Sek, sekgras.
De hierboven, blz. 31, gegeven verklaring van seck, sick1) wordt bevestigd door een ander woord sek (sekgras), een der namen van de plant, die in de algemeene taal zegge2) heet. Deze bijvorm wordt reeds bij Kiliaan gevonden (‘Seck. Zeland. Carex’); in overeenstemming hiermede komt het ook voor bij den Zeeuw Cats (II, 8: ‘taye seck),’ en verder in de Kantt. op Job 8, 11, no. 18: (‘rietgras, anders seck, ofte flag, ofte meyrgras’); vandaar seckich, bij Coster 401 (‘het seckich gras, Dat pas zijn rosse tip steeckt wt de gore plas’); zie ook beneden, de noot. Thans is sek in Noord- en Zuid-Holland nog de gewone volksnaam; zie ook V. Hall, Landh. Flora, 236. Daar de identiteit der woorden zegge en sek, twee namen voor dezelfde plant, geen twijfel lijdt, is dus ook hier in sommige tongvallen de dubbele (of liever lange) zachte slagconsonant g(g) als zoodanig bewaard, en bij den afval der e als slotletter tot k verscherpt, evenals in het volkomen homonieme sec uit secge, imperatief van het ww. secgen.
Leiden, April 1892.
j.w. muller. |
1)Zie nog: C. Everaert, Esb. v.d. Vigelie, in: V. Vloten, Ned. Kluchtsp. 2 I, 100.
2)Eene soort van rietgras, Carex, thans als onkruid ook onder den naam bent of bund bekend, zie V. Hall, t.a.p. en V. Dale i.v.; reeds bij Kil. (‘ Segghe. Fland. Gramen palustre maius’). Zonder twijfel is dit hetzelfde segghe, dat wij terugvinden in eenige namen: 1 o de Zegbloem, het blazoen der oude Rederijkerskamer te Zegwaard; 2 o evengenoemde plaatsnaam Zegwaard in Zuid-Holland (in de Rek. d. Grafel. v. Holl. II, 154 Zecwaert gespeld; verg. boven, en ook de oude spelling Haecmunde, 't Icgemonde voor Egmond); de woordspelende vernoeming der Rederijkerskamer was dus meer dan eene volksetymologie; 3 o de geslachtsnaam Segboer (Winkler 304), verg spottende benamingen als wvl. brom-, ginst-, peem-, schaapsulkerboer bij De Bo. - Ook buiten het Nederlandsch is het woord bekend: mnd. nnd. segge (Lübben-Walther; De Jager, Lat. Versch. 347; Korrespbl. d. Ver. f. niederd. Sprachf. XV, 91), ags. seeg, eng. sedge (Johnson ook: sag, seg, Nares: segs, segges). Volgens Skeat is dit hetzelfde woord als ags. secg vr., zwaard, en beteekent de naam dus zooveel als: zwaardgras, om den vorm der bladen, gelijk het in Oudengelsche glossaria dan ook veelal met gladiolus vertaald wordt (zie Bosworth-Toller); dat met dezen laatsten
naam thans eene andere plant wordt aangeduid doet natuurlijk niets toe of af.
|