Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11. E.J. Brill, Leiden 1892  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 244]

Sek, sekgras.

De hierboven, blz. 31, gegeven verklaring van seck, sick1) wordt bevestigd door een ander woord sek (sekgras), een der namen van de plant, die in de algemeene taal zegge2) heet. Deze bijvorm wordt reeds bij Kiliaan gevonden (‘Seck. Zeland. Carex’); in overeenstemming hiermede komt het ook voor bij den Zeeuw Cats (II, 8: ‘taye seck),’ en verder in de Kantt. op Job 8, 11, no. 18: (‘rietgras, anders seck, ofte flag, ofte meyrgras’); vandaar seckich, bij Coster 401 (‘het seckich gras, Dat pas zijn rosse tip steeckt wt de gore plas’); zie ook beneden, de noot. Thans is sek in Noord- en Zuid-Holland nog de gewone volksnaam; zie ook V. Hall, Landh. Flora, 236. Daar de identiteit der woorden zegge en sek, twee namen voor dezelfde plant, geen twijfel lijdt, is dus ook hier in sommige tongvallen de dubbele (of liever lange) zachte slagconsonant g(g) als zoodanig bewaard, en bij den afval der e als slotletter tot k verscherpt, evenals in het volkomen homonieme sec uit secge, imperatief van het ww. secgen.

 

Leiden, April 1892.

j.w. muller.