Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

In den nap liggen.

Tijdschrift I, 256.

‘Eene andere spreekwijze waarin nap voorkomt, vindt men Limborch X, 6:

 
Al mine joie ende mijn deliit
 
Leit in de scotele ende in den nap,

d.i. is verschaald, voorbij. Zij is, als het grondsop van den wijn, in den nap blijven liggen, en daarom niets, zelf het aankijken niet meer waard.’

Vergelijkt men den context, dan is de bedoeling van den dichter niet zoo ascetisch, wel eerder gansch het omgekeerde daarvan.

In het vorige voorbeeld: in nap ontfaen, d.i. in volle mate, met volle bekers, staat het woord nap zonder lidwoord en heeft het bijwoordelijke kracht; hier kon men het van scotele niet afscheiden, en beide woorden hebben het lidwoord. ‘Nu ik aan den ouden dag ben, zegt de dichter, is mijn eenig genot een goede teug wijn bij een lekkere schotel’ een zin die door de tegenstelling gestaafd wordt:

 
Van minnen en hebbic maar den clap,
 
Anders en dogicker niet toe.

Wij zien ons aldus van de Stoa in Epicurus' hof verplaatst, en worden door de klacht van den Cortebeekschen pastoor aan het Horatiaansche ‘dilapsam in cinerem flammam’ herinnerd.

 

Antwerpen.

em. spanoghe.