Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 237]

Lijfcoop.

Een merkwaardig, tot heden weinig bekend, voorbeeld van volksetymologie geeft ons het woord lijfcoop, waarvan ik eerst de beteekenis door het aanhalen van eenige voorbeelden zal trachten duidelijk te maken. Doch daar die niet overal even goed zal uitkomen, doe ik de omschrijving van Kil. voorafgaan: ‘lijfkoop, liefkoop, epulum emptionis causa, emptio genialis, comessatio emptionis ergo, arra epularis.’ Het is dus hetzelfde als wijncoop, d.i. eigenlijk de wijn, die als bewijs van eene gesloten overeenkomst en ter bekrachtiging er van (als arra confirmatoria) door kooper, verkooper en getuigen gedrokken werd; het gelag, waaraan bij het sluiten van een handel (vooral bij eigendomsoverdracht door koop) de er bij betrokken personen en eenige getuigen deelnamen. Dat werkelijk lijfkoop hetzelfde is als wijnkoop blijkt uit Kil., die bij het laatstgenoemde woord naar het eerste verwijst.

Uitvoerig en duidelijk wordt het germaansche gebruik van den wijnkoop toegelicht en beschreven in Grimm, RA. 191; Maurer, Gesch. des Städtewesens 3, 568; Noordewier RO. 52 vlg.; Pro Excol. 1, 222; Alkemade, Ned. Dischplegt. dl. 2, cap. 1 § 12 vlgg. en dl. 3, cap. 13 en 14, en Lübben, 5,728 vlg., waar nog andere schrijvers over dit onderwerp worden aangehaald. Hoe oud dit symbolische gebruik is, blijkt uit een bij den laatste aangehaald voorbeeld van het jaar 1272 ‘presentes fuerunt testes, qui ob evidentiam premissorum biberunt winum, quod vulgaliter dicitur winkop’, en hoe algemeen het is verspreid geweest, blijkt uit de veelvuldige voorbeelden, die er van het woord uit het Mnd., Mhd. en Mhd. zijn opgeteekend, alsmede uit het feit, dat het woord wijnkoop ook in het Ofri. en het Deensch bekend is. Zie Richth. 1151.

De wijn kon ook door andere dranken, b.v. door bier, worden vervangen; vandaar dat men in het Mnd. ook bêrkop vindt gebruikt, en bovendien de merkwaardige samenstelling wîn-

[p. 238]

kopesbêr, bier als wijnkoop gedronken. Met dit woord is, wat de er in gelegen contradictio in terminis betreft, te vergelijken het hd. barfuszhaupts, blootshoofds, en de voorbeelden, aangeh. in mijne Gesch. d. Ndl. Taal, bl. 152 vlg.

Eindelijk werd ook het drinken van bier vervangen door eene nog eenvoudiger formaliteit, nl. door het geven van geld in de plaats van den drank zelven. Zoo werd de beteekenis van het woord wijnkoop langzamerhand gewijzigd tot die van handgeld, dus tot een synoniem van goodspenning of ndl. drinkgeld, over welks beteekenis door deze beschouwingen een helderder licht opgaat. Zie de voorbeelden bij Lübben 5,729. Op dezelfde wijze ontwikkelde zich bij het ndl. fooi uit de beteekenis afscheidsmaal, die van geschenken, aan gastheer en gastvrouw gegeven, en eindelijk de thans gewone opvatting geld gegeven aan de dienstboden van een gastheer of gastvrouw1). In de laatstgenoemde beteekenis, nl. die van handgeld of goodspenning bij het huren van dienstboden, is het woord wijnkoop nog heden in Westerwolde in gebruik2). Van eene andere uitbreiding der beteekenis is nog in een ander dialect een spoor over; in tongvallen van Drente en Westerwolde beteekent het nog heden bruiloft3), eene beteekenis, die het woord reeds betrekkelijk vroeg heeft aangenomen; vgl. de plaats bij Lübben: ‘so wanner eyn bruytlofft verramet wert, en sal men nymande to wynkope an wyne vorder vorsetten dan itlichem eyn mengelen.’

Eene volkomen hiermede overeenkomende ontwikkeling vertoont het mnl. lijfcoop, waarvan nu eenige plaatsen volgen.

Belg. Mus. 1,66 in een hoofdstuk over ‘ervenesse ende ontervenesse van leene’ leest men o.a. deze woorden: ‘Comt yemen, die naerhede heescht (naasting begeert), die moet presenteren goud ende selver, ende meer ghelts, godspennync, lijfcoop, roucoop (of hire ware) ende den principalen coop.’

Gesch. v. Antw. 2,542: ‘Van enen stucke wijns, dat jeghen

[p. 239]

W. ghecocht was, .. in pay xliii £ .. ende van lijfcoope, ix sc.; ook 538. Rek v. Zeel. 2,61: “Ontfanghen van P. van eenen cleenen moerdijxkenne .., dat ghehaten (l gheheeten) is Welhil ..., daerof van lijfcoope ontfanghen anno 39o .. van elken mete 10 sc.”. 73: “Van mijns heren tsgraven lijfcoope van den ghedarijd lande 10 sc. tor. van den mete” (zoo ald. bl. 72, 73 en elders nog meermalen). Mieris 2,344: “Ende si (de koopers van een moerdijk) zullen (aan den graaf) gheven van elken mete tien scellinghe zwarte te lijfcope teerste jaer”. Rek. v. Gent 1,235: “Van al desen lijnwade te metene, ende van lijfcope, van vorne ende upslane, 4 sc. 8 d. gr.” O.K.v. Dordr. 44, art. 149: “So wie zout Tordrecht vercoopt, die sal den makelaers van zout gheven van elken hondert zouts x groot payments .., ende diet coopt iiii groot, ende daermede allen anderen oncost offgheset van eten, van drincken ende van lijfcoop, op iii pont.” Rek. d. Gr. 1,62: “(Aan) W., de leynaglen van Utrecht in den Haghe te bringhene ende te lijfcope 4 sc. 8 d. (hier dus reeds geheel in de bet. van ndl. fooi, drinkgeld)”; Item 38 achtendelen tarwen ghecoft ten Sande, costen met lijfcope ende van coste 15 £.’ O Vl. Lied. e.G. 359, 1308: ‘Daerna bi sinen vryen dancke so maecti lijfcoop jeghen hem tween ende huerde Duchte, mir vrouwen, leen.’ Rek. v. Middelb. 44: ‘Van lijfcope, ghegheven, doe dese steene ghecocht waren xxiii s.1); Matthijsz. 116: ‘So wanneer yemant lant of erve vercoft heeft ende een godspenninck dairof ghegeven is ende lijfcoop ghedroncken, so is die vercoper die vortste van der erven’; enz.2).

De personen, die als getuigen bij de formaliteit tegenwoordig

[p. 240]

waren heetten wijncoopsliede (Noordewier RO. 53; Leid. Keurb. Gloss. 611; Lübben 5,729) of ook lijfcoopsliede (Mieris 2,157a; Matthijsz. 150; 136; 145 driemaal; O.K.v. Brielle 14,20; Priv. v. Brielle 2,18; 26).

Vanwaar is nu dit vreemde woord, en welke beteekenis heeft hier het woord lijf? Wij hebben opgemerkt dat Kiliaan naast den vorm lijfkoop ook opgeeft liefkoop; kan deze ons ook op den rechten weg brengen? Wanneer wij dit woord met het onmiddellijk er aan voorafgaande vergelijken: ‘lijfkoeck j. liefkoeck’, zien wij, dat de lexicograaf, geen raad wetende met het woord lijf in deze samenstelling, alleen eene poging heeft willen doen, om het woord te verklaren, door het met de spelling van lijfkoek of liefkoek1) in overeenstemming te brengen; op deze wijze werd althans het begrip eten of smullen in het woord gebracht, en dit was in elk geval van het (ook bij Kiliaen) bekende niet al te veel verschillend; dit blijkt ook hieruit, dat terwijl liefkoeck (met ie) uitvoerig door hem wordt verklaard, liefkoop (met ie) daar ter plaatse niet eens door hem is opgenomen. Deze poging blijkt dus mislukt, en op op dezen weg zullen wij Kiliaen niet volgen. Meer nut zal ons de opmerking doen, dat het woord lijfkoop in het Mnl. ook nog in andere vormen voorkomt. Ik wijs vooreerst op de schrijfwijze licoop, welke men vindt N. Doct. 1719, in den volgenden samenhang (vs. 1716 vlgg.): ‘met coopen ende met vercoopen, hoe si bedrieghen ende beloopen elc andren met looser spraken, opdat si sconen licoop maken’ (waarvoor de var., bl. 153, heeft lijfcoop). Ten tweede op de spelling liccoop, waarvan men voorbeelden aantreft, Rek. d. Gr. 2,47: ‘Van liccoop van den eren (den vroegeren, den eersten) coop2), datten die duynhoeders vercoft hadden, 2 sc.’ 58: ‘Van liccoop van hoy, dat verdinghet was te Delf jeghens der feeste...

[p. 241]

2 sc.’ 70: ‘om gley mede te binden 5 sc.; van liccoep 6 d.’ Doch noch de schrijfwijze licoop noch liccoop geven voldoende verklaring aangaande den oorsprong, want zoowel de eene als de andere vorm kan uit lijfcoop geassimileerd zijn; evenwel, dit moet worden erkend, licoop beter dan liccoop. Vgl. het 17de-eeuwsche diezak voor diefzak en snoeshaan voor snoefshaan. Gelukkig is er nog een derde vorm, die ons verder zal brengen, nl. litcoop1): dezen vinden wij Rek. d. Gr. 2,166: ‘Van goodspenninc ende van litcoop bi Florekijn 4 sc.’ en Rek. Bissc. v. Utr. 370: ‘Te cost van goodsgelde, van litcoop ende teeringhe in drien daghen, dat ic tAmersfoort was over dese provancie vanden bier ende vanden runderen te seinden tot Renen.’ Dit, of nog juister lijtcoop(lijdcoop) is de oorspronkelijke vorm, dien wij ook buiten het Mnl. aantreffen en die ons den sleutel ter verklaring in de hand geeft. In het Mnd. vinden wij lîtkôp, lîkôp; in het Mhd. lîtkouf, leitkouf, leichauf, leikauf; in hd. dial. leitkauf, leikauf en leutkauf; beiersch leikaf; tirol. laikaff; zwab. leikauf, leukauf en lidkauf. Zie de Wdbb. van Grimm (op leitkauf en leutkauf), Lexer en Lübben, en vgl. Diefenb. 328b het gelatiniseerde licopium met de verklaring wînkauf, en vgl. Noordew. RO. 52. Het woord is nl. samengesteld met een oudgerm. woord voor wijn en wel voor vruchtenwijn, in tegenstelling met wijn, die uit druiven verkregen wordt, bij Noordewier RO. 52 niet onjuist, maar ik weet niet op welken grond, litdrank genoemd. Het komt in het Got. ééns voor, in den vorm leipus (Luc. 1,15), ter vertaling van gri. sikera (lat. sicera, waarvan fr. cidre), en verder in alle ogerm. talen. Zie Diefenb. 2,133. In het Mhd. is het nog als zelfstandig woord (m. en o.) bekend (Lexer 1, 1939); in het Hd. Wdb. wordt leit nog afzonderlijk genoemd, ter verklaring van de samenstellingen leitgebe (mhd. lîtgebe, tapper, zooals nog heden in oostenrijksche dialecten gezegd wordt, Grimm 6,736), leit-

[p. 242]

haus (mhd. lîthûs, herberg, Grimm t.a.p.) en leitkauf, ‘wenn auch’, aldus wordt er bijgevoegd, ‘ohne verständnis für die eigentliche bedeutung’ van het woord leit zelf. Het woord is ook in ndl. tongvallen nog heden bekend: in Limburg in den vorm liefkoop; in het Drentsch als lijfkoop, gelijk wij boven zagen, nog bekend in de bet. bruiloft; in het Haspengouwsch, een Zuid-nederl. dialect in Belgisch Limburg, als lijkop; in het Haspeng. Idiot. van Rutten leest men: ‘Lijkop drinken, geven, te drinken betalen na eene publieke verkooping. Er is 10 fr. lijkop te drinken. Als ik dat huis koop, geef ik vijf fr. lijkop’. Bij Schuermans staat zoowel liefkoop als lijfkoop opgeteekend in soortgelijke beteekenissen; zie bij hem bl. 337 en 339. Hoeufft eindelijk vermeldt het woord in het Aanhangsel op zijne Proeve van Bred. Taaleig. bl. 24; hij verklaart lijf verkeerd, doch wijst terecht op wijnkoop, en herinnert aan het fr. pot de vin, dat ‘bij de Franschen thans doorgaans gebezigd wordt voor eene fooi, welke aan den bemiddelaar van eenen koop als makelarij wordt toegelegd’.

Met een paar opmerkingen, eene aangaande den vorm en eene aangaande de bet. van het woord besluit ik dit artikel, waarboven met meer recht dan vroeger boven de artikelen over oogtale1) en kil2) zou kunnen staan: ‘Een oude kennis uit het Gotisch in het Ndl. wedergevonden.’ Als het woord nog heden bestond, zou het luiden lijd, in overeenstemming met den vorm van het ogerm. woord, die een p vertoont. Het mnl. woord zou dus eigenlijk lijdcoop moeten gespeld zijn, als de wet der sluitconsonanten (vooral bij een woord, dat niet meer verbogen werd) daarin geene verandering had gebracht. En wat de beteekenis betreft, moet opgemerkt worden, dat het woord misschien nog juister kan worden weergegeven door brandewijn, d.i. gebrande wijn (hd. (ge)brantwein3), of gedistilleerd, d.i.

[p. 243]

sterke drank, drank door overhaling verkregen. Deze beteekenis zien wij vooral in het Mhd. lît en in de samenstellingen in het Hd. op den voorgrond komen; het woord leitgebe b.v. wordt bij Grimm vertaald door ‘der geistige getränke ausschenkt’. In het N.T. komt dan ook op de plaats, waar leipus staat in het Gotisch en sikera in het Grieksch, de zeer juiste vertaling voor sterke drank.

j. verdam.