is reeds meermalen opgemerkt; het is niets dan eene proeve van Engelsche volksetymologie bij de Hollanders.

De afkomst van sjamberloek is nog niet opgehelderd; het volgende is daartoe eene poging.

In het Engelsch, Fransch en Italiaansch zoekt men tevergeefs naar een daarop gelijkend woord; men vindt niets, noch in de gewone lexica, noch bij Diez of Körting. In het woordenboek der Spaansche Academie (ao. 1869) staat echter chamerluco1), dat aldus wordt verklaard: ‘vestido de que usaban las mujeres, ajustado al cuerpo, bastante cerrado por el pecho, y con una especie de collarin.’ Hier is dus sprake van een kleedingstuk voor vrouwen, doch dat chamerluco hetzelfde woord is als sjamberloek, daaraan valt niet te twijfelen. Woordelijk hetzelfde leest men in de editie van 1803, maar in eene veel oudere, van 1729, luidt de verklaring eenigszins anders. Volgens deze is het: ‘trage de que usan en Europa, en particular los Polacos y Hungaros; el qual es en forma de una casaca ceñida al cuerpo.’ Daarna komt nog eene uitvoerige beschrijving2).

Volgens dit bericht was de naam derhalve in West-Europa

[p. 73]

weinig of niet bekend, en gesteld dat de term afkomstig is uit het Oosten, dan kan hij niet door de Muzelmannen in Spanje of door de kooplieden aan de Middellandsche Zee naar Europa zijn overgebracht, maar hij moet over het vaste land in Oost-Europa zijn gekomen. Uit den bij Lessing voorkomenden vorm mag men opmaken, dat het woord oorspronkelijk begon met eene j, die later is overgegaan in zj, sj en tsj. Het omgekeerde, dat tsj of sj tot j zou geworden zijn, is zeer onwaarschijnlijk. Dit in aanmerking genomen, is het, dunkt mij, mogelijk sjamberloek af te leiden uit het Turksch. Daarin bestaat het woord jagmur, vulgo jamur, dat regen beteekent, en hiervan is afgeleid jamurlyk, d.i. regenmantel (Zenker 952). Dit woord is overgegaan in verschillende Oost-Europeesche talen. Volgens Miklosich (Die türkischen Elemente etc.) is het in het Bulgaarsch jamurluk, d.i. eene jas voor een stalknecht, in het Rumeensch imurluk, in het Russisch jemurluk, in het Poolsch jarmuluk. Dit laatste wordt ook gebruikt als stofnaam, t.w. ‘doppelter Barcan’, en barcan is hetzelfde als fr. bouracan (zie Devic), eene soort van wollen of harige stof. Vanouds beteekende het woord dus eene jas of een mantel, hetzij dan van wol, van laken of iets anders, en jamerlonk bij Lessing verschilt van de bovengenoemde vormen te weinig om het er niet mede te vereenzelvigen. De vraag die ik niet kan beantwoorden, is deze: in de taal van welk volk is de j overgegaan in zj en sj? Dit zal wel moeilijk zijn uit te maken. Onzeker blijft het ook, langs welken weg het woord in het Nederlandsch is gekomen; zoolang dit niet volledig is verklaard, blijft m.i. de spelling sjamberloek, op den klank af, te verkiezen boven elke andere.

 

a. kluyver.