Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Addendum bij XX.

(zie Jaarg. 10, bl. 215).

Aan de aldaar aangehaalde bewijsplaatsen voege men o.a. nog de volgende toe, uit den Sp. H. opgeteekend:

‘Drie maerc selvers was hem bleven, Die hem geleent waren, die hi .... Den aermen gaf’, 38, 31, 80; ‘dat hi Was die goedertierste man, Daermen af ghelesen can, Die menegen ... Lant ende goet dede wedergeven’, 41, 34, 53; ‘Ende liet sinen sone Ingelram, Die tlant te berechtene nam, Die niet lange naden vader Lijf ende lant hilt’, 41, 37, 71; ‘Dat lantscap, dat Neustren hiet, Daer die Seine dore vliet’, 41, 40, 32; ‘jongen ende ouden, Dies hem ane die kerke houden, Die nu sijn ende sullen sijn mede’, 41, 45, 37; ‘Hadde enen broeder, die hiet Walgeer, Die wert was ende sere geheer’, 41, 46, 28; ‘Enen sone, die Diederic hiet, Dien hi tlant van Hollant liet’, ib. 68; ‘eenen sone .... Die Arnout bi namen hiet, Diemen tlant van Hollant liet’, ib. 84; ‘sente Morile, Die wilen bisscop was tAngiers, Die seide’, 41, 47, 10.

w.l. van helten.